Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3148

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-09-2019
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
201902625/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902625/1/V1.

Datum uitspraak: 16 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 maart 2019 in zaak nr. 18/6221 in het geding tussen:

[de vreemdelingen] en [referent]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 2 augustus 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen en referent gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 maart 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen en referent ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen en referent, vertegenwoordigd door mr. C.C. Westermann-Smit, advocaat te Haarlem, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft partijen in de gelegenheid gesteld om nader schriftelijk te reageren op het arrest van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) van 13 maart 2019, C-635/17, E. t. Nederland, ECLI:EU:C:2019:192 (hierna: het arrest).

Hierop hebben de vreemdelingen en referent wederom een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2.    De vreemdelingen hebben gesteld dat zij minderjarig zijn en de Eritrese nationaliteit hebben. Zij beogen in het kader van nareis verblijf bij referent, hun gestelde oudere zus en pleegmoeder, aan wie de staatssecretaris krachtens artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verleend. Ter onderbouwing van de aanvraag hebben zij de volgende documenten overgelegd: een schoolpas, doopaktes en een foto (hierna gezamenlijk: de overgelegde documenten). De staatssecretaris heeft omtrent de identiteit van de vreemdelingen bewijsnood aangenomen. Hij heeft de aanvraag afgewezen, omdat zij en referent de gestelde pleegrelatie en verbreking van de gezinsband tussen de vreemdelingen en hun biologische ouders niet aannemelijk hebben gemaakt.

2.1.    In de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2019:3147, heeft de Afdeling overwogen dat de nieuwe vaste gedragslijn, zoals weergegeven in de uitspraken van de Afdeling van 16 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1508 en ECLI:NL:RVS:2018:1639, die de staatssecretaris hanteert in nareiszaken (hierna: de gedragslijn) in algemene zin in overeenstemming is met de overwegingen van het Hof in het arrest over de eisen die artikel 5, tweede en vijfde lid, artikel 11, tweede lid, en artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn (PB 2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71) stellen aan de beoordeling van een nareisaanvraag van gestelde pleegkinderen.

3.    De Afdeling heeft de in de grieven opgeworpen rechtsvragen over het algemene beoordelingskader in Eritrese nareiszaken beantwoord in de onder 2.1 vermelde uitspraak van vandaag. Omdat uit deze uitspraak volgt dat de grieven in zoverre slagen, zal de Afdeling volstaan met de bespreking van de grieven die nog beantwoording behoeven.

4.    De staatssecretaris klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de vreemdelingen een gehoor en eventueel een DNA-onderzoek had moeten aanbieden. De rechtbank heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de staatssecretaris de vreemdelingen enkele tegenstrijdigheden ten onrechte heeft tegengeworpen, dat hij referent en haar echtgenoot wel heeft gehoord en dat aan de overgelegde documenten enige bewijswaarde toekomt.

4.1.    Niet in geschil is dat de vreemdelingen en referent als bewijs voor de gestelde pleegrelatie geen officiële documenten hebben overgelegd. Daargelaten of de rechtbank terecht heeft overwogen dat aan de wel overgelegde documenten enige bewijswaarde toekomt, zien deze documenten alleen op de identiteit van de vreemdelingen en niet op de gestelde pleegrelatie met referent.

4.2.    De staatssecretaris voert terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdelingen de pleegrelatie niet aannemelijk hebben gemaakt. De tegenstrijdige verklaringen die referent en haar echtgenoot hebben afgelegd en die hij volgens de rechtbank wel terecht heeft tegengeworpen, betreffen immers essentiële onderwerpen, namelijk de financiële zorg voor en het verblijf en de omgang met de vreemdelingen. Daarnaast wijst de staatssecretaris er terecht op dat hij niet ten onrechte heeft afgezien van het horen van de vreemdelingen omdat dit in dit geval geen toegevoegde waarde heeft. Daargelaten of hij hiertoe gehouden was, heeft hij referent en haar echtgenoot namelijk wel aanvullend onderzoek geboden en wijst hij er terecht op dat aan hun verklaringen over de financiën van het gezin meer gewicht toekomt dan aan wat de vreemdelingen hierover zouden kunnen verklaren. Ten slotte wijst de staatssecretaris er terecht op dat een DNA-onderzoek de pleegrelatie niet aannemelijk kan maken.

4.3.    Omdat de vreemdelingen en referent de gestelde pleegrelatie niet aannemelijk hebben gemaakt, is in deze zaak niet de situatie aan de orde waarin de staatssecretaris een ruimere onderzoeksplicht aanvaardt (zie de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2019:3147, onder 7.1). Dat doet hij namelijk alleen als hij de identiteit van een meereizende of achterblijvende ouder van een minderjarige vreemdeling niet kan vaststellen en aannemelijk is dat die vreemdeling als gevolg van een afwijzing van zijn aanvraag om die reden, in schrijnende omstandigheden alleen achterblijft in het land van herkomst of een derde land. Zij hebben hierover ook niets aangevoerd en uit het dossier blijkt bovendien dat de vreemdelingen duurzaam in Eritrea worden opgevangen door een vriendin van referent.

De grieven slagen.

5.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 maart 2019 in zaak nr. 18/6221;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.

w.g. Verheij    w.g. De Keizer

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2019

716-886.

 

BIJLAGE - Wettelijk kader

 

Recht van de Europese Unie

Gezinsherenigingsrichtlijn

Artikel 5

[…]

2. Het verzoek gaat vergezeld van documenten waaruit de gezinsband blijkt en documenten waaruit blijk dat voldaan is aan de voorwaarden bepaald in artikelen 4 en 6 en, indien van toepassing, de artikelen 7 en 8, alsook de gewaarmerkte afschriften van de reisdocumenten van de gezinsleden.

Teneinde bewijs voor het bestaan van een gezinsband te verkrijgen, kunnen de lidstaten desgewenst gesprekken houden met de gezinshereniger en diens gezinsleden en ander onderzoek verrichten dat nodig wordt geacht.

Bij de behandeling van een verzoek betreffende de partner met wie de gezinshereniger niet is gehuwd, houden de lidstaten, als bewijs van de gezinsband, rekening met factoren als een gezamenlijk kind, samenwoning in het verleden, registratie van het partnerschap of andere betrouwbare bewijsmiddelen.

[…]

5. Bij de behandeling van het verzoek zorgen de lidstaten ervoor dat terdege rekening wordt gehouden met de belangen van de minderjarige kinderen.

Artikel 11

[…]

2. Wanneer een vluchteling geen officiële bewijsstukken kan overleggen waaruit de gezinsband blijkt, nemen de lidstaten ook andere bewijsmiddelen inzake het bestaan van een dergelijke gezinsband in aanmerking, die overeenkomstig het nationale recht worden beoordeeld. Een beslissing tot afwijzing van het verzoek mag niet louter gebaseerd zijn op het ontbreken van bewijsstukken.

Artikel 17

In geval van afwijzing van een verzoek, intrekking of niet-verlenging van een verblijfstitel, alsmede in geval van een verwijderingsmaatregel tegen de gezinshereniger of leden van diens gezin houden de lidstaten terdege rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokken persoon en met de duur van zijn verblijf in de lidstaat, alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.

Nationale regelgeving

Vw 2000

Artikel 29

1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:

[…]

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan:

1°. doodstraf of executie;

2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

2. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan voorts worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend:

a. de echtgenoot of het minderjarige kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling;

b. de vreemdeling die als partner of meerderjarig kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling zodanig afhankelijk is van die vreemdeling, dat hij om die reden behoort tot diens gezin;

[…]