Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3161

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
201807611/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:3571, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 maart 2017 heeft het college geweigerd aan [appellant sub 1] een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een voorlopige schuilhut voor 5 pony’s op een perceel aan de [locatie 1] in ’t Loo Oldebroek, kadastraal bekend als gemeente Oldebroek, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/904
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201807611/1/A1.

Datum uitspraak: 18 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellant sub 1], wonend te Oldebroek,

2.    het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 augustus 2018 in zaak nr. 17/7036 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2017 heeft het college geweigerd aan [appellant sub 1] een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een voorlopige schuilhut voor 5 pony’s op een perceel aan de [locatie 1] in ’t Loo Oldebroek, kadastraal bekend als gemeente Oldebroek, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 7 november 2017 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 16 mei 2018 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek aan dit besluit te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak.

Bij brief van 8 juni 2018 heeft het college de motivering van het besluit van 7 november 2017 aangevuld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant sub 1] zijn zienswijze over de wijze waarop het college gevolg heeft gegeven aan de tussenuitspraak naar voren gebracht.

Bij uitspraak van 15 augustus 2018 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 november 2017 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en het college hoger beroep ingesteld.

Het college en [appellant sub 1] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2019, waar [appellant sub 1], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door A. Hulsebosch en K. Weijens, bijgestaan door mr. J. van Vulpen, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    [appellant sub 1] is eigenaar van het perceel. Op 7 november 2016 heeft [appellant sub 1] een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een schuilgelegenheid voor vijf pony’s op het perceel. Op het perceel geldt het bestemmingsplan "Buitengebied 2007" (hierna: het bestemmingsplan) met de bestemming "Agrarisch met waarden". Op grond van de bij de bestemming behorende bouwregels mogen er in of op deze gronden geen gebouwen worden gebouwd. Het bouwplan is hiermee in strijd.

    Het college heeft geweigerd de gevraagde omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan aan [appellant sub 1] te verlenen. Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan in strijd is met de goede ruimtelijke ordening, omdat de schuilgelegenheid het landschappelijk beeld en de visuele belevingswaarde van het kenmerkende (open) essenlandschap verstoort en het beeld op het open landschap belemmert. De schuilgelegenheid draagt bij aan verstening. Daarnaast leidt het toestaan van de schuilgelegenheid tot een ongewenst precedent voor het overige open essengebied, aldus het college.

Oordeel van de rechtbank

2.    De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het college in het besluit op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd dat de schuilgelegenheid nabij het perceel [locatie 2] geen rechtens vergelijkbaar geval is. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om te motiveren waarom geen sprake is van vergelijkbare gevallen. Indien het wel vergelijkbare gevallen zijn, dan dient het college te motiveren waarom voor de schuilgelegenheid nabij het perceel [locatie 2] wel een omgevingsvergunning is verleend en voor de schuilgelegenheid van [appellant sub 1] niet.

    De rechtbank heeft in de einduitspraak overwogen dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het geen vergelijkbare gevallen zijn, zodat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Geen incidenteel hoger beroep

3.    Ter zitting is door [appellant sub 1] toegelicht dat het door hem als voorwaardelijk incidenteel hoger beroep aangeduid stuk van 24 november 2018 slechts bedoeld is als een nadere reactie op het incidenteel hoger beroep van het college. Dit stuk dient daarom niet te worden aangemerkt als een incidenteel hogerberoepschrift als bedoeld in artikel 8:110, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling heeft het stuk als schriftelijke uiteenzetting betrokken bij de beoordeling van het hoger beroep van het college.

Hoger beroep van [appellant sub 1]

4.    [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt.

    Daartoe voert hij aan dat het college de omgevingsvergunning voor het bouwen van de schuilgelegenheid nabij het perceel [locatie 2] heeft verleend, omdat de aanvrager in dat geval een beroep heeft gedaan op het vertrouwensbeginsel, terwijl het college weigert het beroep op het vertrouwensbeginsel van [appellant sub 1] te honoreren. Volgens [appellant sub 1] is in zijn geval een toezegging gedaan door de ambtenaar G. Last van de gemeente Oldebroek. Ook in het geval van de omgevingsvergunning voor de schuilgelegenheid nabij het perceel [locatie 2] was een toezegging gedaan door een daartoe niet bevoegd persoon, te weten een wethouder. Er dient daarom aan beide toezeggingen evenveel rechtskracht te kunnen worden ontleend. Door de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren en het beroep op het vertrouwensbeginsel niet te honoreren, handelt het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel, aldus [appellant sub 1].

    [appellant sub 1] voert daarnaast aan dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt door hem niet in de gelegenheid te stellen om zijn aanvraag aan te passen. Volgens [appellant sub 1] blijkt uit de brief van 16 juni 2011 dat de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de schuilgelegenheid nabij het perceel [locatie 2] wel in de gelegenheid is gesteld om zijn aanvraag aan te passen, zodat de grond om de gevraagde vergunning te weigeren is vervallen. Die schuilgelegenheid is na de aanpassing van de aanvraag door het college in overeenstemming met het bestemmingsplan en met de notitie "Schuilgelegenheden buiten bouwpercelen voor hobbyboeren" (hierna: het schuilgelegenhedenbeleid) geacht. Volgens [appellant sub 1] had het college hem ook in de gelegenheid moeten stellen zijn aanvraag aan te passen en de omgevingsvergunning moeten verlenen. Zijn bouwplan voldoet immers ook aan het schuilgelegenhedenbeleid en hij is bereid de afmetingen van de schuilgelegenheid terug te brengen tot dat wat het bestemmingsplan toelaat, aldus [appellant sub 1].

    [appellant sub 1] betoogt tot slot dat het college door te handelen zoals het heeft gedaan, zelf een precedent heeft geschapen alsmede in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod op willekeur heeft gehandeld.

