Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3000

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
04-09-2019
Zaaknummer
201809849/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 mei 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een blokhut en berging op het perceel Aalsmeer, sectie […], [perceel A] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201809849/1/A1.

Datum uitspraak: 4 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 oktober 2018 in zaak nr. 18/2587 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer.

Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2017 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een blokhut en berging op het perceel Aalsmeer, sectie […], [perceel A] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 23 februari 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 oktober 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 augustus 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.L. Baar, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. K. Bounaanaa, zijn verschenen.

    Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] is eigenaar van het perceel, een recreatie-eiland van 465 m2 op de Westeinderplassen. Op het perceel zijn een blokhut van 30 m2 en een berging van 11,7 m2 aanwezig zonder omgevingsvergunning. Het college heeft daartegen handhavend opgetreden.

    [appellant] heeft op 9 januari 2017 een aanvraag ingediend om de berging en de blokhut te legaliseren. Bij besluit van 17 mei 2017 heeft het college geweigerd de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen, omdat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Uiterweg-Plasoevers 2005" en het niet voor het bouwplan van dit bestemmingsplan wil afwijken. Dit besluit heeft het college bij besluit van 23 februari 2018 in stand gelaten. De rechtbank heeft het door [appellant] hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij komt tot het oordeel dat het college niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.

    [appellant] kan zich niet met deze uitspraak verenigen.

Beoordeling van het hoger beroep

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college het gelijkheidsbeginsel niet heeft geschonden. Hij wijst erop dat het college in het verleden wel vergunningen heeft verleend voor vergelijkbare bouwwerken op percelen met dezelfde bestemming als het perceel waarop de blokhut en de berging aanwezig zijn. Hij wijst in het bijzonder op de vergunning verleend voor de bebouwing op [perceel B]. Die vergunning is afgegeven in 2005, toen het bestemmingsplan "Uiterweg-Plasoevers 2005" al in voorbereiding was. Hij wijst er op dat tijdens de procedure voor die aanvraag ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel is gedaan. Bij besluit op bezwaar is de vergunning vervolgens verleend. [appellant] wijst erop dat bij het besluit om vergunning te verlenen voor [perceel B] is betrokken dat het eiland in de loop der jaren in overwegende mate een ontwikkeling heeft doorgemaakt naar recreatiekavel, dat het eiland als geheel een verzorgde uitstraling heeft en in de directe omgeving van het perceel meerdere grote blokhutten en zelfs een recreatiewoning aanwezig zijn. Eenzelfde overweging is ook van toepassing op zijn perceel, zodat het college dit bij de beoordeling van zijn aanvraag had moeten betrekken, aldus [appellant].

2.1.    Het college heeft, onder meer ter zitting, toegelicht dat het sinds de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Uiterweg-Plasoevers 2005" de lijn hanteert dat voor bouwplannen op de eilanden niet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, omdat in het bestemmingsplan de maximale mogelijkheden met betrekking tot bouwwerken voor recreatie zijn vastgelegd. Na inwerkingtreding van het bestemmingsplan zijn er geen vergunningen meer verleend voor bouwwerken voor recreatie op gronden met eenzelfde bestemming als het perceel. De door [appellant] bedoelde vergunning voor het [perceel B] is verleend onder de gelding van het vorige bestemmingsplan. Het college heeft toegelicht dat op dat moment nog niet bekend was dat bij de inwerkingtreding van het nu geldende bestemmingsplan de hiervoor genoemde lijn zou worden gehanteerd wat betreft het afwijken van het bestemmingsplan. Bovendien gold de Structuurvisie Uiterweg (hierna: de structuurvisie) op dat moment nog niet, aldus het college.

2.2.    Gelet op deze door het college gegeven toelichting wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college, gelet op het door [appellant] aangevoerde, in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld.

3.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. In dat verband wijst hij er op dat het behoud van landschappelijke en cultuurhistorische waarden de bebouwing, de blokhut en de berging, niet uitsluit. Hij wijst erop dat de bestemming van het perceel "Agrarisch" is en dat dat ook niet direct bijdraagt aan de natuurlijke, landschappelijke of cultuurhistorische waarde van het perceel. De rechtbank is er volgens hem voorts aan voorbijgegaan dat uit de structuurvisie expliciet blijkt dat versterking van het toeristisch profiel ook een doelstelling is, waarbij ook verblijfsrecreatie expliciet wordt genoemd.

3.1.    Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet ten behoeve van het bouwplan van het bestemmingsplan wenst af te wijken. In dat verband heeft het kunnen verwijzen naar zijn beleid om na de vaststelling van het bestemmingsplan "Uiterweg-Plasoevers 2005" niet meer voor bouwplannen op de eilanden van het bestemmingsplan af te wijken. Door [appellant] is niet aannemelijk gemaakt dat het college dit beleid niet voert. [appellant] heeft ter zitting in dat verband toegelicht dat hij het college verzocht heeft om een afschrift van nadien verleende vergunningen voor bouwplannen op eilanden met de bestemming "Agrarisch", maar dat het college deze niet heeft kunnen vinden. Het college heeft voorts kunnen verwijzen naar de structuurvisie, waarin het perceel is gelegen in deelgebied 5 "Groene enclave II". Het door het college gevoerde beleid is daarmee niet in strijd. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

    Het betoog faalt.

Conclusie en slot

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier.

w.g. Wortmann    w.g. Kamphorst-Timmer

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2019

776.