Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3149

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-09-2019
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
201902223/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2019 heeft de raad van de gemeente Bernheze het bestemmingsplan "Bergakkers 3, Vorstenbosch" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902223/2/R2.

Datum uitspraak: 13 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekster], gevestigd te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

verzoekster,

en

de raad van de gemeente Bernheze,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Bergakkers 3, Vorstenbosch" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoekster] beroep ingesteld.

[verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 augustus 2019, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. W.A.M. Vos-van der Linden en mr. M.J.C. Mol, beiden rechtsbijstandverlener te ‘s-Hertogenbosch, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R.H.M. Govaerts en ing. P.A.M. van Boekel, bijgestaan door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Het plan maakt de realisatie van een woonwijk met maximaal 56 woningen mogelijk op de locatie Bergakkers 3 te Vorstenbosch.

[verzoekster] exploiteert een geitenhouderij op het perceel [locatie] te Heeswijk-Dinther, gelegen ongeveer 750 m ten westen van het plangebied.

3.    [verzoekster] vreest dat de bij het plan voorziene woningbouw belemmerend werkt op de bedrijfsvoering van haar geitenhouderij. Hierover voert zij aan dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met mogelijke gezondheidsrisico’s voor de toekomstige bewoners van de woningen, waardoor ter plaatse van deze woningen geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Daarnaast acht verzoekster het onredelijk dat de raad vanwege gezondheidsrisico’s terughoudend is met beslissen op haar aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de uitbreiding van haar geitenhouderij, terwijl de raad deze nieuwbouwwijk met mogelijke gezondheidsrisico’s voor de toekomstige bewoners wel mogelijk maakt.

3.1.    De raad stelt zich primair op het standpunt dat het relativiteitsvereiste, dat is neergelegd in artikel 8:69a van de Awb, aan een inhoudelijke beoordeling in de weg staat, omdat het belang van wonen in een omgeving zonder verhoogde gezondheidsrisico’s geen norm is die strekt tot bescherming van het belang van [verzoekster].

Subsidiair stelt de raad zich op het standpunt dat sprake is van twee verschillende toetsingskaders voor enerzijds de omgevingsvergunning ten behoeve van het bedrijf van [verzoekster] en anderzijds het bestreden bestemmingsplan. Ten aanzien van het bestreden bestemmingsplan is de raad van mening dat hij de mogelijke gezondheidsrisico’s voor de toekomstige bewoners voldoende in zijn belangenafweging heeft betrokken.

3.2.    Voor zover de raad stelt dat het relativiteitsvereiste aan een inhoudelijke beoordeling in de weg staat, omdat het belang van wonen in een omgeving zonder verhoogde gezondheidsrisico’s geen norm is die strekt tot bescherming van het belang van [verzoekster], volgt de voorzieningenrechter hem daarin niet.

Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsbeginsel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Met de norm van een goede ruimtelijke ordening, voor zover deze ziet op de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen en waarop [verzoekster] zich beroept, wordt beoogd zowel de belangen van de bewoners bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als de belangen van de agrarische bedrijven bij een ongehinderde bedrijfsuitoefening te waarborgen. Degene die een agrarisch bedrijf voert kan, omdat hij geconfronteerd kan worden met klachten van de bewoners van woningen over de gevolgen van zijn bedrijf, aanvoeren dat in het plangebied vanwege die gevolgen, waaronder de gevolgen van de gezondheid ter plaatse van de woningen, geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. De voorzieningenrechter gaat er voor de behandeling van het verzoek vanuit dat de relativiteit niet aan [verzoekster] kan worden tegengeworpen en gaat over tot een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgrond.

