Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3051

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
04-09-2019
Zaaknummer
201709787/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:5651, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 november 2016 heeft het college aan Barenbrug Holland B.V. (hierna: Barenbrug) een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een verrijdbare kas op het perceel Duitsekampweg 60 te Wolfheze (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/916
JGROND 2019/234 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201709787/1/A1.

Datum uitspraak: 4 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Renkum,

2.    Barenbrug Holland B.V., gevestigd te Wolfheze, gemeente Renkum,

3.    [appellant sub 3], wonend te Wolfheze, gemeente Renkum,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 november 2017 in zaak nr. 17/2748 in het geding tussen:

[appellant sub 3]

en

het college van burgemeester en wethouders van Renkum.

Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2016 heeft het college aan Barenbrug Holland B.V. (hierna: Barenbrug) een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een verrijdbare kas op het perceel Duitsekampweg 60 te Wolfheze (hierna: het perceel).

Bij besluit van 21 april 2017 heeft het college het door [appellant sub 3] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 november 2017 heeft de rechtbank het door [appellant sub 3] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 april 2017 vernietigd en het besluit van 29 november 2016 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college en Barenbrug hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 10 januari 2018 heeft het college opnieuw op de aanvraag om omgevingsvergunning van Barenbrug besloten en deze opnieuw verleend.

[appellant sub 3] heeft daarop een schriftelijke reactie gegeven en tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Barenbrug, het college en [appellant sub 3] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 3] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2019, waar Barenbrug, vertegenwoordigd door mr. A.P. Loo, advocaat te Nijmegen, [gemachtigde A] en [gemachtigde B], het college, vertegenwoordigd door ing. A. Ruiter, en [appellant sub 3], bijgestaan door [gemachtigde C], zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het bouwplan bestaat uit twee verrijdbare kasonderdelen van 40 m lang en 10 m breed en 5,2 m hoog. De kassen hebben elk een oppervlakte van 400 m². Het baanvak waarover de kas rijdt heeft een lengte van 160 m. Dit baanvak bestaat uit poeren waarop de tunnelkas kan worden geplaatst.

2.    Ingevolge het ten tijde van het besluit van 21 april 2017 geldende bestemmingsplan "Wolfheze 2007" rust op de gronden waarop de verrijdbare kas is voorzien de bestemming "Agrarisch". Op 25 oktober 2017 is het bestemmingsplan "Wolfheze 2017" vastgesteld, dat op 21 december 2017 in werking is getreden en onherroepelijk is geworden na de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3116 (hierna: het nieuwe bestemmingsplan).

Het bouwplan was in strijd met het bestemmingsplan "Wolfheze 2007" omdat de kas buiten het bouwblok wordt gebouwd en omdat de bestemming geen kassen toestond. Het college heeft de omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) verleend teneinde het bouwplan mogelijk te maken.

[appellant sub 3] vindt de gevolgen voor zijn woon- en leefklimaat van de verrijdbare kassen niet aanvaardbaar en vreest onder andere dat het perceel van Barenbrug intensiever gebruikt zal gaan worden gelet op de vergunde uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten.

3.    De rechtbank heeft samengevat geoordeeld dat het college niet bevoegd was de omgevingsvergunning met toepassing van artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Bor te verlenen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het perceel binnen de bebouwde kom van de gemeente ligt, zodat de in artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II genoemde maximale oppervlakte van 150 m² voor het bouwwerk niet van toepassing is.

Naar het oordeel van de rechtbank is het perceel buiten de bebouwde kom gelegen, geldt de maximale oppervlakte van 150 m2 wel en voldoet het bouwwerk daarom gelet op de oppervlakte van 800 m² ervan, niet aan de gestelde voorwaarden.

4.    In het besluit van 10 januari 2018 heeft het college het bouwplan getoetst aan het nieuwe bestemmingsplan en zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met dit bestemmingsplan. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

5.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Het beroep van [appellant sub 3] gericht tegen het besluit van 10 januari 2018

6.    Het college en Barenbrug betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning niet met toepassing van artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van Bijlage II van het Bor heeft kunnen verlenen. Daartoe voeren zij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de gronden waarop het project is voorzien, buiten de bebouwde kom liggen.

