Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3033

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
04-09-2019
Zaaknummer
201900818/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:10242, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2018 heeft de RDW de aanvraag van [appellant] voor een rijbewijs voor personen zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201900818/1/A2.

Datum uitspraak: 4 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], zonder bekende woon- of verblijfplaats,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 december 2018 in zaak nr. 18/3964 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: RDW).

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2018 heeft de RDW de aanvraag van [appellant] voor een rijbewijs voor personen zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland afgewezen.

Bij besluit van 2 juli 2018 heeft de RDW het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 december 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De RDW heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juli 2019, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J. Biemond, advocaat te Den Haag en de RDW, vertegenwoordigd door mr. B.S. Kruize, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] heeft bij de RDW een aanvraag ingediend om zijn rijbewijs te laten verlengen. Het gaat om een aanvraag voor personen zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. [appellant] heeft zich op 4 oktober 2016 laten uitschrijven uit de Basisregistratie personen (hierna: Brp). Bij het besluit van 22 maart 2018, gehandhaafd bij het besluit van 2 juli 2018, heeft de RDW deze aanvraag afgewezen. De reden hiervoor is dat de RDW het onvoldoende aannemelijk acht dat [appellant] zijn verblijfplaats in Nederland heeft. In geschil is de vraag of de RDW hierom de aanvraag terecht heeft afgewezen.

Oordeel van de rechtbank

2.    De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellant] niet staat ingeschreven op een woonadres of briefadres in de Brp, maar al sinds 2016 staat opgenomen als niet-ingezetene. De rechtbank heeft geoordeeld dat de RDW gezien de door [appellant] overgelegde stukken niet heeft hoeven aannemen dat hij in Nederland woont. Aangezien de RDW alleen bevoegd is tot het afgeven van rijbewijzen aan personen die in Nederland wonen, heeft de RDW de aanvraag mogen afwijzen.

Verder is er volgens de rechtbank geen sprake van onbehoorlijk bestuur. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat de RDW aan [appellant] de gelegenheid heeft geboden om aan te tonen dat hij in Nederland woont. [appellant] heeft hiertoe nadere stukken ingediend. De rechtbank ziet geen reden waarom de RDW nogmaals een gelegenheid had moeten bieden.

Hoger beroep

3.    [appellant] is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens hem heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de RDW het verzoek tot verlenging van zijn rijbewijs terecht heeft afgewezen. [appellant] betoogt dat de RDW niet duidelijk heeft gemaakt waarom de verstrekte gegevens onvoldoende zouden zijn om een woonplaats in Nederland aan te nemen. Daar komt bij dat de RDW op de hoorzitting van 29 mei 2018 met [appellant] heeft afgesproken hem te laten weten welke stukken hij nog moest overleggen om aannemelijk te maken dat hij in Nederland woont. De RDW is deze afspraak niet nagekomen, aldus [appellant].

3.1.    Niet in geschil is dat [appellant] niet staat ingeschreven in de Brp met een woonadres of briefadres.

3.2.    Op grond van artikel 7, eerste lid en onder b, van de Europese richtlijn 91/439/EG (hierna: de Richtlijn) moet de aanvrager van het rijbewijs zijn gewone verblijfplaats hebben op het grondgebied van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft. Op grond van artikel 9 van de Richtlijn wordt onder ‘gewone verblijfplaats’ verstaan de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft. Dat wil zeggen de plaats waar iemand gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar wegens persoonlijke of beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont, verblijft.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 10 oktober 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BB5201) heeft de wetgever beoogd in artikel 32 van het Reglement rijbewijzen (hierna: Reglement) uitvoering te geven aan de in artikel 7, eerste lid, onder b, van de Richtlijn gegeven basiseis dat de lidstaten hun nationale rijbewijzen slechts afgeven aan personen die in de lidstaat van afgifte hun gewone verblijfplaats hebben. Gelet op de bewoordingen van artikel 32 van het Reglement, die vrijwel identiek zijn aan die van artikel 7, eerste lid, onder b, in samenhang met artikel 9, eerste alinea, van de Richtlijn, moet het bepaalde uit de Richtlijn worden geacht op correcte wijze te zijn geïmplementeerd in het Reglement. Het begrip 'woonachtig zijn' wordt blijkens de toelichting bij het Reglement gebezigd in de zin van ‘feitelijk woonachtig’ zijn.

Nu [appellant] niet staat ingeschreven bij een Nederlandse gemeente en derhalve geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, is het aan hem om aannemelijk te maken dat hij 185 dagen per kalenderjaar of meer in Nederland verblijft. [appellant] heeft diverse bescheiden overgelegd om zijn standpunt te onderbouwen dat hij in Nederland woont. Weliswaar geven deze een aanwijzing dat [appellant] binding heeft met Nederland, maar daaruit blijkt niet dat [appellant] tenminste 185 dagen per kalenderjaar in Nederland verblijft. Om verblijf in Nederland aannemelijk te maken had [appellant] meer objectiveerbare bewijzen moeten overleggen, zoals een huurcontract voor een woning of rekeningafschriften waaruit blijkt dat hij frequent deelneemt aan het betalingsverkeer in Nederland. Deze bewijzen ontbreken en maken dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Nederland woonachtig is.

3.3.    Dat de RDW de afspraken die zijn gemaakt tijdens de hoorzitting van 29 mei 2018 niet is nagekomen, leidt niet tot een ander oordeel, omdat het aan [appellant] was om zijn woonplaats aannemelijk te maken en hij met de voorhanden zijnde stukken hierin niet is geslaagd.

Conclusie

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

w.g. Hoekstra    w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2019

85-921.