Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3084

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
201904209/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 10 april 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201904209/1/V3.

Datum uitspraak: 10 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdelingen] mede voor hun minderjarige kinderen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 mei 2019 in zaken nrs. NL19.8527 en NL19.8514 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluiten van 10 april 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 21 mei 2019 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. M.E. Muller, advocaat te Gouda, hoger beroep ingesteld.

Op verzoek van de Afdeling heeft de rechtbank schriftelijke inlichtingen gegeven. De vreemdelingen hebben daarop gereageerd.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De uitspraak van de rechtbank vermeldt dat de uitspraak bekend is gemaakt op 21 mei 2019. De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt een week (artikel 69, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000) en eindigde op 28 mei 2019. Het hogerberoepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. Daarin betoogt de gemachtigde van de vreemdelingen dat het hoger beroep ontvankelijk is, omdat zij geen (notificatie)bericht van de plaatsing van de uitspraak in het digitaal systeem voor gegevensverwerking van de rechtspraak als bedoeld in artikel 8:36c van de Awb (hierna: Mijn Rechtspraak) heeft ontvangen. Direct nadat zij kennis heeft kunnen nemen van de uitspraak is volgens de gemachtigde hoger beroep ingesteld.

2.    Op verzoek van de Afdeling heeft de rechtbank onderzocht op welke datum de uitspraak in Mijn Rechtspraak is geplaatst en op welke datum daarvan een notificatie is verzonden. Uit het door de rechtbank toegezonden rapport van technisch onderzoek van 19 juli 2019 blijkt dat de uitspraak op 21 mei 2019 in Mijn Rechtspraak is geplaatst en dat op dezelfde dag een notificatie van de plaatsing van de uitspraak is verzonden naar de gemachtigde. De bijlage bij het rapport vermeldt ook dat op 21 mei 2019 voor deze werking geen relevante storingen zijn geregistreerd.

2.1.    In haar reactie op het onderzoek van de rechtbank heeft de gemachtigde een schermafdruk van emailberichten en een overzicht van berichten in Mijn Rechtspraak overgelegd waaruit volgens haar blijkt dat op 21 mei 2019 geen (notificatie)bericht is ontvangen over plaatsing in Mijn Rechtspraak van de uitspraak.

2.2.    De schermafdruk toont een pagina met emailberichten na een zoekopdracht op 'Rechtspraak' in de mailbox waarnaar het notificatiebericht moest worden verzonden. Het overzicht, gedateerd op 30 juli 2019, toont vijf pagina's in Mijn Rechtspraak met berichten in verschillende zaken van 8 april 2019 tot en met 29 juli 2019. In de schermafdruk en het overzicht stukken is weliswaar geen (notificatie)bericht over plaatsing van de uitspraak terug te vinden, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat - anders dan uit het onderzoek van de rechtbank blijkt - de uitspraak niet op 21 mei 2019 in Mijn Rechtspraak is geplaatst en dat op dezelfde dag niet succesvol een notificatie van deze plaatsing is verzonden. Op basis van de overgelegde schermafdruk met emailberichten kan niet worden geconcludeerd dat geen notificatiebericht is ontvangen, omdat een emailbericht na ontvangst kan worden verwijderd. Verder betreft het overgelegde overzicht van Mijn Rechtspraak geen overzicht van berichten in de desbetreffende zaken, zodat ook hieraan geen betekenis kan toekomen.

2.3.    Nu de overgelegde stukken onvoldoende zijn om niet van de juistheid van het onderzoek van de rechtbank uit te gaan, heeft de gemachtigde niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen (notificatie)bericht over de plaatsing van de uitspraak in Mijn Rechtspraak heeft ontvangen. Uit het onderzoek van de rechtbank blijkt dat deze daarin op 21 mei 2019 is geplaatst. Dat betekent dat de termijn voor het instellen van hoger beroep is geëindigd op 28 mei 2019. Het hoger beroep is daarom te laat ingesteld. De termijnoverschrijding is niet verschoonbaar.

3.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. 

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van Leeuwen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2019

373.