Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2993

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
11-09-2019
Zaaknummer
201805289/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

[appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de raad van 17 april 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landgoed Leudal 2018". De raad heeft een aantal gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201805289/2/R1.

Datum beslissing: 4 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Haelen, gemeente Leudal (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2.    [appellante sub 2A] en [appellante sub 2B], beide gevestigd te Haelen, gemeente Leudal (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 2]),

en

de raad van de gemeente Leudal,

verweerder.

Procesverloop

[appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de raad van 17 april 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landgoed Leudal 2018".

De raad heeft een aantal gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.

Het betreft een advies van 28 augustus 2017, een advies van 24 oktober 2017, een advies van 17 december 2017 en twee adviezen van 11 maart 2018.

Overwegingen

1.    De Afdeling heeft het beroep van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] ter zitting behandeld op 15 juli 2019. Na deze zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend en bij brief van 25 juli 2019 nadere schriftelijke inlichtingen ingewonnen bij de raad. Bij brief van 31 juli 2019 heeft de raad op deze brief gereageerd en daarbij op verzoek van de Afdeling vijf adviezen overgelegd. Daarbij heeft de raad de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van deze adviezen kennis zal nemen. De raad heeft ter motivering van het verzoek aangevoerd dat de adviezen geen deel uitmaken van de besluitvorming door de raad, de adviezen onderwerp zijn van een procedure op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob), de adviezen op verzoek van ambtenaren zijn uitgebracht voor intern beraad over de voorbereiding van het bestemmingsplan en een vertrouwelijk karakter hebben en de adviezen onder meer zijn opgevraagd vanwege schadeclaims en het risico op juridische geschillen. In dit verband beroept de raad zich op artikel 10, tweede lid, onder g, en op artikel 11, eerste lid, van de Wob.

2.    Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.

3.    De raad is verzocht om schriftelijke inlichtingen te geven en stukken in te zenden.

Met zijn verwijzing naar de Wob-procedure heeft de raad onvoldoende gemotiveerd waarom beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar beslissing van 25 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3142, spelen de weigeringsgronden uit de Wob weliswaar een rol in die zin, dat indien geen weigeringsgrond aanwezig is evenmin grond bestaat een verzoek om beperking van de kennisneming in te willigen (vergelijk artikel 8:29, tweede lid, van de Awb), maar dit betekent niet dat de omstandigheid dat aanleiding bestond om een verzoek om openbaarmaking van de stukken voor een ieder af te wijzen, zonder meer meebrengt dat een verzoek om beperking van de kennisneming moet worden gehonoreerd. Er is een afzonderlijke toets vereist, of gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb aanwezig zijn. Daarbij speelt het belang van procespartijen een rol bij kennisneming van de stukken, mede in het licht van het fair trial-beginsel, anders dan bij de Wob waarbij het belang van openbaarmaking wordt voorondersteld.

De adviezen zijn op verzoek van ambtenaren van de gemeente Leudal uitgebracht voor intern beraad over de voorbereiding van het bestemmingsplan. Zij bevatten persoonlijke beleidsopvattingen, bedoeld voor intern beraad. De uitkomst van dat beraad is in het raadsvoorstel en het bestemmingsplan opgenomen. Naar het oordeel van de Afdeling weegt het belang om de persoonlijke beleidsopvattingen in de extern ingewonnen adviezen over de eventuele inzet van ruimtelijke sturingselementen niet te delen met natuurlijke- of rechtspersonen zwaarder dan het belang dat partijen kennis nemen van de adviezen.

4.    De Afdeling acht het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek toe.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Lodeweges

lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2019