7.    Alvorens dit betoog te behandelen zal de Afdeling eerst beoordelen of het bouwplan past in het ten tijde van het besluit van 10 januari 2018 geldende nieuwe bestemmingsplan. Indien geen sprake is van strijd met dit bestemmingsplan is geen afwijkingsomgevingsvergunning nodig en bestaat geen belang bij een inhoudelijke bespreking van de betogen van het college en Barenbrug. In dat geval ziet de Afdeling ook geen grond voor het oordeel dat procesbelang bestaat bij een bespreking van het hoger beroep over de stelling van het college dat het besluit van 21 april 2017 juist was en dat het college duidelijkheid wenst over de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat het perceel van Barenbrug is gelegen buiten de bebouwde kom. Daarbij is van belang dat in een eventuele andere procedure waarbij de vraag speelt of een bouwwerk is gelegen in de bebouwde kom een nieuwe afweging kan worden gemaakt waarbij de op dat moment van belang zijnde feiten en omstandigheden kunnen worden betrokken.

8.    In het besluit van 10 januari 2018 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het door Barenbrug aangevraagde bouwplan in overeenstemming is met het nieuwe bestemmingsplan. Evenals in het vorige bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming "Agrarisch". Het project is volgens het college in het nieuwe speciaal voor dit project opgestelde bestemmingsplan binnen het - nu wel daarvoor aanwezige - bouwvlak geprojecteerd. Verder volgt uit het nieuwe bestemmingsplan dat het maximum aan te bebouwen oppervlakte 5.600 m² mag bedragen, waarvan maximaal 2.000 m² mag worden bebouwd met kassen. Na realisering van de kassen bedraagt de totale bebouwde oppervlakte 5.600 m². Met inbegrip van de te bouwen kassen bedraagt het kassenoppervlak circa 1.850 m². Ook wordt volgens het college voldaan aan de op de verbeelding aangegeven goot- en bouwhoogte van 5 m, respectievelijk 10 m.

9.    [appellant sub 3] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met het nieuwe bestemmingsplan. [appellant sub 3] voert hiertoe aan dat de verrijdbare kassen zich buiten het bouwvlak kunnen bevinden en dat daarmee niet wordt voldaan aan de volgens het nieuwe bestemmingsplan maximaal te bebouwen oppervlakte.

9.1.    De twee verrijdbare kassen zijn bouwwerken als bedoeld in artikel 1.40 van de planregels. De standplaats van de twee verrijdbare kassen is voorzien binnen het in het nieuwe bestemmingsplan opgenomen bouwvlak. In de aanvraag om omgevingsvergunning heeft Barenbrug het volgende vermeldt: "De rolkas is nodig voor het buitensluiten van regen om droogteproeven te kunnen uitvoeren. Wanneer het niet regent is de kas geparkeerd, wanneer het regent moet de rolkas over het proefveld. De rolkas staat het grootste gedeelte van de tijd op de parkeerplek naast de bestaande loods.". Ter zitting van de Afdeling heeft Barenbrug nogmaals te kennen gegeven dat de tunnelkassen voornamelijk op de standplaats zijn te vinden en slechts tijdelijk bij regen boven proefgronden waarbij droogte wordt gesimuleerd zullen worden geplaatst ter bescherming van de gewassen op het traject waar op dat moment proeven plaatsvinden. Deze droogteproeven duren volgens Barenbrug ongeveer drie weken, maar de tunnelkas staat gedurende die periode  uitsluitend bij regen boven de proefgrond waar op dat moment de droogte wordt gesimuleerd.

9.2.    De Afdeling is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet wordt gebouwd buiten het bouwvlak als de tunnelkas wordt verplaatst op de buiten het bouwvlak aanwezige palen. Daarbij is van belang dat de tunnelkas alleen tijdens de voormelde incidentele werkzaamheden wordt geplaatst op de palen en dat het college er ter zitting terecht op heeft gewezen dat in artikel 3.2.4, onder b, onder 2 van de planregels mede ten behoeve van dit bouwplan is geregeld dat overige bouwwerken, zijnde uitsluitend palen, buiten het bouwvlak zijn toegestaan met een bouwhoogte van 2 meter. Gelet op het voorgaande heeft het college zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de tunnelkassen niet worden gebouwd buiten het bouwvlak, maar in dit geval worden gebouwd op de standplaats.

