Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3048

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
04-09-2019
Zaaknummer
201801826/4/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2017:10285, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 februari 2018 heeft het college het besluit van 27 januari 2017 tot verlening van een omgevingsvergunning voor het kappen van 43 bomen aan het Bervoetsbos te Hoofddorp herroepen voor zover dat besluit ziet op de twaalf bomen langs de hoofdstraat van het Bervoetsbos, tussen de huisnummers 135 en 153 (hierna: de twaalf bomen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801826/4/A1.

Datum uitspraak: 4 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellant sub 1],

2.    [appellant sub 2] en anderen,

allen wonend te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,

tegen de tussenuitspraak van 11 december 2017 en de einduitspraak van 18 januari 2018 van de rechtbank Noord-Holland in zaak nr. 17/2913 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:606, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen twaalf weken na de verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen, het gebrek in het besluit van 5 februari 2018 te herstellen en daarbij dat besluit zonodig te wijzigen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 22 mei 2019 heeft het college een nieuw besluit van diezelfde datum ingezonden.

Daartoe door de Afdeling in de gelegenheid gesteld, hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hun zienswijze over de wijze waarop het college gevolg heeft gegeven aan de tussenuitspraak naar voren gebracht.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij besluit van 5 februari 2018 heeft het college het besluit van 27 januari 2017 tot verlening van een omgevingsvergunning voor het kappen van 43 bomen aan het Bervoetsbos te Hoofddorp herroepen voor zover dat besluit ziet op de twaalf bomen langs de hoofdstraat van het Bervoetsbos, tussen de huisnummers 135 en 153 (hierna: de twaalf bomen).

In de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat het besluit van 5 februari 2018 niet deugdelijk is gemotiveerd. De Afdeling heeft het college opgedragen alsnog per boom toereikend te motiveren waarom de omgevingsvergunning, voor zover die ziet op het kappen van de twaalf bomen, is herroepen, dan wel ter zake een gewijzigd besluit te nemen.

2.    Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het college de "Rapportage 12 stuks bomen Bervoetsbos 133-159" van 10 april 2019 door Ingenieursbureau Haarlemmermeer (hierna: de rapportage) laten opstellen. Daarin is uiteengezet in hoeverre er schade aan wegverhardingen is ontstaan door wortelopdruk en wat de afstand van de betreffende bomen tot de erfgrens van de nabijgelegen erven is. Mede aan de hand van deze rapportage heeft het college zich in het besluit van 22 mei 2019 op het standpunt gesteld dat de twaalf bomen overlast opleveren en voor verwijdering in aanmerking komen.

Vervolgens heeft het college beoordeeld of er zich gronden voordoen die aanleiding geven om de gevraagde omgevingsvergunning, ondanks de overlast, te weigeren. Het college heeft daarbij getoetst aan de weigeringsgronden in de inmiddels in werking getreden Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2019 (lees: 2018, hierna: de Verordening). Volgens het college doen zich geen weigeringsgronden voor. Het college heeft in het besluit van 22 mei 2019 toegelicht dat het ter zitting van de Afdeling van 5 december 2018 de rol van de Kadernota vervanging en herplantbeleid van 8 januari 2015 (hierna: de Kadernota) en de verhouding van deze nota tot de Verordening niet goed voor ogen heeft gehad en zich op het standpunt gesteld dat de Kadernota niet relevant is voor de vraag of een omgevingsvergunning kan worden verleend voor de kap van de bomen, omdat de Kadernota geen concrete beleidsmatige invulling geeft aan de in de Verordening opgenomen weigeringsgronden. De Kadernota stelt alleen de kaders voor het vervangen van bomen en het beleid op het gebied van herplant, aldus het college.

Het college heeft daarom bij het besluit van 22 mei 2019 het besluit van 5 februari 2018 gewijzigd in die zin dat alsnog een omgevingsvergunning wordt verleend voor het kappen van de twaalf bomen. Tevens is besloten dat één boom wordt herplant op dezelfde locatie van een van de te verwijderen bomen, dat zeven bomen worden herplant in de onmiddellijke nabijheid van zeven van de te verwijderen bomen en dat de kap van drie bomen wordt gecompenseerd door elders drie bomen te herplanten.

