Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2966

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-08-2019
Datum publicatie
04-09-2019
Zaaknummer
201809387/2/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

De minister van Buitenlandse Zaken heeft na toepassing van artikel 8:45, eerste en tweede lid, van de Awb gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201809387/2/V1.

Datum beslissing: 30 augustus 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het hoger beroep van:

1.    de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

2.    [de vreemdeling],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 november 2018 in zaak nr. NL16.3513 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

De minister van Buitenlandse Zaken heeft na toepassing van artikel 8:45, eerste en tweede lid, van de Awb gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk.

Het betreft de onderliggende stukken van een individueel ambtsbericht van de vreemdeling. Het betreft de volgende stukken:

-    een memorandum van 18 maart 2016 van het Cluster Ambtsberichten en Terugkeer (CAT) aan de Chef de Poste van de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden (AKN) te Tbilisi

-    een ongedateerd onderzoeksverslag.

Overwegingen

1.    De minister heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de stukken kennis zal nemen.

2.    Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.

3.    Naar het oordeel van de Afdeling weegt het belang van de bescherming van de geraadpleegde bronnen en de gebruikte onderzoeksmethoden en -technieken zwaarder dan het belang van de vreemdeling bij kennisneming van de stukken. Kennisneming van de informatie over de gebruikte methoden van onderzoek en technieken zou kunnen leiden tot verbetering of verandering van de vervalsing van documenten en eveneens zouden daardoor zowel lopende als toekomstige onderzoeken van de minister van Buitenlandse Zaken kunnen worden belemmerd.

4.    De Afdeling acht het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek toe;

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Verweij, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Verweij

lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2019