9.3.    Anders dan [appellant sub 3] stelt behoeft het traject waarover de kassen kunnen worden uitgereden gelet op het voorgaande niet te worden meegeteld bij de beantwoording van de vraag of voldaan wordt aan het maximum aan te bebouwen oppervlakte als bedoeld in artikel 3.2.1 van de planregels. Het betoog dat na realisering van de tunnelkassen te veel vierkante meters bebouwing aanwezig is op het perceel kan reeds om die reden niet slagen.

Het betoog faalt.

10.    [appellant sub 3] betoogt dat het project niet in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand. Volgens [appellant sub 3] heeft het college het besluit van 10 januari 2018 gebaseerd op het stempeladvies van 7 november 2016 en voldoet dat stempeladvies niet, gelet op zijn betwisting daarvan.

10.1.    In het besluit van 10 januari 2018 wordt verwezen naar het advies van de Commissie ruimtelijke kwaliteit van 7 november 2016. Verder heeft deze welstandscommissie op 17 maart 2017 een gemotiveerd advies uitgebracht over het bouwplan. [appellant sub 3] heeft dat welstandsadvies in beroep bestreden, zonder een deskundig tegenadvies over te leggen.

Dat [appellant sub 3] een andere visie op het bouwplan heeft gegeven dan die van de welstandscommissie, brengt niet mee dat het bouwplan in strijd is met de geldende welstandscriteria en dat het college aan het advies van de welstandscommissie geen doorslaggevend gewicht heeft mogen toekennen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat gesteld noch gebleken is dat in de door het college gevolgde welstandsadviezen van een onjuiste feitelijke situatie wordt uitgegaan, niet in geschil is dat de welstandscommissie aan de juiste criteria heeft getoetst en die criteria naar hun aard niet in de weg staan aan uiteenlopende waarderingen van het bouwplan.

Het betoog faalt.

11.    Voor zover [appellant sub 3] betoogt dat artikel 3.2.1, onder b, onder 2, van de planregels, exceptief toetsend, buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met de provinciale Omgevingsverordening Gelderland van 5 januari 2018, faalt dit betoog. Daarbij is van belang, zoals ook ter zitting aan de orde is gesteld, dat de Afdeling al in haar uitspraak van 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3116, heeft overwogen dat het nieuwe bestemmingsplan op het perceel van Barenbrug, gelet op artikel 1, lid 1.12 en 1.13 en artikel 3, lid 3.2.1, onder b, van de planregels, geen glastuinbouwbedrijf als bedoeld in de Omgevingsverordening Gelderland toe staat. De gemeenteraad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan, voor zover het de bestemming "Agrarisch" op het perceel van Barenbrug betreft, niet in strijd komt met de provinciale regelgeving die geldt ten aanzien van glastuinbouwbedrijven. Gelet hierop is de planregel niet evident in strijd met hogere regelgeving die ten tijde van de totstandkoming van het nieuwe bestemmingsplan van toepassing was.

12.    Gelet op het voorgaande heeft het college zich in het besluit van 10 januari 2018 terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met het nieuwe bestemmingsplan en is een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo niet vereist.

Gelet op het vorenstaande en onder verwijzing naar wat onder 7 is besproken, ziet de Afdeling geen grond om de hoger beroepen van het college en Barenbrug inhoudelijk te bespreken vanwege het ontbreken van procesbelang.

Slot en conclusie

13.    De hoger beroepen van Barenbrug Holland B.V. en het college zijn niet-ontvankelijk. Nu de Afdeling heeft geoordeeld dat het door het college en Barenbrug ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk is, is de voorwaarde waaronder [appellant sub 3] incidenteel hoger beroep heeft ingesteld niet vervuld en is het incidenteel hoger beroep komen te vervallen. Het beroep van [appellant sub 3] gericht tegen het besluit van 10 januari 2018 is ongegrond.