3.    [appellant sub 2] en anderen hebben in hun zienswijze te kennen gegeven dat zij zich met het besluit van 22 mei 2019 kunnen verenigen. Dat betekent dat van hen geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, is ontstaan waarop nog dient te worden beslist.

[appellant sub 1] kan zich niet verenigen met het besluit van 22 mei 2019. Gelet hierop is wel een beroep van rechtswege van [appellant sub 1] tegen dit besluit ontstaan.

Het hoger beroep van rechtswege van [appellant sub 1]

4.    [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met de overweging in de tussenuitspraak dat zijn beroep zich beperkt tot de kap van de twaalf bomen. Volgens [appellant sub 1] zien zijn beroep en hoger beroep tevens op de kap van drie bomen in de zijstraat van het Bervoetsbos, tussen huisnummers 141 en 143, zodat zowel de rechtbank als de Afdeling ook daarover een oordeel had moeten geven.

4.1.    Voor zover [appellant sub 1] zich hiermee keert tegen overwegingen van de tussenuitspraak, overweegt de Afdeling dat zij behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een zeer uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.

5.    [appellant sub 1] betoogt dat in het besluit van 22 mei 2019 onvoldoende is gemotiveerd waarom de twaalf bomen worden gekapt. Volgens [appellant sub 1] voldoen de bomen niet aan de criteria voor het verwijderen van bomen op basis van overlast, zoals opgenomen in de Kadernota en de Kadernota beheer en overlast van bomen van 2 november 2015. [appellant sub 1] voert daartoe aan dat uit de rapportage blijkt dat de wortelopdruk bij geen van de bomen heeft geleid tot hoogteverschillen van meer dan 8 cm of schade aan het wegdek. Ook staan de bomen niet te dicht op de rijbaan en doen zich geen afwateringsproblemen voor. Omdat het college geen boominspectie heeft laten uitvoeren, is ook anderszins niet gebleken dat de bomen tot onveilige situaties leiden. Uit de rapportage blijkt dat slechts één van de twaalf bomen zich binnen 2 m van de erfgrens van eens anders perceel bevindt, maar volgens [appellant sub 1] is het onduidelijk of dit is gemeten vanaf de kern van de boom of vanaf de buitenkant van de boom. Ingevolge artikel 6.17 van de Verordening is een minimale afstand van 0,5 m in plaats van 2 m tot de erfgrens opgenomen en geen van de bomen staat binnen 0,5 m van de erfgrens, aldus [appellant sub 1].

5.1.    Ingevolge artikel 6.14, eerste lid, van de Verordening, voor zover thans van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning op grond van artikel 2.2, aanhef en onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een houtopstand bestaande uit gemeentelijke bomen te vellen of te doen vellen.

Ingevolge artikel 2.6, negende lid, kan een vergunning als bedoeld in artikel 6.14 worden geweigerd indien:

a. natuur- en milieuwaarde van de houtopstand;

b. landschappelijke waarde van de houtopstand;

c. waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e. cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

f. waarde voor de recreatie en/of de leefbaarheid van de houtopstand zich daar tegen verzetten.

5.2.    Het college komt beoordelingsruimte toe bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen. De rechter toetst of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

5.3.    In de Kadernota is vermeld dat met deze nota een kader wordt gegeven voor het vervangen van bomen en het beleid op het gebied van herplant. Daarin is verder vermeld dat in de Algemene Plaatselijke Verordening 2016 gemeente Haarlemmermeer (thans: de Verordening) criteria zijn opgenomen op grond waarvan een boom wordt verwijderd. In de Kadernota beheer en overlast van bomen zijn criteria opgenomen voor de afhandeling van meldingen over overlast door bomen en ziektes van bomen en om de rol van de gemeente hierbij te kunnen bepalen. Daarbij is vermeld dat aanvragen om vergunningen voor het verwijderen van bomen worden beoordeeld op basis van de criteria in de Algemene Plaatselijke Verordening 2016 gemeente Haarlemmermeer (thans: de Verordening).

