Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3164

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
201900415/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:9939, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 september 2017 heeft het college het verzoek van [appellant] om intrekking van besluiten van 13 februari 2014, en van 18 februari 2014 afgewezen. In het besluit van 13 februari 2014 was besloten tot verhaal op [appellant] van de kosten van toepassing van bestuursdwang, bestaande uit het ontmantelen van een hennepplantage. In het besluit van 18 februari 2014 was een boete opgelegd van € 4.000,- voor het zonder vergunning onttrekken van woonruimte aan de bestemming tot woonruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/933
AB 2020/13 met annotatie van L.M. Koenraad, T.N. Sanders
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201900415/1/A3.

Datum uitspraak: 18 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2018 in zaak nr. 18/1531 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2017 heeft het college het verzoek van [appellant] om intrekking van besluiten van 13 februari 2014, en van 18 februari 2014 afgewezen. In het besluit van 13 februari 2014 was besloten tot verhaal op [appellant] van de kosten van toepassing van bestuursdwang, bestaande uit het ontmantelen van een hennepplantage. In het besluit van 18 februari 2014 was een boete opgelegd van € 4.000,- voor het zonder vergunning onttrekken van woonruimte aan de bestemming tot woonruimte.

Bij besluit van 12 februari 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 december 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 augustus 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.A. van Gemeren, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J.J. van der Vlist, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De in deze uitspraak aangehaalde wetgeving is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van de uitspraak.

2.    Op 13 november 2013 is een hennepkwekerij aangetroffen in twee slaapkamers van het pand aan de [locatie] te Rotterdam (hierna: de woning). [appellant] was huurder van de woning, maar woonde daar op dat moment niet. De hennepkwekerij is ontmanteld door toepassing van spoedeisende bestuursdwang. Bij besluit van 13 februari 2014 heeft het college [appellant] op grond van artikel 1a, tweede lid. van de Woningwet aangemerkt als overtreder en zijn de ontmantelingskosten van € 702,67 op hem verhaald. [appellant] heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

    Bij besluit van 18 februari 2014 heeft het college [appellant] een boete opgelegd van € 4.000,-, omdat de woonruimte in de woning zonder een onttrekkingsvergunning aan de bestemming tot woonruimte is onttrokken ten behoeve van de hennepteelt. Dat is in strijd met artikel 30 van de Huisvestingswet, zoals die luidde ten tijde van belang, en met artikel 3.1.2 van de Huisvestingsverordening aangewezen gebieden Rotterdam. Een deel van de woonruimte was daardoor niet langer geschikt voor bewoning. Het daartegen ingediende bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding. Tegen dat besluit is geen beroep aangetekend. [appellant] heeft op 3 juli 2017 verzocht de besluiten van 13 februari 2014 en 18 februari 2014 in te trekken omdat hij op 27 september 2016 door de politierechter is vrijgesproken van overtreding van de Opiumwet en van diefstal van stroom. Het college heeft het verzoek afgewezen omdat geen relevante nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangedragen door [appellant].

Bestreden uitspraak

3.     De rechtbank is van oordeel dat [appellant] geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht. Het feit dat [appellant] in zijn strafzaak niet verantwoordelijk is gehouden voor de aangetroffen hennepkwekerij, is op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 16 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2178, geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. De stelling van [appellant] dat onderzoek door het college destijds een andere dader had kunnen opleveren slaagt evenmin. In het verweerschrift van 18 oktober 2018 is uiteengezet waarom [appellant] destijds is aangemerkt als overtreder. De grondslag van de besluiten van 13 en 18 februari 2014 is niet gelijk aan de strafrechtelijke kwalificatie waaraan de politierechter heeft getoetst. Het lag op de weg van [appellant] om in het kader van de bezwaarprocedure aan te voeren waarom hij ten onrechte als overtreder is aangemerkt. [appellant] heeft geen dan wel niet tijdig bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 13 en 18 februari 2014.

Hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de besluiten hadden moeten worden ingetrokken. Het besluit op het bezwaar tegen het opleggen van de bestuurlijke boete is niet zorgvuldig genomen. Hij betoogt voorts dat de bestuurlijke boete voor de onttrekking van de woonruimte een punitieve sanctie is. Het college heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar wie de hennepplantage heeft geplaatst. Hij is daarvoor vrijgesproken en dus had de boete niet mogen worden opgelegd. Ook is onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van [appellant]. Op grond van de bijzondere omstandigheden had moeten worden afgezien van het verhaal van kosten en het opleggen van een boete.

    [appellant] betoogt dat hij niet langer als overtreder kan worden aangemerkt omdat hij is vrijgesproken van betrokkenheid bij de hennepkwekerij. Hij kan daarom niet worden aangesproken voor de bestuurlijke boete en de kosten van ontmanteling.

4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 31 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1436, is het uitgangspunt bij verzoeken om terug te komen van besluiten dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een verzoek om terug te komen van een besluit inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo'n aanvraag inwilligen of afwijzen. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook nog steeds voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, het verzoek om terug te komen van een besluit af te wijzen. Als het bestuursorgaan - overeenkomstige - toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

    Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.

4.2.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en daarom het verzoek om terug te komen op de beide besluiten afgewezen. Los van de vraag of de aangevoerde feiten en de persoonlijke omstandigheden van [appellant] kunnen leiden tot een verminderde verwijtbaarheid van [appellant] of het ontbreken daarvan, heeft het college deze feiten en omstandigheden terecht niet aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden nu deze ook ten tijde van de overtreding bestonden en bekend waren. De juridische betogen over de aard van de sanctie en de zorgvuldigheid van de besluitvorming zijn evenmin nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

    Het college heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat het vonnis van de strafrechter geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is (zie de uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2017:2178). De rechtbank heeft daarnaast terecht overwogen dat omdat de grondslag voor de besluiten van 13 en 18 februari 2014 niet gelegen is in een overtreding van de Opiumwet of het Wetboek van Strafrecht, maar respectievelijk  in schending van de zorgplicht uit de Woningwet en in overtreding van de Huisvestingswet, uit de vrijspraak door de politierechter niet afgeleid kan worden dat [appellant] ook geen overtreder is in het kader van deze besluiten. De politierechter heeft een ander beoordelingskader gehanteerd dan het beoordelingskader dat in de besluiten van toepassing is.

    Tenslotte ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat de weigering om terug te komen van de besluiten evident onredelijk is. De Afdeling betrekt daarbij dat het college [appellant] een betalingsregeling heeft aangeboden.

    De betogen falen.

Slotsom

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Rietberg, griffier.

w.g. Daalder    w.g. Rietberg

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2019

725.

 

Bijlage

 

Awb

Artikel 4:6

1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden."

2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking afwijzen.

Woningwet

Artikel 1a

Een ieder die een bouwwerk […] gebruikt, laat gebruiken […] draagt er, voor zover dat in diens vermogen ligt, zorg voor dat als gevolg van dat […] gebruik […] geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

Huisvestingswet (ten tijde van belang)

Artikel 30

1. Het is verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen wijk, zonder vergunning van burgemeester en wethouders:

a. aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, of voor een zodanig gedeelte aan die bestemming te onttrekken, dat die woonruimte daardoor niet langer geschikt is voor bewoning door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze zonder zodanige onttrekking geschikt is;

[…]

Huisvestingsverordening aangewezen gebied Rotterdam

Artikel 3.1.2. Vergunningsvereiste

Het is verboden om zonder een onttrekkingsvergunning een woonruimte:

a. aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, of voor een zodanig gedeelte aan die bestemming te onttrekken, dat die woonruimte daardoor niet langer geschikt is voor bewoning door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze zonder onttrekking geschikt is;

[…]