3.3.    Voor zover [verzoekster] een vergelijking maakt tussen de procedure voor de vergunningverlening voor de uitbreiding van de stal van haar geitenhouderij en de procedure voor het bestemmingsplan, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Op 7 juli 2017 hebben Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant een moratorium afgekondigd op basis waarvan geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden gevestigd en de gebouwen van bestaande geitenhouderijen in beginsel niet meer mogen worden uitgebreid. Dit moratorium betreft een rechtstreeks werkende regel in de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant (hierna: de Verordening). Artikel 37, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor geitenhouderijen door het oprichten van gebouwen of door het in gebruik nemen van gebouwen voor het houden van geiten niet is toegestaan. Artikel 37, derde lid, aanhef en onder b, van de Verordening bepaalt - samengevat weergegeven - dat het bevoegd gezag in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning overeenkomstig artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan verlenen indien de toename van de oppervlakte dierenverblijf voor de geitenhouderij is ingegeven vanuit een dierenwelzijnsconcept zonder toename van het aantal geiten. Deze omgevingsvergunning kan alleen worden verleend wanneer het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant een verklaring van geen bedenkingen heeft verleend. Ter zitting is door de raad te kennen gegeven dat deze verklaring van geen bedenkingen voor de uitbreiding van de stal van de geitenhouderij van [verzoekster] nog niet is verleend.

In de Verordening is daarentegen niet bepaald dat de bouw van nieuwe woningen binnen een bepaalde afstand tot een geitenhouderij is uitgesloten.

Het standpunt van de raad dat in zoverre geen sprake is van gelijke situaties, acht de voorzieningenrechter, gelet op het voorgaande, naar voorlopig oordeel niet onjuist.

3.4.    Voor zover [verzoekster] aanvoert dat de raad bij de vaststelling van dit plan een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 10 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3335, zijn aspecten van volksgezondheid, zoals de mogelijke besmetting van dierziekten vanwege nabijgelegen agrarische bedrijven, een bij de vaststelling van een bestemmingsplan mee te wegen belang. De bestrijding van besmettelijke dierenziekten vindt zijn regeling primair in andere regelgeving. Voorts kunnen aan te verlenen omgevingsvergunningen voorschriften worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken. Hieruit volgt dat de mogelijke besmetting van dierziekten een ruimtelijk relevant belang is. Voorts volgt uit het voorgaande dat de Wro in dit kader een aanvullend karakter heeft.

De raad dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te onderzoeken of een plan niet zodanige risico’s voor de volksgezondheid meebrengt dat, gelet daarop, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat onvoldoende is gewaarborgd. De raad heeft de mogelijke gezondheidsrisico’s voor de nieuwe bewoners vanwege de geitenhouderij van [verzoekster] in zijn belangenafweging betrokken. Hierbij heeft hij betrokken dat nog steeds geen causaal verband is gevonden tussen longontsteking en geitenhouderijen in de omgeving. De raad ziet in de door [verzoekster] aangehaalde studies onvoldoende aanleiding om de bouw van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km rondom de geitenhouderij volledig uit te sluiten. Voorts heeft de raad in zijn belangenafweging betrokken dat tussen de woningen waarin het plan voorziet en het bedrijf van [verzoekster] andere burgerwoningen liggen die vanuit milieuhygiënisch oogpunt bepalend zijn voor de uitbreidingsmogelijkheden van [verzoekster] In de belangafweging heeft de raad verder betrokken dat de uitbreiding met de nieuwe woonwijk een zwaarwegend maatschappelijk belang dient, aangezien deze woonwijk noodzakelijk is om te kunnen voorzien in de bestaande en urgente woonbehoefte. Indien binnen een straal van 2 km tot de geitenhouderij geen nieuwe woning meer zouden mogen worden gebouwd, heeft dat volgens de raad tot gevolg dat geen enkele uitbreiding van de kern Vorstenbosch meer mogelijk is, terwijl uitbreiding van het aantal woningen noodzakelijk is met het oog op de leefbaarheid in Vorstenbosch. Andere locaties zijn niet geschikt omdat hiermee niet kan worden voorzien in de gehele woonbehoefte.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat de raad, afwegende de betrokken belangen, in het kader van een goede ruimtelijke ordening een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt bij de vaststelling van dit plan.

4.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, griffier.

w.g. Hagen    w.g. Matulewicz

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 september 2019

45-878.