Gelet hierop en op de toelichting in het besluit van 22 mei 2019, zijn voornoemde kadernota’s, anders dan [appellant sub 1] betoogt, niet van toepassing op de beslissing van het college om al dan niet een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen te verlenen. Om een vergunning voor het kappen van de twaalf bomen te kunnen verlenen hoeft dan ook niet te worden voldaan aan de in de kadernota’s opgenomen overlastcriteria.

Het betoog faalt in zoverre.

5.4.    Vervolgens dient te worden beoordeeld of in het besluit van 22 mei 2019 voldoende is gemotiveerd waarom de betrokken bomen voor kap in aanmerking komen en voorts of zich geen weigeringsgronden voordoen, zoals bedoeld in artikel 2.6, negende lid, van de Verordening.

In het besluit van 22 mei 2019 heeft het college, mede onder verwijzing naar de metingen en foto’s in de rapportage, gemotiveerd dat bij het aanplanten van de bomen onvoldoende rekening is gehouden met het groeien van de wortels, waardoor de groei van de bomen tot overlast heeft geleid. Door de wortelopdruk zijn voetpaden, molgoten, parkeervakken en de rijbaan beschadigd, aldus het college. Het college stelt zich verder op het standpunt dat de onderbrekingen van de molgoot ertoe kunnen leiden dat hemelwater onvoldoende wegstroomt richting de afvoerputten. Ook hebben de wortels van een deel van de bomen tot schade aan de riolering geleid. Daarnaast staat een aantal bomen te dicht op de rijbaan, waardoor de rijbaan wordt versmald. Het college acht dit alles onwenselijk. [appellant sub 1] heeft deze bevindingen van het college niet gemotiveerd bestreden.

In het beoordelingsformulier dat is ingevuld door het Cluster beheer en onderhoud van de gemeente naar aanleiding van de aanvraag is beoordeeld of, en zo ja, in hoeverre, de bomen waarden vertegenwoordigen als bedoeld in artikel 2.6, negende lid, van de Verordening. In het beoordelingsformulier is geconcludeerd dat er zich geen waarden voordoen die leiden tot weigering van de omgevingsvergunning. Ook deze conclusie heeft [appellant sub 1] niet gemotiveerd bestreden.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat zich geen weigeringsgronden voordoen, zoals bedoeld in artikel 2.6, negende lid, van de Verordening en dat het college de omgevingsvergunning voor het kappen van de twaalf bomen in redelijkheid alsnog heeft kunnen verlenen. Daarbij wijst de Afdeling er ook op dat een herplant ter plaatse met acht bomen zal plaatsvinden.

Het betoog faalt ook in zoverre.

Slotoverwegingen

6.    Gelet op hetgeen onder 6 van de tussenuitspraak is overwogen, is het hoger beroep van [appellant sub 1] tegen de verleende omgevingsvergunning van 27 januari 2017, voor zover dat betrekking heeft op het kappen van de drie bomen in de zijstraat van het Bervoetsbos, tussen huisnummers 141 en 143, niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

Zoals onder 8 van de tussenuitspraak is overwogen, is het hoger beroep van [appellant sub 2] en anderen niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellant sub 2] en anderen tegen het besluit van 5 februari 2018 is, gelet op hetgeen onder 13.3 van de tussenuitspraak is overwogen, gegrond. De Afdeling zal dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen.

Het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 22 mei 2019 is ongegrond.

7.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1], voor zover dat betrekking heeft op het kappen van de drie bomen in de zijstraat van het Bervoetsbos, tussen huisnummers 141 en 143, niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1], voor zover ontvankelijk, ongegrond;

III.    verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2] en anderen niet-ontvankelijk;

IV.    bevestigt de aangevallen uitspraken;

V.    verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer van 5 februari 2018, kenmerk 2432180, gegrond;

VI.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer van 5 februari 2018, kenmerk 2432180;

VII.    verklaart het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 22 mei 2019, kenmerk 2649378, ongegrond;

VIII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer tot vergoeding van bij [appellant sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer aan [appellant sub 2] en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 253,00 (zegge: tweehonderddrieënvijftig euro) voor de behandeling van het beroep tegen het besluit van 5 februari 2018, kenmerk 2432180, vergoedt.

X.    verstaat dat de griffier van de Raad van State € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) aan [appellant sub 2] en anderen terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Hoekstra    w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2019

531-912.