Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2955

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-08-2019
Datum publicatie
28-08-2019
Zaaknummer
201808956/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:805, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 april 2016 heeft de minister aan [appellante sub 2] een bestuurlijke boete opgelegd van € 61.500,00 wegens overtreding van de Arbeidstijdenwet (hierna: de Atw).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201808956/1/A3.
Datum uitspraak: 28 augustus 2019

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

I. de minister van Infrastructuur en Waterstaat,

II. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 22 februari 2018 en 4 oktober 2018 in zaak nr. 16/7776 in het geding tussen:

[appellante sub 2],

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2016 heeft de minister aan [appellante sub 2] een bestuurlijke boete opgelegd van € 61.500,00 wegens overtreding van de Arbeidstijdenwet (hierna: de Atw).

Bij besluit van 8 november 2016 heeft de minister het door [appellante sub 2] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het boetebedrag verlaagd naar € 20.500,00.

Bij tussenuitspraak van 22 februari 2018 heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld een in die uitspraak geconstateerd gebrek aan dat besluit te herstellen.

Bij einduitspraak van 4 oktober 2018 heeft de rechtbank het door [appellante sub 2] tegen het besluit van 8 november 2016 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het besluit van 19 april 2016 herroepen en aan [appellante sub 2] drie bestuurlijke boetes opgelegd van in totaal € 2.805,00 wegens overtreding van de Atw. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspaken heeft de minister hoger beroep ingesteld.

[appellante sub 2] heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

[appellante sub 2] en de minister hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juli 2019, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij, mr. A. van Geel en mr. W. Autar, en [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. M.S. Kikkert, advocaat te Haarlem, zijn verschenen.

Overwegingen

Wet- en regelgeving

1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2. [ appellante sub 2] exploiteert een transportbedrijf voor vervoer over de weg. Op 16 maart 2015 heeft een toezichthouder van de Inspectie Leefomgeving en Transport een bedrijfsinspectie uitgevoerd bij [appellante sub 2] naar de naleving van de bepalingen van de Atw en het Arbeidstijdenbesluit vervoer (hierna: het Atbv). Daarbij is geconstateerd dat negentien keer een deugdelijke registratie van arbeids- en rusttijden ontbrak, onder meer door het rijden zonder bestuurderskaart, waardoor toezicht op naleving van de Atw en het Atbv onmogelijk is gemaakt. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het op ambtseed opgemaakte boeterapport van 13 juli 2015.

2.1. De minister heeft op grond van de voorheen geldende Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet Arbeidstijdenbesluit vervoer (wegvervoer) 2014 de hoogte van de boete vastgesteld op € 61.500,00. In bezwaar heeft de minister de boete overeenkomstig artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de nieuwe Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet Arbeidstijdenbesluit vervoer (wegvervoer) 2016 verlaagd naar € 20.500,00, omdat de toezichthouder in het boeterapport niet exact heeft aangegeven hoeveel chauffeurs ten tijde van de controle bij [appellante sub 2] werkzaam waren.

Aangevallen uitspraken

Tussenuitspraak

3. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat door het niet overhandigen van alle gegevens over de periode van 3 november 2014 tot en met 30 november 2014 het niet mogelijk was toezicht te houden op de naleving van de arbeids- en rusttijden, hetgeen ingevolge artikel 4:3, eerste lid, van de Atw een beboetbare overtreding is. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister in beginsel - op grond van diens eigen, betrekkelijk recent vastgestelde, beleid - maximaal drie bestuurlijke boetes aan [appellante sub 2] had mogen opleggen. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat volgens de minister bij [appellante sub 2] in november 2014 minder dan vijfentwintig werknemers werkzaam waren, zo valt af te leiden uit de motivering van het bestreden besluit, waar immers onder meer wordt verwezen naar artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van Beleidsregel 2016. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het bestreden besluit en het verweerschrift niet duidelijk gemaakt hoe artikel 4 van Beleidsregel 2016 volgens de minister moet worden uitgelegd. De minister heeft volstaan met de - niet nader toegelichte - stelling dat "in deze specifieke situatie naar de aard van de zaak" geen toepassing aan artikel 4, aanhef en onder a, van de Beleidsregel 2016 kan worden gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank volstaat die motivering niet als adequate weerlegging van het door [appellante sub 2] ingenomen standpunt dat de minister naar aanleiding van de bedrijfsinspectie van 16 maart 2015 slechts drie bestuurlijke boetes aan [appellante sub 2] had mogen opleggen. De rechtbank heeft daarom de minister een termijn van zes weken gegeven om nader te motiveren waarom naar aanleiding van de bedrijfsinspectie van 16 maart 2015 negentien bestuurlijke boetes aan [appellante sub 2] hadden mogen worden opgelegd.

