Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:299

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-02-2019
Datum publicatie
06-02-2019
Zaaknummer
201900371/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:36, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 november 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2019/55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201900371/1/V3.

Datum uitspraak: 1 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 4 januari 2019 in zaak nr. NL18.25044 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 4 januari 2019 heeft de rechtbank het met een kennisgeving vanwege de staatssecretaris daartegen aanhangig gemaakte beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.H.K. van Middelkoop, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De staatssecretaris heeft de vreemdeling krachtens artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in bewaring gesteld met het oog op overdracht aan Italië. Hij heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat de vreemdeling:

a.    in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;

b.    een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;

c.    geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

d.    niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

2.    In de eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een significant risico bestaat dat hij zich aan het toezicht onttrekt. Daarover voert hij aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris in de maatregel ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom uit de zware grond onder a een risico op onttrekking volgt. Over de grond onder b voert hij aan dat deze feitelijk onjuist is, omdat niet is gebleken dat een onmiddellijke overdracht of een overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is, nu de overdrachtstermijn pas in juli 2019 eindigt.

2.1.    De vreemdeling bestrijdt niet de feitelijke juistheid van de grond onder a. Hij betoogt echter terecht dat de staatssecretaris bij die grond ondeugdelijk gemotiveerd heeft waarom daaruit een risico op onttrekking volgt. In de motivering van de grond onder a in de maatregel is de staatssecretaris niet op het onttrekkingsrisico ingegaan, terwijl dat risico niet zonder motivering uit die grond volgt. Daarnaast betoogt de vreemdeling over de grond onder b terecht dat deze feitelijk onjuist is. Uit de maatregel blijkt namelijk alleen dat de overdracht uiterlijk in juli 2019 moet plaatsvinden. De staatssecretaris heeft daarnaast geen motivering voor de grond onder b in de maatregel opgenomen, waardoor niet is gebleken waarom deze grond in dit geval zou inhouden dat er een onttrekkingsrisico is.

    Alleen de lichte gronden onder c en d zijn onvoldoende om de maatregel te dragen, omdat uit artikel 5.1a, vijfde lid, en artikel 5.1b, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 volgt dat voor een bewaringsmaatregel krachtens artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 twee gronden vereist zijn, waarvan ten minste één zware grond. De vreemdeling betoogt dan ook terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris in de maatregel van bewaring ondeugdelijk gemotiveerd heeft waarom er een significant risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Dit betekent dat de maatregel van bewaring van aanvang af onrechtmatig is.

    De grief slaagt.

3.    Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De overige grieven behoeven daarom geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 27 november 2018 alsnog gegrond verklaren. De vrijheidsontnemende maatregel moet worden opgeheven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 27 november 2018 tot vandaag, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

4.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 4 januari 2019 in zaak nr. NL18.25044;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    bepaalt dat de vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 met ingang van vandaag wordt opgeheven;

V.    kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 5.305,00 (zegge: vijfduizend driehonderdvijf euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

VI.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.536,00 (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. D.A. Verburg en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van Laar

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2019

551-848.