Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2970

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2019
Datum publicatie
04-09-2019
Zaaknummer
201805749/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 april 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201805749/1/V3.

Datum uitspraak: 29 augustus 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 5 juli 2018 in zaak nr. NL18.7258 in het geding tussen:

[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen,

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 5 juli 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Pals, advocaat te Arnhem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De staatssecretaris heeft desgevraagd een schriftelijke reactie ingediend, waarop de vreemdeling heeft gereageerd.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Bij het besluit van 9 april 2018 heeft de staatssecretaris de opvolgende asielaanvraag van de vreemdeling niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij aan die aanvraag geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd (artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000; hierna: de Vw 2000). Deze uitspraak gaat over de vraag of de staatssecretaris dat terecht heeft gedaan.

De vreemdeling is in Italië als vluchteling erkend. Zij verblijft meer dan twee jaar rechtmatig in Nederland op basis van een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij haar partner. Die vergunning is haar bij besluit van 13 februari 2017 met ingang van 16 maart 2016 tot 16 maart 2021 verleend.

1.1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2.    De staatssecretaris heeft volgens de rechtbank ten onrechte de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft overwogen dat hij ten onrechte bij het besluit op de opvolgende asielaanvraag niet als nieuw element of nieuwe bevinding heeft aangemerkt dat de vreemdeling meer dan twee jaar rechtmatig in Nederland verblijft. Door die omstandigheid is Nederland volgens de rechtbank ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen (Trb. 1981, 239; hierna: de Overeenkomst) verantwoordelijk geworden voor de afgifte van een vluchtelingenpaspoort aan de vreemdeling. Vervolgens heeft de rechtbank verwezen naar een passage in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Vw 2000 ter implementatie van Richtlijn 2011/51/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad teneinde haar werkingssfeer uit te breiden tot personen die internationale bescherming genieten (Kamerstukken II 2012/13, 33 581, nr. 3, blz. 13; hierna: de passage). De passage gaat over de ambtshalve verlening van een asielvergunning aan de langdurig ingezetene die houder is van een vluchtelingenpaspoort (artikel 28, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000). Zoals de rechtbank heeft vermeld, staat in die passage dat een vluchtelingenpaspoort en een asielvergunning niet te scheiden zijn, omdat de Paspoortwet de afgifte van een vluchtelingenpaspoort koppelt aan toelating in Nederland met een asielvergunning. Ook verdraagt de afgifte van een vluchtelingenpaspoort aan een houder van een verblijfsvergunning regulier zich volgens de passage niet met de systematiek van de Vw 2000. De rechtbank heeft aan de passage een verdere, meer algemene strekking toegekend en op basis daarvan geoordeeld dat de staatssecretaris de vreemdeling een asielvergunning moet verlenen.

3.    In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank het onder 2 vermelde ten onrechte heeft overwogen. Daarover voert hij aan dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor verlening van een asielvergunning ingevolge de bepaling waar de passage over gaat, omdat zij geen langdurig ingezetene is. Daarnaast betoogt de staatssecretaris dat in deze procedure niet de vraag voorligt of Nederland op basis van de Overeenkomst verantwoordelijk is geworden voor de afgifte van een vluchtelingenpaspoort. Alleen al daarom heeft de rechtbank ten onrechte onder verwijzing naar de passage overwogen dat hij de vreemdeling een asielvergunning moet verlenen, aldus de staatssecretaris.

3.1.    De Afdeling stelt voorop dat niet in geschil is dat de vreemdeling in Italië niet de status van langdurig ingezetene bezit (artikel 1 van de Vw 2000). Daarom komt zij niet in aanmerking voor de ambtshalve verlening van een asielvergunning aan langdurig ingezetenen afkomstig uit een andere lidstaat (het hiervoor genoemde artikel 28, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000).

3.2.    De rechtbank gaat in haar uitspraak voorbij aan het hiervoor genoemde vereiste van de status van langdurig ingezetene. Zij heeft de in de passage genoemde koppeling tussen een asielvergunning en een vluchtelingenpaspoort echter wel van toepassing geacht op de vreemdeling in deze zaak. De rechtbank heeft daarmee impliciet overwogen dat de memorie van toelichting bij laatstgenoemde bepaling en de in de passage genoemde koppeling ook van toepassing zijn bij vreemdelingen die niet de status van langdurig ingezetene bezitten.