Einduitspraak

3.1. In haar einduitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de minister niet heeft verzocht om uitstel van de hem geboden termijn voor herstel van het gebrek, en evenmin heeft geprobeerd om het gebrek te herstellen. Dit maakt dat de rechtbank geen reden heeft gezien om terug te komen van haar overwegingen in de tussenuitspraak. De rechtbank heeft dan ook geoordeeld dat het bestreden besluit lijdt aan een motiveringsgebrek. De rechtbank heeft op grond van artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien door het besluit van 19 april 2016 te herroepen en [appellante sub 2] te veroordelen tot drie bestuurlijke boetes, tot een bedrag van in totaal € 2805,00.

Het hoger beroep van de minister

Gronden

4. De minister kan zich niet vinden in de manier waarop de rechtbank de boete heeft berekend. Volgens de minister legt de rechtbank artikel 4 van de Beleidsregel 2016 verkeerd uit, waardoor ten onrechte wordt uitgegaan van een maximum van drie boetes. De rechtbank heeft ook een onjuiste toepassing gegeven aan artikel 5 van de Beleidsregel 2016, waarbij de boete wordt gematigd bij een eerste bedrijfsinspectie.

Ook betoogt de minister dat de rechtbank ten onrechte aanleiding heeft gezien om de boete te matigen wegens overschrijding van de redelijke termijn voor het beslechten van een geschil over een bestuurlijke boete.

Oordeel Afdeling

4.1. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak geoordeeld dat aan het besluit van 8 november 2016 een motiveringsgebrek kleeft, omdat daarin en in het verweerschrift alleen de niet-nader toegelichte stelling dat "in deze specifieke situatie naar de aard van de zaak geen toepassing aan artikel 4, aanhef en onder a, van Beleidsregel 2016 kan worden gegeven" was opgenomen. De rechtbank heeft in haar einduitspraak het besluit van 8 november 2016 vernietigd, omdat de minister geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid het in de tussenuitspraak vastgestelde motiveringsgebrek binnen de daarvoor gegeven termijn te herstellen.

Voor zover het hoger beroep van de minister ziet op de tussenuitspraak is niet onderbouwd waarom deze onjuist zou zijn. De einduitspraak, voor zover die ziet op het niet voldoen aan de tussenuitspraak, heeft de minister evenmin onderbouwd bestreden. Voor zover het hoger beroep van de minister daarom kan worden geacht te zien op de tussenuitspraak en dit onderdeel van de einduitspraak, slaagt het niet.

Hieronder zal worden ingegaan op het hoger beroep van de minister, voor zover dat er tegen is gericht dat de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien door de boete vast te stellen op in totaal € 2.805,00.

4.2. In de toelichting op artikel 4 van de Beleidsregel 2016 staat vermeld (Staatscourant 2016, 15 379):

"Dit artikel is gericht op bedrijfsinspecties. Het maximaal in het boeterapport op te nemen aantal werknemers is afhankelijk van het totaal aantal werknemers dat bij de werkgever in dienst is. De volgende staffel is in artikel 4 opgenomen en ziet er schematisch als volgt uit:

Aantal werknemers in dienst van de werkgever/naar bedrijfsgrootte Maximum aantal werknemers in het boeterapport

Minder dan 25 werknemers 3

25-49 werknemers 6

50-99 werknemers 9

100 werknemers of meer 12

Deze indeling is ook opgenomen in de Beleidsregel Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit 2013."

