Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3147

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-09-2019
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
201902483/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:1728, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 juli 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover nu van belang, een aanvraag om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/476
JV 2020/5 met annotatie van Ullersma, C.J.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902483/1/V1.

Datum uitspraak: 16 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[vreemdeling 1], [vreemdeling 2] en [vreemdeling 3] (hierna gezamenlijk: de vreemdelingen) en [referent],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 1 maart 2019 in zaak nr. 18/6081 in het geding tussen, voor zover nu van belang:

de vreemdelingen

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover nu van belang, een aanvraag om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 18 juli 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen en referent gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 maart 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond en het door referent ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen en referent, vertegenwoordigd door mr. M.E. Muller, advocaat te Gouda, hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft partijen in de gelegenheid gesteld om nader schriftelijk te reageren op het arrest van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) van 13 maart 2019, C-635/17, E. t. Nederland, ECLI:EU:C:2019:192 (hierna: het arrest).

Hierop hebben zowel de vreemdelingen en referent als de staatssecretaris een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader en de relevante overwegingen van het arrest van het Hof zijn opgenomen in de bijlagen, die deel uitmaken van deze uitspraak.

Ontvankelijkheid hoger beroep referent

2.    Het hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank voor zover zij daarin het beroep van referent niet-ontvankelijk heeft verklaard. De vreemdelingen en referent leggen namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank op dit punt volgens hen niet juist is. Daarom kan de Afdeling, voor zover het referent betreft, geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van de Vreemdelingenwet 2000; hierna: de Vw 2000).

Inleiding

3.    De vreemdelingen stellen dat zij minderjarig zijn en de Eritrese nationaliteit hebben. Zij beogen in het kader van nareis verblijf bij referent, hun gestelde tante en pleegmoeder, aan wie de staatssecretaris krachtens artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verleend. Ter onderbouwing van de aanvraag hebben zij de volgende documenten overgelegd: een ongedateerde 'affidavit of guardianship', een voogdijverklaring van 20 juni 2017, geboorteakten van en toestemmingsverklaringen voor hen alle drie, een ziekenhuisrapport en een verklaring van een gemeente van 14 mei 2010 (hierna gezamenlijk: de overgelegde documenten).

    De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen, omdat de vreemdelingen het gestelde pleegouderschap van referent en de gestelde verbreking van de gezinsband tussen de vreemdelingen en hun biologische ouders niet aannemelijk hebben gemaakt. Met de gestelde medische klachten van hun biologische moeder, de zus van referent, en de stelling dat hun biologische vader in het Eritrese leger zit, hebben zij immers niet aannemelijk gemaakt dat hun ouders niet in staat zijn voor hen te zorgen, aldus de staatssecretaris. De staatssecretaris heeft geen aanvullend onderzoek aangeboden. De identiteit van de vreemdelingen is niet in geschil.

3.1.    In hoger beroep ligt de vraag voor of de nieuwe vaste gedragslijn die de staatssecretaris hanteert in nareiszaken, zoals weergegeven in de uitspraken van de Afdeling van 16 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1508 en ECLI:NL:RVS:2018:1639, (hierna: de gedragslijn) in overeenstemming is met de overwegingen van het Hof in het arrest, over de eisen die de artikelen 5, tweede en vijfde lid, 11, tweede lid, en 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn (PB 2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71, hierna: de richtlijn) stellen aan de wijze waarop de staatssecretaris een aanvraag in het kader van nareis moet beoordelen. Het Hof heeft de gedragslijn niet kunnen betrekken bij de beantwoording van de prejudiciële vraag over artikel 11, tweede lid, van de richtlijn, doordat de verwijzingsuitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 14 november 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:13124, dateert van vóór de gedragslijn.

3.2.    Gelet op het zaaksoverstijgende karakter en de actualiteitswaarde van deze uitspraak, betrekt de Afdeling bij haar beoordeling ook wat de staatssecretaris over de gedragslijn vanaf 1 januari 2019 heeft neergelegd in paragraaf C1/4.4.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) omdat hij hierin enkele aspecten van de gedragslijn nader heeft toegelicht. De Afdeling begrijpt de algemene overwegingen van het Hof bovendien zo dat zij niet slechts zien op omstandigheden als die in de verwijzingsuitspraak, maar op nareiszaken in het algemeen. Waar de Afdeling in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2019:3146, ingaat op de betekenis van het arrest voor de beoordeling van een mvv-aanvraag voor een gestelde huwelijkspartner, staat in deze uitspraak de beoordeling van een mvv-aanvraag ten behoeve van gestelde pleegkinderen centraal.

Volgorde van behandeling

4.    De Afdeling zal hierna eerst de kern van de gedragslijn weergeven, waarna zij de verschillende aspecten van de gedragslijn zal vergelijken met de relevante overwegingen van het Hof. Aan de hand hiervan zal de Afdeling de vraag beantwoorden of de gedragslijn op zichzelf in overeenstemming is met wat het Hof in het arrest heeft overwogen. Vervolgens zal de Afdeling op basis hiervan de grieven bespreken.

