Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3015

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
04-09-2019
Zaaknummer
201810035/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:4728, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 mei 2017 heeft het college bij [appellante] een dwangsom van € 5.000,00 ingevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201810035/1/A1.

Datum uitspraak: 4 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Epe,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 november 2018 in zaken nrs. 17/6400 en 18/3856 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Epe.

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2017 heeft het college bij [appellante] een dwangsom van € 5.000,00 ingevorderd.

Bij besluit van 24 januari 2018 heeft het college bij [appellante] een bedrag van € 20.000,00 aan dwangsommen ingevorderd.

Bij besluit van 17 oktober 2017 heeft het college het door [appellante] tegen het besluit van 24 mei 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 5 juni 2018 heeft het college het door [appellante] tegen het besluit van 24 januari 2018 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 november 2018 heeft de rechtbank de door [appellante] tegen deze besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 augustus 2019, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. B.J. Driessen, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door P. Pasveer en W.M. van der Burgt, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het college heeft [appellante] bij besluit van 3 november 2015, verzonden op 16 maart 2016, gelast om binnen 16 weken na de verzenddatum van de brief het laten gebruiken van de recreatiewoning op het adres [locatie] te Epe met objectnummer 64 als hoofdverblijf te beëindigen en beëindigd te houden. Aan de last is een dwangsom verbonden van € 5.000,00 per vier weken (of een gedeelte daarvan), tot een maximum van € 50.000,00.

Bij besluiten van 24 mei 2017 en 24 januari 2018 zijn in totaal vijf dwangsommen ingevorderd. Onder verwijzing naar controlerapporten van 6 april 2017, 17 juli 2017, 12 september 2017, 28 november 2017 en 18 december 2017 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat niet aan de last is voldaan.

De rechtbank heeft in het door [appellante] aangevoerde geen aanleiding gezien om de beroepen tegen de besluiten van 17 oktober 2017 en 5 juni 2018 gegrond te verklaren.

Beoordeling van het hoger beroep

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat haar gronden over het in haar ogen selectieve handhavingsbeleid van het college en de proportionaliteit van de opgelegde dwangsom, in de procedure tegen het besluit van 16 maart 2016 aangevoerd hadden moeten worden. Volgens haar zijn er in dit geval bijzondere omstandigheden aan de orde die maken dat deze gronden in deze procedure wel aan de orde gesteld kunnen worden.

2.1.    Zoals de Afdeling in de uitspraak van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466, heeft overwogen, kan een belanghebbende in de procedure tegen de invorderingsbeschikking of de kostenverhaalsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom of last onder bestuursdwang naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is.

Wat [appellante] in hoger beroep heeft betoogd over het in haar ogen selectieve handhavingsbeleid van het college en de proportionaliteit van de opgelegde dwangsom heeft betrekking op de rechtmatigheid van het opleggen van de last onder dwangsom. De gestelde omstandigheden zijn niet zodanig bijzonder dat deze nopen tot een beoordeling van de rechtmatigheid van het dwangsombesluit in deze procedure.

Het betoog faalt.

3.    [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college van invordering van de dwangsommen had moeten afzien, omdat het doel, de beëindiging van het bedrijf, al is bereikt. Wanneer tot het oordeel wordt gekomen dat het college niet van invordering hoefde af te zien, had het in ieder geval het bedrag aan verbeurde dwangsommen moeten matigen, aldus [appellante].

3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen uitspraak van 15 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:383), dient bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

3.2.    Door het college is toegelicht dat het illegale gebruik is gestaakt, maar pas nadat alle opgelegde dwangsommen waren verbeurd. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit geen omstandigheid is die tot het afzien van invordering of tot matiging van de ingevorderde dwangsommen zou moeten leiden. Het heeft hierbij kunnen betrekken dat wanneer het een dwangsom niet zou invorderen of zou matigen alleen omdat de overtreding ná de laatste termijn is beëindigd, dit afbreuk doet aan het dwingende karakter van een dwangsom. De rechtbank heeft daarom terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college in redelijkheid had moeten afzien van invordering of tot matiging van de in te vorderen dwangsommen had moeten overgaan.

Het betoog faalt.

Conclusie en slot

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier.

w.g. Wortmann    w.g. Kamphorst-Timmer

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2019

776.