4.3. Niet in geschil is dat in november 2014 minder dan 25 werknemers bij [appellante sub 2] werkzaam waren, dat meerdere chauffeurs bij de in het boeterapport opgenomen overtredingen betrokken zijn en dat de Beleidsregel 2016 van toepassing is.

Uit het boeterapport volgt dat de verbalisant in dit geval zeventien overtredingen voor het rijden zonder bestuurderskaart en twee overtredingen op naam van [persoon] voor het verrichten van werkzaamheden met een vrachtauto, terwijl geen daarop betrekking hebbende digitale data-registratie werd aangetroffen, heeft vastgesteld. Op grond van artikel 4 van de Beleidsregel 2016 zou dit betekenen dat de minister in dit geval maximaal de overtredingen van drie werknemers ter zake waarvan een of meer overtredingen zijn vastgesteld mocht beboeten. De vraag die in dit geschil centraal staat, is of bij een overtreding die ziet op het rijden zonder een bestuurderskaart, waardoor niet kan worden vastgesteld welke werknemer welke overtreding heeft begaan, de uitleg van het beleid met zich brengt dat in een dergelijk geval dient te worden uitgegaan van maximaal drie overtredingen in plaats van maximaal drie werknemers. Dit is ook wat de rechtbank heeft gedaan.

In het geval van [appellante sub 2] kan uit het boeterapport niet voor iedere overtreding worden vastgesteld wie deze heeft begaan, aangezien zeventien van de in het boeterapport opgenomen overtredingen het rijden zonder bestuurderskaart betreffen. Als gevolg hiervan kan evenmin worden vastgesteld wat het aantal chauffeurs is op wie deze overtredingen betrekking hebben. De minister heeft hierover ter zitting toegelicht dat, doordat de overtredingen het gevolg zijn van het illegaal rijden zonder bestuurderskaart, hij deze overtredingen allemaal meeneemt bij toepassing van artikel 4 van de beleidsregel en daarom voor al deze overtredingen een boete heeft opgelegd. Het illegaal rijden zonder bestuurderskaart is een omstandigheid die is te wijten aan de werkgever. Op hem rust op grond van artikel 4.3, eerste lid, van de Atw de plicht om een deugdelijke registratie te voeren ter zake van de arbeids- en rusttijden welke het toezicht op de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen mogelijk maakt.

Als mee zou worden gegaan met de berekening van de rechtbank, dan zou dit betekenen dat bedrijven waarbij bijvoorbeeld wel valt vast te stellen wie met een onjuiste bestuurderskaart heeft gereden, omdat wel enige registratie wordt uitgevoerd, een hogere boete krijgen dan bedrijven die in het geheel geen registratie voeren of waarbij zonder bestuurderskaart wordt gereden. In het eerste geval zou immers, indien van de uit artikel 4 van de Beleidsregel 2016 voortvloeiende drie werknemers wordt uitgegaan, van deze drie werknemers kunnen worden vastgesteld dat deze bijvoorbeeld ieder drie overtredingen hebben begaan, en mogen overeenkomstig het beleid maximaal negen overtredingen worden beboet. In het tweede geval kan van de uit artikel 4 van de Beleidsregel 2016 voortvloeiende drie werknemers niet worden vastgesteld hoeveel overtredingen zij ieder hebben begaan, met als gevolg dat in de uitleg van de rechtbank alleen voor maximaal drie overtredingen een boete mag worden opgelegd. Deze uitleg zou daarom met zich brengen dat het rijden zonder bestuurderskaart wordt beloond. Immers, vanwege de oncontroleerbaarheid mogen maar drie overtredingen worden beboet, terwijl de oncontroleerbaarheid aan de werkgever is te wijten. De Afdeling is met de minister van oordeel dat deze uitleg van het beleid onjuist is. De rechtbank is dan ook bij het berekenen van de boete ten onrechte uitgegaan van een maximum van drie overtredingen.

Het betoog slaagt.