De gedragslijn

5.    Blijkens de gedragslijn betrekt de staatssecretaris, als een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen officiële documenten over de gestelde familierelatie kan overleggen, maar wel één of meer onofficiële documenten over de gestelde familierelatie heeft overgelegd, deze onofficiële documenten bij zijn beoordeling. Deze documenten kunnen de staatssecretaris aanleiding geven om de desbetreffende vreemdeling aanvullend onderzoek aan te bieden. Hiervoor is in de eerste plaats vereist dat de onofficiële documenten die die vreemdeling over de gestelde familierelatie heeft overgelegd, substantieel bewijs zijn. In de tweede plaats is vereist dat die vreemdeling, als hij geen officiële documenten heeft overgelegd om zijn identiteit aan te tonen en stelt dat hij geen officiële identiteitsdocumenten kan overleggen, dit met een op de persoon toegespitste verklaring aannemelijk maakt óf substantieel bewijs van zijn identiteit in de vorm van één of meer onofficiële identiteitsdocumenten overlegt. Het overleggen van één onofficieel document is volgens de staatssecretaris in de regel onvoldoende voor het aannemelijk maken van de identiteit of de gestelde familierelatie. De staatssecretaris beoordeelt het geheel aan overgelegde documenten en afgelegde verklaringen en kent aan documenten die zijn opgesteld op basis van eigen verklaringen minder betekenis toe dan aan documenten die zijn gebaseerd op andere documenten of verklaringen. De staatssecretaris biedt echter geen aanvullend onderzoek aan als een contra-indicatie van toepassing is. De staatssecretaris verlangt niet dat een Eritrese vreemdeling zich alsnog tot de Eritrese autoriteiten wendt om, bijvoorbeeld, alsnog officiële documenten te verkrijgen (zie de uitspraken van de Afdeling van 16 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1508 en 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:576 en ECLI:NL:RVS:2019:649).

    Als een referent een nareisaanvraag indient voor een minderjarige vreemdeling van wie minimaal één biologische ouder achterblijft, eist de staatssecretaris volgens paragraaf C2/4.1 van de Vc 2000 dat die referent een toestemmingsverklaring overlegt van die ouder(s) of aannemelijk maakt waarom hij geen toestemmingsverklaring kan overleggen.

Vergelijking tussen de gedragslijn en de overwegingen van het Hof

De samenwerkingsplicht

6.    Uit het arrest volgt dat de betrokkenen verplicht zijn om met de staatssecretaris samen te werken zodat hij hun identiteit, hun gezinsband en hun redenen voor hun aanvraag kan vaststellen. Zij moeten alle relevante bewijsmiddelen verstrekken, antwoord geven op vragen en verzoeken hierover, zich ter beschikking houden voor gesprekken of andere onderzoeken en, als zij geen officiële bewijsstukken kunnen overleggen, uitleggen waarom zij dat niet kunnen. Relevante bewijsmiddelen zijn officiële bewijsstukken en - als deze ontbreken - andere bewijsmiddelen voor het bestaan van een gezinsband. De staatssecretaris kan desgewenst gesprekken houden met de betrokkenen en ander onderzoek verrichten dat hij nodig acht (punten 60 tot en met 62).

    Het arrest betreft de situatie dat een overlijdensakte van een biologische ouder van een gesteld pleegkind ontbreekt. Het ontbreken van een overlijdensakte en van een plausibele uitleg hiervoor is volgens het Hof onvoldoende om aan te nemen dat een aanvraag is gedaan in de context van kinderontvoering of mensenhandel. Omdat de staatssecretaris een aanvraag niet mag afwijzen omdat officiële bewijsstukken ontbreken en hij andere bewijsmiddelen in aanmerking moet nemen, kan hij, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, gehouden zijn om aanvullend onderzoek te doen om kinderontvoering of mensenhandel uit te sluiten (punten 78 en 79).

6.1.    De staatssecretaris biedt de betrokkenen blijkens de gedragslijn de mogelijkheid om onofficiële documenten over te leggen of met een op de persoon toegespitste verklaring bewijsnood aannemelijk te maken. Aangezien hij verder niet van hen verlangt dat zij zich alsnog tot de Eritrese autoriteiten wenden om officiële documenten te bemachtigen, stelt hij hen in zijn algemeenheid voldoende in de gelegenheid om aan hun samenwerkingsplicht te voldoen. In zoverre voldoet de gedragslijn aan het door het Hof uiteengezette algemene beoordelingskader in nareiszaken. De vraag of de staatssecretaris in een individuele zaak voldoende rekening heeft gehouden met de overgelegde documenten en afgelegde verklaringen en welke betekenis hij hieraan moet toekennen, zal echter per geval moeten worden beantwoord.

6.2.    Als een referent een aanvraag voor een minderjarige vreemdeling heeft ingediend zonder een toestemmingsverklaring of overlijdensakte van een achterblijvende ouder over te leggen, betrekt de staatssecretaris volgens de gedragslijn de overgelegde onofficiële documenten bij zijn beoordeling. Hij doet dit ongeacht of die referent bewijsnood aannemelijk heeft gemaakt. In zoverre voldoet de gedragslijn aan het door het Hof uiteengezette algemene beoordelingskader in nareiszaken. De staatssecretaris wijst een aanvraag immers niet alleen af omdat een officieel document ontbreekt en hiervoor geen aannemelijke verklaring is gegeven. Hij betrekt onofficiële documenten bij zijn beoordeling en deze kunnen hem aanleiding geven om over te gaan tot aanvullend onderzoek.

De beoordeling door de staatssecretaris

7.    Daarnaast volgt uit het arrest dat de staatssecretaris een beoordelingsmarge heeft en bewijsmiddelen beoordeelt overeenkomstig het nationale recht. Hij mag zijn beoordelingsmarge echter niet zo gebruiken dat hij afbreuk doet aan het doel en het nuttig effect van de richtlijn. Verder moet de staatssecretaris een individuele beoordeling maken en rekening houden met alle relevante elementen van het geval. Daarbij dient hij in het bijzonder rekening te houden met de belangen van de betrokken kinderen en het streven om het gezinsleven te bevorderen (punten 52 tot en met 59).

