Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3008

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
04-09-2019
Zaaknummer
201808473/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2018:4519, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 januari 2017 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de bedrijfsactiviteiten van Schulp Vruchtensappen B.V., gevestigd aan het Zandpad 76 te Breukelen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201808473/1/A1.

Datum uitspraak: 4 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 september 2018 in zaak nr. 18/276 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht.

Procesverloop

Bij besluit van 2 januari 2017 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de bedrijfsactiviteiten van Schulp Vruchtensappen B.V., gevestigd aan het Zandpad 76 te Breukelen, afgewezen.

Bij besluit van 4 december 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 september 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en Schulp hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.P.C. Obbink, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.P. van Asch en ing. T. Verkammen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Schulp, vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Schulp is een bedrijf dat zich richt op het produceren en bottelen van vruchten- en groentesappen. Bij besluit van 28 oktober 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breukelen (thans: de gemeente Stichtse Vecht) met toepassing van de in artikel 11, vijfde lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied rondom de Vecht" opgenomen ontheffingsbevoegdheid aan Schulp vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de uitbreiding van de bedrijfsruimte op het perceel. Deze bouwvergunning en vrijstelling zijn onherroepelijk.

    [appellant] woont aan het [locatie] in de directe nabijheid van het bedrijf van Schulp. Hij heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen de toename van de productie van sappen door Schulp, omdat de volgens hem niet toegestane toename van de sappenproductie heeft geleid tot een toename van de verkeersbelasting op het Zandpad. [appellant] ondervindt hiervan overlast, met name door het toegenomen zware vrachtverkeer.

    Het college heeft aan de weigering om handhavend op te treden ten grondslag gelegd dat het hiertoe niet bevoegd is, omdat Schulp niet handelt in strijd met de in 2008 verleende bouwvergunning of met het bestemmingsplan en er dus geen sprake is van overtreding van een wettelijk voorschrift.

    De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] in beroep heeft aangevoerd geen aanleiding gezien om dit standpunt van het college voor onjuist te houden.

Het bestemmingsplan

2.        Ingevolge de ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar ter plaatse geldende bestemmingsplannen "Landelijk Gebied rondom de Vecht" en "Partiële herziening, Landelijk Gebied rondom de Vecht" rust op het gedeelte van het perceel waarop de bedrijfsbebouwing van Schulp is gelegen de bestemming "Bedrijven (B)" met de nadere functieaanduidingen "dienstverlening (dv)" en "ambachtelijk (ab)".

    Artikel 11, eerste lid, van het bestemmingsplan luidt:

"De gronden op de kaart aangewezen voor "Bedrijven" (B), zijn met inachtneming van het bepaalde in artikel 24 "Karakteristieke bouwwerken (dubbelbestemming)" bestemd:

a. voor bedrijven die in de van deze regels deel uitmakende bijlage I "Staat van Bedrijfsactiviteiten" zijn aangeduid als categorie 1 en 2, dan wel daarmee gelijk kunnen worden gesteld wat betreft hun gevolgen voor de omgeving, met dien verstande dat onder bedrijven als bedoeld onder a, niet zijn begrepen:

    1. detailhandelsbedrijven, en:

    2. bedrijven die zijn aangewezen als inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, krachtens artikel 2.4 van het Inrichtingen- en Vergunningenbesluit Milieubeheer (Ivb);

b. (…)

c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "dienstverlening" (dv) tevens voor dienstverlening;

d. (…)

e. ter plaatse van de aanduiding "ambachtelijk" (ab) uitsluitend voor een ambachtelijke bedrijfsvoering;

(…)

h. voor bij een en ander behorende opslag-, los-, laad- en parkeerplaatsen.

    Het derde lid, aanhef en onder b, luidt:

"Voor het bouwen als bedoeld in lid 2 gelden de volgende regels:

Algemeen

het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan op de kaart is aangegeven;"

    Het vijfde lid luidt:

"Burgemeester en wethouders kunnen voor het perceel Zandpad 76 ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 3, onder b, voor vergroting van het bouwvlak ten behoeve van een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing met niet meer dan 350 m², mits:

a. de extra bebouwing niet wordt aangewend ten behoeve van de productie;

b. voor de goothoogte en de hoogte aan het bepaalde in lid 3, onder c, wordt voldaan."

Beoordeling van het hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het college niet bevoegd is om handhavend op te treden, heeft miskend dat de sappenproductie van het bedrijf in strijd met de in 2008 verleende vrijstelling en bouwvergunning substantieel is toegenomen. Hiertoe voert [appellant] aan dat de voor de bouwvergunning benodigde vrijstelling van het bestemmingsplan is verleend onder de voorwaarde dat de productie niet toeneemt. Deze verplichting, ook al staat het niet nadrukkelijk in de aan de vergunning verbonden voorwaarden vermeld, dient te worden nageleefd, aldus [appellant]. Voorts voert [appellant] aan dat de bij besluit van 28 oktober 2008 vergunde bedrijfsruimte weliswaar wordt gebruikt voor opslag, maar dat deze opslag ten dienste van de productie staat en daarom niet los gezien kan worden van het productieproces.

3.1.    Niet in geschil is dat de productie van sappen door Schulp sinds 2008 is toegenomen. In hoger beroep ligt de vraag voor of de productietoename in strijd is met de op 28 oktober 2008 verleende vrijstelling en bouwvergunning voor uitbreiding van de bedrijfsruimte.

    Naar aanleiding van het handhavingsverzoek van [appellant] hebben twee toezichthouders van de gemeente op 4 oktober 2016 het bedrijf van Schulp bezocht en daar een controle uitgevoerd. In de bezoekrapportage van 4 oktober 2016 hebben zij vermeld dat er geen afwijkingen van de laatst verleende vergunning zijn geconstateerd. [appellant] betwist niet dat de uitbreiding van de bedrijfsruimte overeenkomstig de bij de vergunning van 28 oktober 2008 behorende bouwtekeningen is gebouwd en dat die vergunde uitbreiding wordt gebruikt voor opslag.

3.2.    Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is aan de bij besluit van 28 oktober 2008 verleende vrijstelling en bouwvergunning geen voorwaarde verbonden die een toename van de sappenproductie verbiedt. Het college heeft bij de beoordeling of het gebruik kan en wil maken van de in artikel 11, vijfde lid, van de planvoorschriften opgenomen ontheffingsbevoegdheid ten behoeve van de uitbreiding van de bedrijfsbebouwing onder meer in aanmerking genomen dat geen uitbreiding van de productie zal plaatsvinden en dat het aantal verkeersbewegingen zal afnemen. Deze aan de vergunningverlening ten grondslag liggende overwegingen zijn geen op zelfstandig rechtsgevolg gerichte onderdelen van het besluit en kunnen daarom niet worden aangemerkt als aan de vergunning verbonden voorwaarden.

    De bouwvergunning is destijds verleend voor uitbreiding van de bedrijfsruimte ten behoeve van opslag. De ruimte wordt daar ook voor gebruikt. Ook in zoverre is er geen strijd met de hiervoor verleende bouwvergunning. Voor het oordeel dat de opslag ten dienste van de productie staat en de opslagruimte daarom onlosmakelijk is verbonden met het productieproces bestaat overigens geen grond, nu in het bestemmingsplan het begrip opslag afzonderlijk wordt genoemd.

    Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Jurgens    w.g. Deen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2019

604.