4.4. Omdat van een onjuist uitgangspunt voor het berekenen van de boete is uitgegaan behoeven de overige beroepsgronden van de minister op dit punt geen verdere bespreking. Het hoger beroep van de minister is gegrond en de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd voor zover daarbij de boete is vastgesteld op een bedrag van in totaal € 2.805,00.

Het incidenteel hoger beroep van [appellante sub 2]

5. [ appellante sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het door de minister ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank slaagt. Omdat het hoger beroep van de minister gegrond zal worden verklaard, is deze voorwaarde vervuld en zal daarom hieronder het incidenteel hoger beroep van [appellante sub 2] worden besproken.

Gronden

5.1. [appellante sub 2] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zij artikel 4:3, eerste lid, van de Atw niet heeft overtreden. Dat er zonder bestuurderskaart is gereden, betekent namelijk niet dat het toezicht onmogelijk wordt gemaakt. [appellante sub 2] voert hiertoe aan dat weliswaar uit het softwareprogramma Digitale en Analoge Tachograaf Analyse (hierna: DIANTA) volgt dat er zonder bestuurderskaart is gereden, maar dat dit onvoldoende bewijs is om vast te kunnen stellen dat geen deugdelijke registratie is gevoerd en daarmee dat een overtreding is begaan.

Oordeel van de Afdeling

5.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 20 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2044), leidt het rijden zonder bestuurderskaart ertoe dat geen deugdelijke registratie van de arbeids- en rusttijden wordt gevoerd, die toezicht mogelijk maakt. Het betoog van [appellante sub 2] dat zij ook zonder het gebruik van bestuurderskaarten met haar eigen administratie kan aantonen dat een deugdelijke registratie wordt gevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals de Afdeling namelijk ook eerder heeft overwogen is de in artikel 4:3, eerste lid, van de Atw neergelegde registratieverplichting voor de vervoerssector niet vormvrij (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van ECLI:NL:RVS:2017:60 en ECLI:NL:RVS:2017:1054). Daar komt bij dat uit de uitspraak van 20 augustus 2018 verder volgt dat de bestuurderskaart het absoluut betrouwbare controlemiddel is en dat aan de hand van de overige bedrijfsadministratie, zoals een rittenstaat, geen adequaat toezicht kan worden gehouden, omdat dit geen betrouwbaar registratiemiddel is. Voor zover [appellante sub 2] aanvoert dat een overtreding van artikel 4:3 van de Atw niet alleen mag worden gebaseerd op de uitkomsten van het softwareprogramma DIANTA, dient voorop te worden gesteld dat de Afdeling in haar uitspraak van 23 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3950), het gebruik van het softwareprogramma DIANTA als bewijsmiddel heeft aanvaard. Verder heeft [appellante sub 2] in haar zienswijze van 18 november 2015 bevestigd dat haar chauffeurs op de in het boeterapport genoemde data en tijdstippen zonder bestuurderskaart hebben gereden, zodat dit de uitkomst van DIANTA bevestigt. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat de minister heeft mogen concluderen dat [appellante sub 2] artikel 4:3 van de Atw heeft overtreden.

Het betoog faalt.

5.3. Het incidentele hoger beroep van [appellante sub 2] is ongegrond.

5.4. De Afdeling zal hierna zelf de hoogte van de boete vaststellen. Voor zover aan de orde, worden hierbij de gronden die [appellante sub 2] hierover in beroep heeft aangevoerd, betrokken.