    De staatssecretaris moet de overgelegde bewijsmiddelen, afgelegde verklaringen en gegeven uitleg objectief beoordelen aan de hand van zowel algemene als specifieke relevante, objectieve, betrouwbare, precieze en geactualiseerde landeninformatie. Hij moet bij die beoordeling rekening houden met de leeftijd, het geslacht, de opleiding, de herkomst en de sociale positie van de betrokkenen en eventuele specifieke culturele aspecten. Dit geldt ook voor de concrete situatie waarin zij zich bevinden en de bijzondere problemen waarmee zij worden geconfronteerd. De eisen die de staatssecretaris stelt aan de bewijskracht van bewijsmiddelen en aan de plausibiliteit van verklaringen en uitleg, met name over de reden waarom het niet mogelijk is om officiële documenten over te leggen, moeten evenredig zijn aan en afhangen van de aard en het niveau van de problemen waarmee de betrokkenen worden geconfronteerd (punten 63 tot en met 66). Hoewel de staatssecretaris de overgelegde bewijsmiddelen en afgelegde verklaringen dus bij zijn beoordeling moet betrekken, overweegt het Hof verder, zoals onder 5 weergegeven, dat hij desgewenst gesprekken kan houden en ander onderzoek kan doen dat hij nodig acht. Hieruit leidt de Afdeling af dat hij niet verplicht is om in alle gevallen aanvullend onderzoek aan te bieden.

7.1.    Blijkens de gedragslijn betrekt de staatssecretaris alle verklaringen en bewijselementen, officieel of onofficieel, in onderlinge samenhang bij zijn beoordeling en houdt hij rekening met de persoon van de betrokkenen door hen in de gelegenheid te stellen een op de persoon toegespitste verklaring te geven voor het ontbreken van officiële documenten. Ook verlangt de staatssecretaris in beginsel niet van minderjarige Eritreeërs dat zij officiële identiteitsdocumenten overleggen (zie de uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1639, onder 6.5).

     De staatssecretaris beoordeelt de overgelegde bewijsmiddelen, afgelegde verklaringen en gegeven uitleg in het licht van de beschikbare landeninformatie, in de regel het toepasselijke ambtsbericht. Zo'n ambtsbericht is een deskundigenadvies, gebaseerd op eigen onderzoek ter plaatse en informatie van VN-organisaties, ngo's, de Eritrese overheid, vakliteratuur en mediaberichten. De staatssecretaris mag in beginsel van de juistheid van de hierin opgenomen informatie uitgaan, tenzij een vreemdeling concrete aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 oktober 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD5964).

    Om aan een afweging van de belangen van de betrokken minderjarigen toe te kunnen komen, moet er in elk geval voldoende duidelijkheid bestaan over de identiteit van het desbetreffende kind en de gestelde (pleeg)ouders, en hun onderlinge familierelatie. Anders is immers niet vast te stellen wat de belangen van het desbetreffende kind zijn (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 4 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:25, onder 7).

    Volgens de schriftelijke uiteenzetting van de staatssecretaris heeft hij de gedragslijn naar aanleiding van het arrest als volgt gewijzigd. Anders dan voorheen, zal hij aanvullend onderzoek aanbieden als hij de identiteit van een meereizende of achterblijvende ouder van een minderjarige vreemdeling niet kan vaststellen en aannemelijk is dat die vreemdeling als gevolg van een afwijzing van zijn aanvraag om die reden, in schrijnende omstandigheden alleen achterblijft in het land van herkomst of een derde land. Van schrijnende omstandigheden is volgens de staatssecretaris geen sprake als die vreemdeling duurzaam wordt opgevangen in een ander gezin of bij familie. Hiermee biedt de gedragslijn voldoende ruimte om rekening te houden met de individuele omstandigheden en belangen van de desbetreffende minderjarige.

    De vraag of de staatssecretaris in een individuele zaak voldoende rekening heeft gehouden met deze omstandigheden, zal per geval moeten worden beantwoord. Hetzelfde geldt voor de vereiste evenredigheid tussen deze omstandigheden en de bewijskracht en plausibiliteit van de verstrekte elementen. In zijn algemeenheid voldoet de gedragslijn echter, gelet op het voorgaande, ook op dit punt aan de eisen die het Hof hieraan stelt.

Niet nakomen samenwerkingsplicht en contra-indicaties

8.    Verder volgt uit het arrest dat de staatssecretaris een aanvraag mag afwijzen als de samenwerkingsplicht overduidelijk niet is nagekomen of objectief duidelijk is dat een aanvraag frauduleus is. In andere gevallen moet hij het ontbreken van officiële documenten en het ontbreken van plausibele uitleg daarover betrekken bij de individuele beoordeling van alle relevante elementen van het geval. Hij is dan niet vrijgesteld van zijn verplichting om andere bewijsmiddelen in aanmerking te nemen. Het ontbreken van officiële documenten mag niet de enige reden zijn voor de afwijzing van een aanvraag (punten 67 tot en met 69).

8.1.    Volgens paragraaf C1/4.4.6 van de Vc 2000 neemt de staatssecretaris een contra-indicatie aan als de betrokkenen tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over documenten of het ontbreken van documenten, valse of vervalste documenten hebben overgelegd of anderszins onjuiste of misleidende informatie hebben verstrekt. Hij biedt dan geen aanvullend onderzoek aan. Er bestaan op dit uitgangspunt volgens de schriftelijke uiteenzetting van de staatssecretaris wel enkele nuanceringen. Tegenstrijdige verklaringen over het al dan niet kunnen overleggen van onofficiële documenten leveren op zichzelf namelijk geen contra-indicatie op. Ook staat het overleggen van valse of vervalste documenten niet in de weg aan het aanbieden van DNA-onderzoek aan minderjarige kinderen en hun biologische ouders, hoewel dit formeel wel een contra-indicatie oplevert. Aan de belangen van achtergebleven minderjarige kinderen wordt in die gevallen meer gewicht toegekend dan aan de samenwerkingsplicht en de bewijslast van betrokkenen.