14.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de hoger beroepen van Barenbrug Holland B.V. en het college van burgemeester en wethouders van Renkum niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van [appellant sub 3] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Renkum van 10 januari 2018 ongegrond;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Renkum tot vergoeding van bij [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV.    bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Renkum een griffierecht van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. R.W.L. Koopmans en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Vermeulen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2019

700.

 

BIJLAGE

 

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1, eerste lid:

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. (…),

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, (…).

Artikel 2.12, eerste lid:

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Besluit omgevingsrecht

Artikel 1, eerste lid, van Bijlage II:

In deze bijlage wordt verstaan onder bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

Artikel 4, aanhef en onderdeel 1:

Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,

b. de oppervlakte niet meer dan 150 m2.

Bestemmingsplan "Wolfheze 2017"

Artikel 1.40 van de planregels luidt:

"Bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden".

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. de uitoefening van agrarisch gebruik;

b. een agrarisch bedrijf, met uitzondering van een agrarisch bedrijf in het houden van dieren (zoals een koeienbedrijf (waaronder melkveehouderij), kippenbedrijf, eenden- of ganzenbedrijf en paardenfokkerij), binnen het bouwvlak;

c. het hobbymatig houden van dieren;

d. extensief recreatief medegebruik;

e. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is uitsluitend een bedrijfswoning met tuin toegestaan en met een maximum van één bedrijfswoning per aanduiding;

f. ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' zijn uitsluitend bijgebouwen toegestaan ten behoeve van de agrarische bedrijfswoning;

g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bijgebouwen agrarisch' zijn uitsluitend bijgebouwen toegestaan ten behoeve van een agrarisch bedrijf, zoals het opslaan van (bedrijfs)materiaal. Dus geen agrarische bedrijfsactiviteit;

h. ter plaatse van de aanduiding 'relatie' hebben de verschillende bouwvlakken met deze bestemming een onlosmakelijke samenhang/relatie met elkaar;

met daaraan ondergeschikt:

i. paden;

j. waterlopen, waterpartijen, infiltratievoorzieningen, waterberging en waterhuishoudkundige werken, zoals duikers;

met de daarbij behorende:

k. gebouwen;

l. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

m. andere werken.

3.2 Bouwregels

3.2.1 Gebouwen, niet zijnde bedrijfswoningen

Voor het bouwen van gebouwen niet zijnde bedrijfswoningen, gelden de volgende bepalingen:

a.  een gebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat buiten het bouwvlak maximaal één gebouw ten behoeve van schuilgelegenheid van dieren en opslag van materialen met een maximale oppervlakte van 20 m² en met maximale bouwhoogte  van 2,5 meter is toegestaan;

b.  een bouwvlak mag voor 100% worden bebouwd, met uitzondering van: 1.  gronden ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' waar het aangegeven bebouwingspercentage als maximum geldt;

2.  gronden ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte' waar het aangegeven oppervlakte geldt. Hierbij geldt dat daarvan iets minder dan de helft van deze maximaal te bebouwen oppervlakte, te weten maximaal 2.000 m², bebouwd mag worden met (tunnel)kassen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering (niet zijnde een glastuinbouwbedrijf);

c.  de goothoogte van een gebouw bedraagt maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte' aangegeven goothoogte;

d.  de bouwhoogte van een gebouw bedraagt maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' aangegeven bouwhoogte.

Artikel 3.2.4 bouwwerken, geen gebouwen zijnde

"Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

a. […];

b. buiten het bouwvlak zijn:

1. Uitsluitend niet gesloten (d.w.z. open / doorzichtige) erf- en terreinafscheidingen, te weten afrasteringen, toegestaan ((tuin)muren en keermuren zijn niet toegestaan), waarbij de bouwhoogte maximaal 1 meter mag bedragen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ erf- en terreinafscheidingen zijn toegestaan met een maximale bouwhoogte van 2 meter;

2. Overige bouwwerken, zijnde uitsluitend palen, toegestaan met een maximale bouwhoogte van 2 meter, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ overige bouwwerken (zonder de beperking van palen) zijn toegestaan met een maximale bouwhoogte van 2 meter."