Hoogte van de boete

6. De bepalingen van de Atw en het Atbv beogen de veiligheid en gezondheid van de bestuurder te beschermen en de verkeersveiligheid en eerlijke concurrentie te bevorderen. Met de ter uitvoering van deze bepalingen opgestelde Beleidsregel 2016 beoogt de minister bedrijven en bestuurders te dwingen altijd een juiste registratie van de arbeids- en rusttijden te voeren. In artikel 1, derde lid, van de Beleidsregel 2016 is bepaald dat bij de toepassing van het tweede lid van dit artikel onderscheid wordt gemaakt tussen overtredingen waarvoor direct bij constatering een bestuurlijke boete wordt opgelegd en die zijn genoemd in de lijst die is opgenomen als bijlage 2 bij deze beleidsregel en overtredingen waarvoor overeenkomstig bijlage 2 eerst een waarschuwing wordt gegeven. In bijlage 2 is vermeld dat alle overtredingen terzake van arbeids-, rij- en rusttijden bij het eerste bedrijfsonderzoek worden beboet. Gelet op het voorgaande is de in de bij de Beleidsregel 2016 behorende Tarieflijst vastgestelde boete van € 4.400,00 voor overtreding van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw in het algemeen niet onredelijk (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2044). Volgens de Beleidsregel 2016 bedraagt de maximale boete in dit geval, gelet op het aantal werknemers in dienst bij [appellante sub 2], 0,25 maal het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Ten tijde van het besluit van 8 november 2016 was dit een bedrag van € 67.000,00. Dit betekent dat aan [appellante sub 2] maximaal een boete van 0,25 maal € 67.000,00, oftewel € 16.750,00 had mogen worden opgelegd.

6.1. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2. is overwogen, mocht de minister voor alle 19 de overtredingen uit het boeterapport een boete opleggen. De minister heeft blijkens de besluitvorming beoordeeld of [appellante sub 2] de maximale zorg heeft betracht om de vastgestelde overtredingen te voorkomen en of toepassing van de Beleidsregel 2016 voor haar gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de Beleidsregel 2016 te dienen doelen. Daarvan is niet gebleken. De negentien overtredingen zijn geconstateerd in een periode van bijna vier weken. Het standpunt van [appellante sub 2] dat de boete onevenredig is omdat het hier gaat om één overtreding aangezien niet achterhaald kan worden welke chauffeur heeft gereden, volgt de Afdeling niet. Zoals ook hiervoor al onder 4.3 is overwogen, is dit een omstandigheid die voor alle overtredingen is te wijten aan [appellante sub 2]. Door het niet voeren van een deugdelijke registratie was controle op de naleving van de rij- en rusttijden niet mogelijk. Verder is van belang dat de arbeids- en rusttijden in een periode van bijna vier weken negentien keer niet conform de wettelijke bepalingen zijn geregistreerd. Hiermee hebben de overtredingen een structureel karakter (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2018). Voor matiging van de boete bestaat daarom geen grond.

Conclusie

7. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Dit betekent dat de hoogte van de boete zal worden vastgesteld op € 16.750,00 en dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 8 november 2016.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de minister gegrond;

II. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellante sub 2] ongegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 oktober 2018 in zaak nr. 16/7776, voor zover de rechtbank de hoogte van de boete heeft vastgesteld op € 2.805,00;

IV. bevestigt de tussenuitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 februari 2018 in zaaknr. 16/7776 geheel en de uitspraak van 4 oktober 2018 in zaak nr. 16/7776, voor het overige;

V. stelt de boete vast op € 16.750,00 (zegge: zestienduizend zevenhonderdvijftig euro);

VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 8 november 2016, kenmerk 071502812/08.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. A. ten Veen en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Langeveld-Mak
voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2019

317-859.

BIJLAGE - Wettelijk kader

Arbeidstijdenwet

Artikel 1:1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. werkgever:

[…]

2°. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°;

[…]

Artikel 2:7

1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat voor de bij die maatregel en de daarop berustende bepalingen omschreven arbeid of arbeid onder daarbij omschreven omstandigheden, deze wet en de daarop berustende bepalingen geheel of gedeeltelijk mede moeten worden nageleefd door een persoon die, zonder werkgever of werknemer te zijn in de zin van deze wet, deze arbeid verricht, indien zulks noodzakelijk is ter voorkoming van ernstig gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van andere personen.

[…]

Artikel 4:3

1. Een werkgever en een persoon als bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, voert een deugdelijke registratie terzake van de arbeids- en rusttijden welke het toezicht op de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen mogelijk maakt.

[…]

Artikel 10:5

1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar legt de bestuurlijke boete op aan de natuurlijke of rechtspersoon op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.

[…]

3. De ter zake van deze wet en de daarop berustende bepalingen gestelde overtredingen gelden ten opzichte van elke persoon, met of ten aanzien van wie de overtreding is begaan, en met betrekking tot elke dag in de loop waarvan deze overtreding is begaan.