    De staatssecretaris licht in zijn schriftelijke uiteenzetting toe dat hij, als zich een contra-indicatie voordoet, andere verklaringen of bewijsmiddelen nog steeds bij zijn beoordeling betrekt. Voor zover een contra-indicatie voor de staatssecretaris aanleiding is om geen aanvullend onderzoek aan te bieden, staat dit dus niet in de weg aan de beoordeling van andere overgelegde bewijsmiddelen of afgelegde verklaringen en aan een eventuele inwilliging van een aanvraag.

8.2.    Een contra-indicatie duidt erop dat een betrokkene in bepaalde mate de samenwerkingsplicht niet is nagekomen. Alleen als er dusdanig zwaarwegende en ernstige contra-indicaties zijn die maken dat hij de samenwerkingsplicht overduidelijk niet is nagekomen of dat objectief duidelijk is dat een aanvraag frauduleus is, mag de staatssecretaris een aanvraag alleen al daarom mag afwijzen. In de overige gevallen moet de staatssecretaris het niet overleggen van officiële documenten en het ontbreken van een aannemelijke verklaring hiervoor, volgens het Hof, als relevant element bij zijn beoordeling betrekken. Dit geldt dus ook voor een contra-indicatie die op zichzelf niet tot afwijzing van een aanvraag leidt of mag leiden.     

    Zoals overwogen onder 7 en 7.1, moet de staatssecretaris de overgelegde bewijsmiddelen, afgelegde verklaringen en gegeven uitleg beoordelen en is hij niet verplicht om in alle gevallen aanvullend onderzoek te verrichten. Voor zover louter een contra-indicatie aanleiding is voor de staatssecretaris om geen aanvullend onderzoek aan te bieden, moet hij dit per geval echter wel deugdelijk motiveren.

    Dit in aanmerking nemend, is de gedragslijn ook op dit punt in algemene zin in overeenstemming met de overwegingen van het Hof.

Grieven 1 en 2 (de gedragslijn en de overwegingen van het Hof)

9.    Aangezien de Afdeling onder 6 tot en met 8.2 al is ingegaan op het betoog van de vreemdelingen dat de gedragslijn niet in overeenstemming is met de overwegingen van het Hof en de grieven in zoverre falen, zal zij hier volstaan met de bespreking van de betogen die nog beantwoording behoeven.

10.    De vreemdelingen klagen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij met de onder 3 vermelde documenten niet aannemelijk hebben gemaakt dat referent het ouderlijk gezag over hen uitoefent en dat hun biologische ouders niet meer voor hen kunnen zorgen.

    De vreemdelingen voeren aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris bij de beoordeling van een gestelde pleegsituatie niet alleen het juridische aspect moet beoordelen, maar hierbij ook de feitelijke situatie moet betrekken. Zij wijzen erop dat hun vader de ongedateerde ‘affidavit of guardianship’ en de voogdijverklaring van 20 juni 2017 op basis van de reeds bij de Eritrese autoriteiten bekende pleegsituatie heeft opgevraagd. Volgens hen blijkt uit deze documenten dat referent de voogdij over hen heeft en dat hun biologische ouders niet in staat zijn voor hen te zorgen. Ook volgt uit paragraaf 3.1.7 van het algemeen ambtsbericht Eritrea van juni 2018 (hierna: het ambtsbericht 2018) volgens hen dat in Eritrea de voogdij wordt overgenomen door naaste familieleden als de biologische ouders niet in staat zijn voor hun kinderen te zorgen. Ten slotte wijzen zij erop dat in deze situatie volgens het ambtsbericht 2018 zelden of nooit een officiële voogdijverklaring wordt opgemaakt. De staatssecretaris heeft daarom ten onrechte geen aanvullend onderzoek aangeboden, aldus de vreemdelingen.

Beoordeling grieven 1 en 2

10.1.    Niet in geschil is dat Bureau Documenten de door de vreemdelingen overgelegde voogdijverklaring van 20 juni 2017 en 'affidavit of guardianship' niet op authenticiteit heeft kunnen onderzoeken, omdat er onvoldoende betrouwbaar vergelijkingsmateriaal beschikbaar is. De rechtbank heeft terecht bij haar beoordeling betrokken dat uit deze documenten niet blijkt dat zij van de Eritrese autoriteiten afkomstig zijn. Daarnaast heeft zij terecht bij haar beoordeling betrokken dat de voogdijverklaring dateert van na het vertrek van referent uit Eritrea op 6 juni 2015 en dat de 'affidavit of guardianship' ongedateerd is. Ook heeft zij terecht overwogen dat de vreemdelingen hun stelling dat de pleegsituatie al bekend was bij de Eritrese autoriteiten met de verklaring van een gemeente van 14 mei 2010 niet aannemelijk hebben gemaakt, alleen al omdat hieruit niet blijkt dat referent met het ouderlijk gezag is belast. De vreemdelingen hebben bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij, bijvoorbeeld door hun minderjarigheid, bijzondere problemen ervaren, of anderszins in omstandigheden verkeren die maken dat de eisen die zijn gesteld aan en de uitkomst van de beoordeling van de overgelegde documenten niet evenredig zijn.

10.2.    De klacht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat bij de beoordeling meer omstandigheden dan alleen de juridische aspecten een rol kunnen spelen, is terecht voorgedragen. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, omdat dit de vreemdelingen materieel niet baat. Zij hebben met het overgelegde ziekenhuisrapport namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hun biologische moeder niet in staat is voor hen te zorgen. Ook bieden de in dit rapport vermelde klachten, externe aambeien en lage rugklachten, onvoldoende reden om aan te nemen dat er een situatie bestaat waarin de voogdij volgens het Eritrese Burgerlijk Wetboek van rechtswege overgaat op een ander familielid.

10.3.    De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de vreemdelingen de gestelde gezinsband met referent niet aannemelijk hebben gemaakt. Gelet op het voorgaande, heeft de staatssecretaris bovendien niet ten onrechte geen aanvullend onderzoek aangeboden.

    De grieven falen.

