Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3065

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
201902081/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 januari 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902081/1/V2.

Datum uitspraak: 10 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 7 maart 2019 in zaak nr. NL19.1417 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.

Bij uitspraak van 7 maart 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.J. Eizenga, advocaat te Amerongen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De staatssecretaris heeft de asielaanvraag buiten behandeling gesteld, omdat de vreemdeling onvoldoende op de in het model M35-O en de in het voornemen gestelde vragen heeft gereageerd.

2.    De vreemdeling heeft in de schriftelijke uiteenzetting gesteld dat hij zich op 14 maart 2019 met diverse documenten bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft gemeld en vervolgens in een asielzoekerscentrum is geplaatst. Anders dan de vreemdeling betoogt, is er geen aanleiding het hoger beroep van de staatssecretaris wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk te verklaren. Het eventueel alsnog in behandeling nemen van een aanvraag is geen reden om te oordelen dat er geen belang is bij een antwoord op de vraag of in de huidige procedure de staatssecretaris de aanvraag buiten behandeling kon stellen.

3.    In de eerste grief klaagt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in dit geval de aanvraag van de vreemdeling niet buiten behandeling kon stellen omdat hij onvoldoende heeft gemotiveerd welke informatie van de vreemdeling werd verwacht. Uit de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:574, volgt dat de staatssecretaris tot buitenbehandelingstelling kan overgaan als de informatie die een vreemdeling heeft verstrekt bij het kennisgevingsformulier, model M35-O, onvoldoende is om de asielaanvraag inhoudelijk te behandelen en een vreemdeling ook naar aanleiding van een later verzoek om informatie, bijvoorbeeld in het voornemen, in gebreke blijft. De staatssecretaris heeft zowel in het kennisgevingsformulier, model M35-O, als in het voornemen duidelijk aangegeven welke informatie hij nodig heeft om de verschillende door de vreemdeling aangedragen redenen voor de nieuwe asielaanvraag te kunnen beoordelen. De vreemdeling heeft nagelaten die informatie tijdig te verstrekken. De vreemdeling heeft weliswaar in de zienswijze als redenen voor het opnieuw indienen van een asielaanvraag vermeld dat de veiligheidsdiensten in Iran bij zijn broer en zus naar hem hebben geïnformeerd en dat zich een geloofsintensivering heeft voorgedaan, maar zonder nadere toelichting en onderbouwing maakt dit op zichzelf nog niet dat de staatssecretaris voldoende informatie heeft om die aanvraag inhoudelijk te behandelen. Wat betreft de geloofsintensivering is daarbij nog van belang dat de vreemdeling dit motief ook aan zijn vorige asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd.

3.1.    De eerste grief slaagt.

4.    In de tweede grief klaagt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het beroep van de vreemdeling op het gelijkheidsbeginsel slaagt, omdat hij op meerdere zaken heeft gewezen waarin de enkele stelling van een vreemdeling dat zich een geloofsintensivering heeft voorgedaan wel tot een inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag heeft geleid. Niet in geschil is dat de zaken die de vreemdeling bedoelt, dateren van vóór de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2157. Uit die uitspraak volgt dat met het indienen van een ingevuld en ondertekend kennisgevingsformulier, model M35-O, een asielaanvraag wordt ingediend. De staatssecretaris heeft ter zitting bij de rechtbank overtuigend gemotiveerd dat en waarom hij sinds die uitspraak vaker gebruik maakt van zijn bevoegdheid om aanvragen buiten behandeling te stellen. Het aantal opvolgende aanvragen is sindsdien namelijk sterk toegenomen, waarbij de indruk bestond dat een deel van die aanvragen alleen werd ingediend om aanspraak te kunnen maken op opvang. Overigens heeft de staatssecretaris de aanpassing van zijn werkwijze bij wijzigingen van 1 april 2019 en 1 juli 2019 vastgelegd in paragraaf C1/2.9 van de Vreemdelingencirculaire 2000.

4.1.    De tweede grief slaagt.

5.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 21 januari 2019 alsnog ongegrond verklaren. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 7 maart 2019 in zaak nr. NL19.1417;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Prins

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2019

363-897.