[…]

Artikel 10:7

1. De bestuurlijke boete die voor een overtreding kan worden opgelegd bedraagt ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

[…]

6. Onze Minister stelt beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de overtredingen worden vastgesteld. Voor overtredingen begaan door personen, bedoeld in artikel 5:12, tweede lid, stellen Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister tezamen beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor die overtredingen worden vastgesteld. Artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing indien een artikel gesteld bij of krachtens de wet op grond waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, niet is nageleefd.

Wetboek van Strafrecht

Artikel 23

[…]

4. Er zijn zes categorieën:

de eerste categorie, € 335 ;

de tweede categorie, € 3 350 ;

de derde categorie, € 6 700 ;

de vierde categorie, € 16 750 ;

de vijfde categorie, € 67 000 ;

de zesde categorie, € 670 000.

[…]

Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet Arbeidstijdenbesluit vervoer (wegvervoer) 2016

Artikel 1

[…]

3. Bij de toepassing van het tweede lid wordt onderscheid gemaakt tussen:

a. overtredingen waarvoor direct bij constatering een bestuurlijke boete wordt opgelegd en die zijn genoemd in de lijst die is opgenomen als bijlage 2 bij deze beleidsregel, en

b. overtredingen waarvoor overeenkomstig bijlage 2 eerst een waarschuwing wordt gegeven (preventief handhavingstraject) en pas nadat eenzelfde overtreding nogmaals is geconstateerd, wordt overgegaan tot oplegging van een bestuurlijke boete.

Artikel 4

Bij een bedrijfsinspectie bedraagt het maximaal in het boeterapport op te nemen aantal personen ter zake waarvan een of meer overtredingen is vastgesteld voor een werkgever met:

a. minder dan 25 werknemers: 3,

b. 25 of meer, maar minder dan 50 werknemers: 6,

[…]

Artikel 5

1. De boete die maximaal per boetebeschikking kan worden opgelegd bij een eerste bedrijfsinspectie voor een bedrijf met 100 of meer werknemers, bedraagt ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

2. Voor de werkgever die een van het eerste lid afwijkend aantal werknemers in dienst heeft, worden de volgende uitgangspunten gehanteerd voor de maximaal op te leggen boete bij een eerste bedrijfsinspectie:

a. 0,25 maal het bedrag genoemd in het eerste lid bij minder dan 25 werknemers;

b. 0,50 maal het bedrag genoemd in het eerste lid bij 25 of meer, maar minder dan 50 werknemers;

c. 0,75 maal het bedrag genoemd in het eerste lid bij 50 of meer maar minder dan 100 werknemers.

Artikel 8

De Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer (wegvervoer), zoals die luidde voor de vaststelling van deze nieuwe beleidsregel, blijft van toepassing op overtredingen die voor de inwerkingtreding van deze nieuwe beleidsregel begaan zijn.

Bijlage 1

Bijlage 2 LIJST OVERTREDINGEN WAARVOOR DIRECT EEN BESTUURLIJKE BOETE WORDT OPGELEGD ALS BEDOELD IN ARTIKEL 1, DERDE LID, ONDER A, VAN DE BELEIDSREGEL BOETEOPLEGGING ARBEIDSTIJDENWET EN ARBEIDSTIJDENBESLUIT VERVOER

Transportinspectie

- Alle overtredingen terzake van arbeids-, rij- en rusttijden.

- De overtredingen ten aanzien van registratiemiddelen:

• het niet aanwezig zijn van registratie- en controlemiddelen;

• het onjuist gebruik van registratie- en controlemiddelen;

• het misbruik van registratie- en controlemiddelen;

• het niet aangeven van ‘belangrijke gegevens’ op een registratiemiddel, waarmee wordt bedoeld die gegevens die achteraf eenvoudig kunnen worden gewijzigd.

Bedrijfsinspectie

Bij het eerste bedrijfsonderzoek worden alle overtredingen (direct) beboet die vallen in de categorie heel belangrijke inbreuk.

[…]