Grief 3 (horen in bezwaar)

11.    De staatssecretaris mag krachtens artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb slechts van het horen in bezwaar afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend standpunt. Gelet op de motivering van het besluit van 31 juli 2017, waarin de staatssecretaris zich in lijn met de gedragslijn en, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het arrest niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdelingen de gestelde gezinsband met referent niet aannemelijk hebben gemaakt, en hetgeen zij daartegen in bezwaar hebben aangevoerd, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris niet ten onrechte van het horen in bezwaar heeft afgezien.

    De grief faalt.

Conclusie

12.    Het hoger beroep van referent is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep van de vreemdelingen is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

13.    Uit wat hiervoor onder 6 tot en met 8.2 is overwogen volgt dat de gedragslijn in algemene zin in overeenstemming is met het algemene beoordelingskader in Eritrese nareiszaken dat het Hof in het arrest heeft uiteengezet. De Afdeling zal in het vervolg andere zaken waarin het gaat over gestelde pleegkinderen, voor zover daarin dezelfde rechtsvraag voorligt, onder verwijzing naar deze uitspraak met toepassing van artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000 zonder nadere motivering afdoen. Ter voorlichting benadrukt de Afdeling echter dat de vraag of de staatssecretaris de gedragslijn ook op de juiste wijze heeft toegepast per geval, en eerst en vooral door de rechtbank, moet worden beoordeeld. Hierbij is met name van belang of de staatssecretaris alle relevante elementen, in lijn met het algemene beoordelingskader, bij zijn beoordeling heeft betrokken en integraal heeft afgewogen.

14.    De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door referent, niet-ontvankelijk;

II.    bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.

w.g. Verheij    w.g. De Keizer

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2019

716-886.

 

BIJLAGE 1 - Wettelijk kader

 

Recht van de Europese Unie

Gezinsherenigingsrichtlijn

Artikel 5

[…]

2. Het verzoek gaat vergezeld van documenten waaruit de gezinsband blijkt en documenten waaruit blijk dat voldaan is aan de voorwaarden bepaald in artikelen 4 en 6 en, indien van toepassing, de artikelen 7 en 8, alsook de gewaarmerkte afschriften van de reisdocumenten van de gezinsleden.

Teneinde bewijs voor het bestaan van een gezinsband te verkrijgen, kunnen de lidstaten desgewenst gesprekken houden met de gezinshereniger en diens gezinsleden en ander onderzoek verrichten dat nodig wordt geacht.

Bij de behandeling van een verzoek betreffende de partner met wie de gezinshereniger niet is gehuwd, houden de lidstaten, als bewijs van de gezinsband, rekening met factoren als een gezamenlijk kind, samenwoning in het verleden, registratie van het partnerschap of andere betrouwbare bewijsmiddelen.

[…]

5. Bij de behandeling van het verzoek zorgen de lidstaten ervoor dat terdege rekening wordt gehouden met de belangen van de minderjarige kinderen.

Artikel 11

[…]

2. Wanneer een vluchteling geen officiële bewijsstukken kan overleggen waaruit de gezinsband blijkt, nemen de lidstaten ook andere bewijsmiddelen inzake het bestaan van een dergelijke gezinsband in aanmerking, die overeenkomstig het nationale recht worden beoordeeld. Een beslissing tot afwijzing van het verzoek mag niet louter gebaseerd zijn op het ontbreken van bewijsstukken.

Artikel 17

In geval van afwijzing van een verzoek, intrekking of niet-verlenging van een verblijfstitel, alsmede in geval van een verwijderingsmaatregel tegen de gezinshereniger of leden van diens gezin houden de lidstaten terdege rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokken persoon en met de duur van zijn verblijf in de lidstaat, alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.

Nationale regelgeving

Vw 2000

Artikel 29

1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:

[…]

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan:

1°. doodstraf of executie;

2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

2. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan voorts worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend:

a. de echtgenoot of het minderjarige kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling;

b. de vreemdeling die als partner of meerderjarig kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling zodanig afhankelijk is van die vreemdeling, dat hij om die reden behoort tot diens gezin;

[…]

Vc 2000

Paragraaf C2/4.1

[…]

Toestemmingsverklaring

De IND verleent geen mvv voor gezinshereniging in het kader van nareis, als degene die in het land van herkomst belast is met het gezag over de kinderen, geen toestemmingsverklaring heeft afgegeven met het oog op het vertrek van de kinderen naar Nederland. De IND gaat er vanuit dat het gezag over de kinderen bij beide biologische ouder(s) ligt, tenzij is aangetoond dat dit niet het geval is. Ook als volgens de islamitische rechtstraditie de vader na ontbinding van het huwelijk het gezag houdt over zijn kinderen en de moeder het zorgrecht ('hadânah') krijgt, neemt de IND aan dat het gezag bij beide ouders ligt.

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, tweede lid, Vw uitsluitend als:

•    De achterblijvende biologische ouder toestemming geeft voor het vertrek van de kinderen naar Nederland; of

•    de referent recente officiële documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat referent als enige belast is met het gezag over de kinderen; of

•    de referent recente officiële documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat het gezag over de kinderen is belegd bij een andere volwassene dan de achterblijvende biologische ouder én de gezaghebbende volwassene toestemming geeft voor het vertrek van de kinderen naar Nederland; of

•    de referent recente documenten heeft overgelegd, waaruit blijkt dat de achterblijvende biologische ouder, dan wel de gezaghebbende volwassene, geen toestemmingsverklaring kan overleggen; of

•    de referent aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen heeft verstrekt over de reden waarom de toestemmingsverklaring niet kan worden overgelegd, indien de referent het ontbreken van een toestemmingsverklaring niet met documenten kan onderbouwen.

Daarnaast dienen de kinderen te voldoen aan de overige voorwaarden uit deze paragraaf (C2/4.1 Vc).