3.3.    Of dat impliciete oordeel terecht is, kan in het midden blijven. De rechtbank is namelijk ten onrechte vooruitgelopen op de vraag of Nederland verantwoordelijk is geworden voor de afgifte van een vluchtelingenpaspoort aan de vreemdeling door haar rechtmatig verblijf van meer dan twee jaar in Nederland. De staatssecretaris voert terecht aan dat de beoordeling of die verantwoordelijkheid bij Nederland ligt, niet in deze procedure voorligt, maar in een procedure over een aanvraag om een vluchtelingenpaspoort aan de orde moet komen. Zoals hij terecht betoogt, is het - anders dan hij abusievelijk in zijn hogerberoepschrift vermeldt - niet aan hem om in die procedure die beoordeling te maken, maar aan de burgemeester. In dat verband is ook niet gebleken dat de vreemdeling in de gemeente waar zij woont, al een aanvraag om een vluchtelingenpaspoort heeft gedaan.

De rechtbank heeft dan ook ten onrechte op basis van de passage overwogen dat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling van meer dan twee jaar een nieuw element of nieuwe bevinding is bij haar asielaanvraag. Alleen al daarom heeft de rechtbank, daargelaten de betekenis die in het algemeen aan de in de passage genoemde koppeling moet worden toegekend, ook ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris haar een asielvergunning moet verlenen.

De grief slaagt.

4.    Het voorgaande betekent voor de vreemdeling dat zij haar betoog over de verantwoordelijkheid van Nederland op basis van de Overeenkomst naar voren kan brengen in een procedure om de verstrekking van een vluchtelingenpaspoort. Dat geldt ook voor haar standpunt in haar nadere reactie dat de burgemeester niet zal overgaan tot afgifte van een vluchtelingenpaspoort zonder dat de staatssecretaris haar als vluchteling heeft geregistreerd. Als de burgemeester haar eventuele aanvraag om een vluchtelingenpaspoort afwijst, kan de vreemdeling daartegen rechtsmiddelen instellen.

5.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

6.    De vreemdeling heeft in beroep onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1794, betoogd dat er voor haar in Italië geen werk of huisvesting is en dat de leefomstandigheden daar voor haar zonder familie anders zijn dan voor Italiaanse staatsburgers.

6.1.    Zoals de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraak heeft overwogen, is de situatie voor statushouders in Italië weliswaar moeilijk, maar niet zo slecht dat sprake is van extreme armoede of ontberingen van eerste levensbehoeften en rechteloosheid waartegenover de Italiaanse autoriteiten onverschillig zouden staan. Uit die uitspraak volgt dat daarom bij terugkeer naar Italië geen reëel risico bestaat op een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM. De vreemdeling heeft verder haar stelling over de leefomstandigheden in Italië niet gestaafd of toegelicht. Daarbij komt dat de vreemdeling beschikt over een verblijfsvergunning regulier in Nederland en daarom niet gedwongen is om naar Italië terug te keren.

De beroepsgrond faalt.

7.    Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 5 juli 2018 in zaak nr. NL18.7258;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Bechinka

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2019

371-848.

 

BIJLAGE - wettelijk kader

 

Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen (Trb. 1981, 239)

Artikel 2

1. De verantwoordelijkheid wordt geacht te zijn overgedragen na een periode van twee jaar van feitelijk en ononderbroken verblijf in de tweede Staat met toestemming van de autoriteiten van deze Staat of eerder, indien de tweede Staat de vluchteling heeft toegestaan om hetzij permanent, hetzij voor een langere tijdsduur dan de geldigheidsduur van het reisdocument, op zijn grondgebied te verblijven.

[…]

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 1

In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

[...]

langdurig ingezetene: houder van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU 2004, L 16), zoals gewijzigd door richtlijn 2011/51/EU van het Europees Parlement en de Raad teneinde haar werkingssfeer uit te breiden tot personen die internationale bescherming genieten (PbEU 2011, L 132), dan wel van een door een andere lidstaat van de Europese Unie op grond van deze richtlijn afgegeven EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen;

[…]

Artikel 28

1. Onze Minister is bevoegd:

[…]

e. ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen aan de langdurig ingezetene, afkomstig uit een andere EU-lidstaat en in het bezit van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14, indien de verantwoordelijkheid voor de afgifte van het reisdocument bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, van de Paspoortwet, aan de vreemdeling, is overgedragen aan Nederland op grond van de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen van 16 oktober 1980 (Trb. 1981, 239).

[…]

Artikel 30a

1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien:

[…]

d. de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag;

[…]