4.1.    De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling terecht overwogen dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Daarbij heeft de rechtbank terecht betrokken dat de situaties aan het [locatie 2] en de [locatie 1] feitelijk van elkaar verschillen. De oppervlakte van de door [appellant sub 1] aangevraagde schuilgelegenheid van 36 m2 is groter dan de oppervlakte van de gerealiseerde schuilgelegenheid van 18 m2 op het perceel [locatie 2]. Verder staat er op het perceel [locatie 1] minder bebouwing dan op het perceel [locatie 2]. Bovendien heeft het college toegelicht dat de omgevingsvergunning voor de schuilgelegenheid nabij het perceel [locatie 2] niet verleend had mogen worden. Volgens het college is aan die omgevingsvergunning per abuis een toezegging van de voormalige wethouder ten grondslag gelegd, op grond waarvan, zo blijkt uit de stukken, de aanvrager van de schuilgelegenheid aan [locatie 2] in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag aan te passen, waarna die omgevingsvergunning is verleend. De Afdeling ziet gelet op de stukken geen aanleiding om aan deze toelichting te twijfelen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet zo ver strekt dat het desbetreffende bestuursorgaan een gemaakte fout moet herhalen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:438.

    Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat Last heeft toegezegd dat de omgevingsvergunning zou worden verleend en reeds hierom de door hem gevraagde omgevingsvergunning had moeten worden verleend, overweegt de Afdeling met inachtneming van de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694 en het daarin weergegeven stappenplan dat het antwoord op de eerste vraag, te weten of de uitlating van Last kan worden gekwalificeerd als een toezegging, ontkennend is. Uit het verslag van de hoorzitting van 7 augustus 2005 en het gespreksverslag van 4 juni 2009 blijkt slechts dat [appellant sub 1] tijdens die gesprekken heeft gesteld dat Last hem in 1997 heeft afgeraden om bezwaar te maken tegen een weigering van een bouwvergunning, omdat een nieuw bestemmingsplan de bouw van een schuur mogelijk zou maken. Daargelaten of daarmee aannemelijk is gemaakt dat dergelijke uitlatingen zijn gedaan, kan deze uitlating niet worden aangemerkt als een toezegging dat de gevraagde omgevingsvergunning voor afwijking van het ten tijde van het besluit van 7 november 2017 geldende bestemmingsplan zou worden verleend.

    Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het college in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod op willekeur heeft gehandeld.

    Het betoog faalt.

Hoger beroep van het college

5.    Het college betoogt dat het ten onrechte door de rechtbank is veroordeeld tot het betalen van een proceskostenvergoeding aan [appellant sub 1]. Het college voert aan dat [gemachtigde], die [appellant sub 1] in beroep heeft bijgestaan, geen beroepsmatige rechtsbijstandverlener is. Volgens het college volgt uit de stukken die [gemachtigde] heeft overgelegd ter motivering van het door haar gestelde beroepsmatige karakter van de door haar verleende rechtsbijstand niet dat sprake is van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening. Uit die stukken blijkt alleen dat zij incidenteel advies verleent. De op inkomen gerichte taakuitoefening van [gemachtigde] bestaat feitelijk uit het uitoefenen van haar werkzaamheden als pedicure, aldus het college.

5.1.    Artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht luidt:

"Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op:

a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

[…]."

5.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2454, heeft rechtsbijstand een beroepsmatig karakter wanneer het verschaffen ervan een vast onderdeel is van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening.

    [gemachtigde] stelt dat zij vanaf begin 2018 begonnen is met haar adviesbureau. In hoger beroep heeft zij verschillende stukken overgelegd ter motivering van haar stelling dat zij beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Zo heeft zij negen overeenkomsten over (juridische) advies- en uitvoeringswerkzaamheden overgelegd, waarvan één de overeenkomst tussen haar en [appellant sub 1] betreft. Vier van deze overeenkomsten zijn opgesteld vóór 1 januari 2018. Met de overgelegde stukken heeft [gemachtigde] niet aannemelijk gemaakt dat vanaf begin 2018 het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel is van haar duurzame taakuitoefening. Niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening. De door [gemachtigde] overgelegde stukken die betrekking hebben op het besluit van het college van 3 juli 2017 inzake het opleggen van een tijdelijke contactbeperking aan haar en een verzoek aan het college om op grond van de Wet openbaarheid van bestuur informatie te verstrekken over brieven met onderzoek naar de mate van beroepsmatig verleende bijstand aan personen/instanties die dit voor particulieren binnen de gemeente Oldebroek verzorgen, bieden geen grond voor een ander oordeel. Gelet op deze omstandigheden heeft de rechtbank het college ten onrechte veroordeeld tot het betalen van een proceskostenvergoeding aan [appellant sub 1].

    Het betoog slaagt.

Conclusie

6.    Het hoger beroep van [appellant sub 1] is ongegrond. Het hoger beroep van het college is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank het college heeft veroordeeld tot vergoeding van de bij [appellant sub 1] in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand gemaakte proceskosten, voor een gedeelte van € 1.252,50. Dit betekent dat het college aan [appellant sub 1] nog € 27,72 aan proceskosten dient te vergoeden.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] ongegrond;

II.    verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek gegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 augustus 2018 in zaak nr. 17/7036, voor zover de rechtbank daarbij het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek heeft veroordeeld tot vergoeding van de bij [appellant sub 1] gemaakte proceskosten voor een gedeelte groot € 1.252,50 (zegge: twaalfhonderdtweeënvijftig euro en vijftig cent);

IV.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. A. ten Veen, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Van Diepenbeek    w.g. Montagne

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2019

374-884.