[…]

Paragraaf C1/4.4.6

De vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw, moet zijn identiteit en familierechtelijke relatie in beginsel aantonen door het overleggen van de volgende officiële documenten:

- een geldig document voor grensoverschrijding, of een ander officieel en door de autoriteiten afgegeven document dat de identiteit van de vreemdeling aantoont;

- indien van toepassing, een document dat het bestaan van een geldig huwelijk aantoont;

- indien van toepassing, een document dat zowel het partnerschap als het eventuele samenwonen in het land van herkomst aantoont; en

- indien van toepassing, een document dat de familierechtelijke relatie tussen het kind en de ouders aantoont.

Als de vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw een of meerdere van de hierboven genoemde officiële documenten niet kan overleggen, moet hij of de referent de reden(en) hiervan kenbaar maken. Paragraaf C1/4.3 Vc is van toepassing.

Tevens stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid om zoveel mogelijk andere bewijsmiddelen ten aanzien van zijn identiteit en/of familierechtelijke relatie te overleggen. Dit kunnen andere, niet- officiële, indicatieve bewijsmiddelen zijn.

Indien de vreemdeling afdoende verklaart waarom het ontbreken van officiële documenten hem niet toe te rekenen is, of substantiële indicatieve documenten overlegt, biedt de IND in beginsel nader onderzoek aan. De IND stelt de vreemdeling daarmee alsnog in de gelegenheid zijn identiteit en/of familierechtelijke relatie aannemelijk te maken. Dit onderzoek kan bestaan uit een gehoor en/of DNA onderzoek.

Indien het ontbreken van officiële documenten niet aan de vreemdeling toe te rekenen is en de vreemdeling substantiële indicatieve documenten overlegt die voor de IND dusdanig overtuigend zijn dat de identiteit en/of familierechtelijke relatie op basis hiervan alsnog aangenomen kan worden, zal nader onderzoek in beginsel niet nodig zijn.

De IND biedt geen nader onderzoek aan als er sprake is van een contra-indicatie. Van een contra-indicatie kan onder meer sprake zijn als:

• de verklaringen van de vreemdeling en/of referent over (het ontbreken van) documenten tegenstrijdig zijn;

• valse of vervalste documenten zijn overgelegd;

• anderszins onjuiste of misleidende informatie is verstrekt.

De IND vraagt geen eigen bijdrage van de vreemdeling voor het DNA-onderzoek als de vreemdeling een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw.

In alle gevallen geldt dat zolang de identiteit niet vast staat of niet aannemelijk is gemaakt, niet wordt toegekomen aan de vraag naar de familierechtelijke relatie of de feitelijke gezinsband met referent.

 

BIJLAGE 2 - Overwegingen van het Hof in het arrest, voor zover nu van belang:

 

"Onderzoek door de bevoegde nationale autoriteiten van een verzoek om gezinshereniging

52.    Wat het onderzoek betreft dat de nationale autoriteiten moeten verrichten, volgt uit zowel artikel 5, lid 2, als artikel 11, lid 2, van richtlijn 2003/86 dat die autoriteiten over een beoordelingsmarge beschikken, met name bij het onderzoek van de kwestie of er al dan niet sprake is van gezinsbanden, en dat die beoordeling moet plaatsvinden overeenkomstig het nationale recht (zie in die zin arresten van 27 juni 2006, Parlement/Raad, C-540/03, EU:C:2006:429, punt 59, en 6 december 2012, O e.a., C-356/11 en C-357/11, EU:C:2012:776, punt 74).

53.    De lidstaten mogen de aan hen toegekende beoordelingsmarge echter niet zodanig gebruiken dat afbreuk wordt gedaan aan het doel en aan het nuttig effect van richtlijn 2003/86. Bovendien volgt uit overweging 2 van die richtlijn dat deze de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: "Handvest") neergelegde grondrechten en beginselen erkent (zie in die zin arrest van 6 december 2012, O e.a., C-356/11 en C-357/11, EU:C:2012:776, punten 74 en 75).

54.    Derhalve moeten de lidstaten niet alleen hun nationale recht conform het Unierecht uitleggen, maar er ook op toezien dat zij zich niet baseren op een uitlegging van een tekst van afgeleid recht die in conflict zou komen met de door de rechtsorde van de Unie beschermde grondrechten (zie in die zin arresten van 27 juni 2006, Parlement/Raad, C-540/03, EU:C:2006:429, punt 105; 23 december 2009, Detiček, C-403/09 PPU, EU:C:2009:810, punt 34, en 6 december 2012, O e.a., C-356/11 en C-357/11, EU:C:2012:776, punt 78).

55.    Artikel 7 van het Handvest, dat het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- of gezinsleven erkent, moet echter worden gelezen in samenhang met de verplichting van artikel 24, lid 2, van het Handvest om rekening te houden met de belangen van het kind, en met inachtneming van de in artikel 24, lid 3, van het Handvest tot uitdrukking gebrachte noodzaak dat een kind regelmatig persoonlijke betrekkingen met zijn beide ouders onderhoudt (arrest van 27 juni 2006, Parlement/Raad, C-540/03, EU:C:2006:429, punt 58).

56.    Hieruit volgt dat de bepalingen van richtlijn 2003/86 tegen de achtergrond van artikel 7 en artikel 24, leden 2 en 3, van het Handvest moeten worden uitgelegd en toegepast zoals overigens blijkt uit de bewoordingen van overweging 2 en van artikel 5, lid 5, van deze richtlijn, op grond waarvan de lidstaten de betrokken verzoeken om gezinshereniging moeten onderzoeken in het belang van de betrokken kinderen en teneinde het gezinsleven te begunstigen (arrest van 6 december 2012, O e.a., C-356/11 en C-357/11, EU:C:2012:776, punt 80).

57.    De bevoegde nationale autoriteiten dienen in dit verband een evenwichtige en redelijke beoordeling van alle in het geding zijnde belangen te maken en daarbij in het bijzonder rekening te houden met de belangen van de betrokken kinderen (arrest van 6 december 2012, O e.a., C-356/11 en C-357/11, EU:C:2012:776, punt 81).

58.    Voorts moet rekening worden gehouden met artikel 17 van     richtlijn 2003/86, volgens hetwelk verzoeken om gezinshereniging     individueel moeten worden behandeld (arresten van 9 juli 2015, K en A, C-153/14, EU:C:2015:453, punt 60, en 21 april 2016, Khachab, C-558/14, EU:C:2016:285, punt 43), waarbij eveneens rekening moet worden gehouden met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokken persoon en met de duur van zijn verblijf in de lidstaat, alsmede met het bestaan van familiebanden en culturele of sociale banden met zijn land van herkomst (arrest van 27 juni 2006, Parlement/Raad, C-540/03, EU:C:2006:429, punt 64).

59.    Mitsdien dienen de bevoegde nationale autoriteiten bij de uitvoering van richtlijn 2003/86 en de behandeling van verzoeken om gezinshereniging met name een individuele beoordeling te verrichten, waarbij rekening wordt gehouden met alle relevante elementen van het geval en waarbij, indien nodig, bijzondere aandacht wordt besteed aan de belangen van de betrokken kinderen en aan het streven om het gezinsleven te bevorderen. Omstandigheden als de leeftijd van de betrokken kinderen, hun situatie in het land van herkomst en de mate waarin zij van verwanten afhankelijk zijn, kunnen in het bijzonder van invloed zijn op de omvang en de intensiteit van het vereiste onderzoek (zie in die zin arrest van 27 juni 2006, Parlement/Raad, C-540/03, EU:C:2006:429, punt 56). In elk geval en zoals gepreciseerd in punt 6.1 van de richtsnoeren mag een factor afzonderlijk niet automatisch tot een beslissing leiden.

Verplichtingen van de gezinshereniger en van zijn bij het verzoek om gezinshereniging betrokken gezinslid

60.    Wat de verplichtingen van de gezinshereniger en van zijn bij het verzoek om gezinshereniging betrokken gezinslid betreft, zij eraan herinnerd dat een dergelijk verzoek volgens artikel 5, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2003/86 met name vergezeld moet gaan van „documenten waaruit de gezinsband blijkt". Artikel 11, lid 2, van deze richtlijn preciseert dat het om „officiële bewijsstukken" moet gaan en dat bij gebreke daarvan de lidstaat „andere bewijsmiddelen inzake het bestaan van een dergelijke gezinsband in aanmerking neemt". Artikel 5, lid 2, tweede alinea, van de richtlijn preciseert dat „teneinde bewijs voor het bestaan van een gezinsband te verkrijgen, de lidstaten desgewenst gesprekken [kunnen] houden met de gezinshereniger en diens gezinsleden en ander onderzoek verrichten dat nodig wordt geacht".

61.    Zoals de advocaat-generaal in de punten 57 en 71 van zijn conclusie heeft opgemerkt, volgt uit deze bepalingen dat de gezinshereniger en zijn bij het verzoek om gezinshereniging betrokken gezinslid de verplichting hebben om met de bevoegde nationale autoriteiten samen te werken, met name om hun identiteit en gezinsband vast te stellen alsmede de redenen die hun verzoek rechtvaardigen, hetgeen inhoudt dat zij, voor zover mogelijk, de gevraagde bewijzen verstrekken en, in voorkomend geval, de gevraagde toelichtingen en inlichtingen verschaffen (zie naar analogie arrest van 14 september 2017, K., C-18/16, EU:C:2017:680, punt 38).

62.    Deze samenwerkingsplicht impliceert derhalve dat de gezinshereniger of zijn bij het verzoek om gezinshereniging betrokken gezinslid alle relevante bewijselementen verstrekt om te beoordelen of de door hen aangevoerde gezinsband daadwerkelijk bestaat, maar ook dat zij antwoord geven op vragen en verzoeken daarover van de bevoegde nationale autoriteiten, dat zij zich ter beschikking van die autoriteiten houden voor gesprekken of andere onderzoeken en dat zij, wanneer zij geen officiële bewijsstukken kunnen overleggen waaruit de gezinsband blijkt, uitleggen waarom zij dat niet kunnen doen.

Onderzoek van de verstrekte bewijselementen en van de afgelegde verklaringen

63.    Wat het onderzoek betreft dat de bevoegde nationale autoriteiten instellen naar de bewijskracht of de plausibiliteit van de bewijselementen en de verklaringen of uitleg die de gezinshereniger of het bij het verzoek om gezinshereniging betrokken gezinslid heeft verstrekt, verlangt de vereiste individuele beoordeling dat die autoriteiten rekening houden met alle relevante elementen, daaronder begrepen de leeftijd, het geslacht, de opleiding, de herkomst en de sociale positie van de gezinshereniger of van het betrokken gezinslid alsmede met de specifieke culturele aspecten, zoals eveneens gepreciseerd in punt 6.1.2. van de richtsnoeren.

64.    Zoals de advocaat-generaal in de punten 65, 66, 77, 79 en 81 van zijn conclusie heeft opgemerkt, volgt hieruit dat deze elementen, verklaringen en uitleg ten eerste objectief moeten worden beoordeeld aan de hand van zowel algemene als specifieke relevante, objectieve, betrouwbare, precieze en bijgewerkte informatie over de situatie in het land van herkomst, daaronder begrepen met name de wettelijke bepalingen en de wijze waarop deze worden toegepast, het functioneren van de administratieve diensten en eventueel het bestaan van tekortkomingen in bepaalde plaatsen of voor bepaalde groepen personen.

65.    Ten tweede moeten de nationale autoriteiten ook rekening houden met de persoon van de gezinshereniger of van zijn bij het verzoek om     gezinshereniging betrokken gezinslid, met de concrete situatie waarin zij zich bevinden en de bijzondere problemen waarmee zij worden     geconfronteerd, zodat de eisen die kunnen worden gesteld aan de     bewijskracht of de plausibiliteit van de elementen die de gezinshereniger of het gezinslid verstrekt, met name om aan te tonen dat het niet mogelijk is om officiële bewijsstukken van de gezinsband over te leggen, evenredig moeten zijn en moeten afhangen van de aard en het niveau van de problemen waaraan zij blootstaan.

66.    Volgens overweging 8 van richtlijn 2003/86 vraagt de situatie van     vluchtelingen en personen die een subsidiaire bescherming genieten,     immers bijzondere aandacht wegens de redenen die hen ertoe hebben     gedwongen hun land te ontvluchten en die hun beletten aldaar een     normaal gezinsleven te leiden. Zo wordt in punt 6.1.2 van de richtsnoeren eveneens gepreciseerd dat de bijzondere situatie van vluchtelingen betekent dat het voor hen vaak onmogelijk of gevaarlijk is om officiële documenten in te dienen of contact op te nemen met de diplomatieke of consulaire instanties van hun land van herkomst.

67.    Bovendien volgt uit de voorgaande overwegingen dat die nationale autoriteiten, indien de gezinshereniger de op hem rustende     samenwerkingsplicht overduidelijk niet nakomt of indien op basis van     objectieve elementen waarover de bevoegde nationale autoriteiten     beschikken, duidelijk blijkt dat het om een frauduleus verzoek om     gezinshereniging gaat, zijn verzoek mogen afwijzen.

68.    Is echter geen sprake van dergelijke omstandigheden, dan moet het     ontbreken van officiële bewijsstukken waaruit de gezinsband blijkt en het eventuele gebrek aan plausibiliteit van de daarover gegeven uitleg, eenvoudigweg worden aangemerkt als elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij de individuele beoordeling van alle relevante elementen van het geval en zijn de bevoegde nationale autoriteiten niet vrijgesteld van de in artikel 11, lid 2, van richtlijn 2003/86 opgenomen verplichting om rekening te houden met andere bewijzen.

69.    Zoals eveneens in herinnering gebracht in punt 6.1.2 van de richtsnoeren, bepaalt artikel 11, lid 2, van die richtlijn immers expliciet, zonder dat daarbij sprake is van een beoordelingsmarge, dat het ontbreken van bewijsstukken niet de enige reden mag zijn voor de afwijzing van een verzoek en dat de lidstaten in dergelijke gevallen verplicht zijn om rekening te houden met andere bewijzen van het bestaan van een gezinsband.

Conformiteit met de eisen van richtlijn 2003/86 van het onderzoek, door de Staatssecretaris, van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verzoek

[…]

78.    Het staat de bevoegde nationale autoriteiten weliswaar vrij om stappen te ondernemen teneinde frauduleuze verzoeken om gezinshereniging, die worden gedaan in een context van kinderontvoering of zelfs mensenhandel, aan het licht te brengen, zoals de Nederlandse regering terecht betoogt, doch dit ontslaat die autoriteiten niet van de verplichting om rekening te houden met het hogere belang van een kind dat zich mogelijk in de door A. omschreven omstandigheden bevindt.

79.    Bovendien kunnen het ontbreken van de overlijdensakten van de biologische ouders en het feit dat de daarvoor gegeven uitleg niet voldoende plausibel is, op zich niet de conclusie rechtvaardigen dat een verzoek om gezinshereniging noodzakelijkerwijs wordt gedaan in een context van kinderontvoering of mensenhandel. Dienaangaande volgt uit artikel 11, lid 2, van richtlijn 2003/86, volgens hetwelk de betrokken lidstaat rekening houdt met andere bewijzen voor het bestaan van een gezinsband en zich niet uitsluitend kan baseren op het ontbreken van bewijsstukken, gelezen in het licht van artikel 7 en van artikel 24, leden 2 en 3, van het Handvest, dat de nationale autoriteiten, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, gehouden kunnen zijn om de nodige aanvullende verificaties te verrichten, zoals het organiseren van een onderhoud met de gezinshereniger, teneinde het bestaan van dergelijke fenomenen uit te sluiten.

80.    Het staat aan de verwijzende rechter, die als enige rechtstreekse kennis heeft van het bij hem aanhangige geding, om, rekening houdend met de in de voorgaande punten uiteengezette elementen, na te gaan of het onderzoek door de Staatssecretaris van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verzoek voldoet aan de vereisten van richtlijn 2003/86.

81.    Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 11, lid 2, van richtlijn 2003/86 aldus moet worden uitgelegd dat het in omstandigheden als die van het hoofdgeding, waarin een gezinshereniger die subsidiaire bescherming geniet een verzoek om gezinshereniging heeft ingediend ten behoeve van een minderjarige van wie zij de tante is en de voogd zou zijn, en die als vluchteling en zonder familieband in een derde land woont, zich verzet tegen de afwijzing van dat verzoek alleen op grond dat de gezinshereniger geen officiële bewijsstukken van het overlijden van de biologische ouders van de minderjarige en dus van de feitelijke gezinsband met hem heeft overgelegd, en de uitleg die de gezinshereniger heeft verstrekt voor haar onvermogen om dergelijke stukken over te leggen door de bevoegde autoriteiten niet plausibel is geacht, alleen op grond van algemene informatie die over de situatie in het land van herkomst beschikbaar is, zonder rekening te houden met de concrete situatie van de gezinshereniger en de minderjarige alsmede met de bijzondere problemen waarmee zij vóór en na hun vlucht uit het land van herkomst volgens hun zeggen zijn geconfronteerd."