Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2954

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-08-2019
Datum publicatie
28-08-2019
Zaaknummer
201801780/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "De Rentmeester te Naaldwijk" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2019/7026
ABkort 2019/478
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801780/1/R3.

Datum uitspraak: 28 augustus 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    Stichting Spoorwegpensioenfonds, gevestigd te Utrecht, en anderen,

2.    [appellant sub 2], wonend te Naaldwijk, gemeente Westland, en anderen,

3.    Detailconsult Supermarkten B.V., gevestigd te Amsterdam,

4.    [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]) beiden wonend te Naaldwijk, gemeente Westland,

5.    [appellant sub 5], wonend te Naaldwijk, gemeente Westland, en anderen,

6.    [appellant sub 6], wonend te Naaldwijk, gemeente Westland,

appellanten,

en

1.    de raad van de gemeente Westland,

2.    het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "De Rentmeester te Naaldwijk" vastgesteld.

Bij besluit van 10 januari 2018 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van woningen, een winkel, kantoren en parkeervoorzieningen, het plaatsen van reclame, het aanleggen van een uitrit en het veranderen van wegen.

Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Aan de gecoördineerde voorbereiding van deze besluiten ligt het besluit van de raad van 5 oktober 2010 ten grondslag.

Tegen deze besluiten hebben Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen, [appellant sub 2] en anderen, Detailconsult Supermarkten B.V., [appellant sub 4], [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 6] beroep ingesteld.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 25 oktober 2018 heeft het college wederom een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bouwwerk en het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan.

Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen, [appellant sub 2] en anderen, Detailconsult Supermarkten, [appellant sub 4], [appellant sub 5], de raad en Samen Ontwikkelen Westland B.V. (hierna: SOW), hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 maart 2019, waar Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], [gemachtigde B] en mr. M. Klijnstra, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door mr. J. Geelhoed, advocaat te Honselersdijk, Detailconsult Supermarkten B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde C], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde D], en de raad en het college, vertegenwoordigd door drs. T. Hooft, drs. G. Foeken, drs. D.F.E. Woning, R.W. de Groot en mr. D.S.P. Roelands-Fransen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen. Voorts is ter zitting SOW, vertegenwoordigd door [gemachtigde E] en mr. J. Bouwman-Treffers, advocaat te Naaldwijk, gehoord.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken overgelegd.

Overwegingen

Wijzigingsbesluit

1.    [appellant sub 5] en anderen, Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen en Detailconsult Supermarkten B.V. hebben verschillende stellingen naar voren gebracht in reactie op het wijzigingsbesluit van 25 oktober 2018. De Afdeling zal hier eerst op in gaan.

2.    Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen en [appellant sub 5] en anderen stellen dat omdat sprake is van een gecoördineerde besluitvorming, het niet mogelijk is een gecoördineerde omgevingsvergunning te wijzigen zonder tevens het gecoördineerde bestemmingsplan te wijzigen.

2.1.    De Afdeling overweegt dat de coördinatieregeling, als opgenomen in de artikelen 3.30 en verder van de Wro, er niet aan in de weg staat dat een verleende omgevingsvergunning wordt gewijzigd.

    Het betoog faalt.

3.    Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen stellen dat niet duidelijk is welke onderdelen van het besluit zijn gewijzigd.

3.1.    Het college stelt dat de wijzigingen in het besluit van 25 oktober 2018 steeds zijn aangegeven met de tekst "(wijziging W-AV-2014-1231)". De wijzigingen zijn door de vergunninghouder bovendien inzichtelijk gemaakt op de tekeningen die als bijlage 4 zijn bijgevoegd bij het nadere stuk, dat de raad op 27 februari 2019 heeft ingebracht. De Afdeling acht dit toereikend.

    Het betoog faalt.

4.    Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen stellen dat de wijzigingen in het besluit van 25 oktober 2018 de indruk wekken dat sprake is van een geheel nieuwe aanvraag. Volgens hen is het dan niet toegestaan de omgevingsvergunning te wijzigen zonder zowel een nieuwe ontwerp-omgevingsvergunning als een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen. Artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan volgens hen niet van toepassing zijn op de gewijzigde omgevingsvergunning. [appellant sub 5] en anderen achten de wijzigingen van het bouwplan niet van ondergeschikte aard. [appellant sub 2] en anderen stellen ook dat ten opzichte van het oorspronkelijke bouwplan grote wijzigingen zijn doorgevoerd.

4.1.    Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb luidt: "Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben."

4.2.    De wijzigingen van het besluit betreffen volgens het college wijzigingen van ondergeschikte aard. Zij zijn de uitkomst van nader overleg tussen SOW en de VvE de Secretaris. Wanneer sprake is van wijzigingen van ondergeschikte aard, kan een besluit via de band van artikel 6:19 Awb worden betrokken in de procedure, aldus het college.

4.3.    Bij het besluit van 25 oktober 2018 zijn wijzigingen aangebracht in de omgevingsvergunning, en wel in die zin dat het bij het besluit van 10 januari 2018 vergunde bouwplan op onderdelen is gewijzigd alsmede de bij dat besluit vergunde uitweg. Hierbij is het bouwplan echter in hoofdzaak gelijk gebleven. Het bouwplan voorziet nog steeds in commerciële ruimte in de plint, 47 appartementen daarboven en parkeergelegenheid voor bewoners, personeel en bezoekers. Zowel de hoogte als de massa van het gebouw blijven gelijk in vergelijking tot het eerder vergunde bouwplan. Wel wordt de binnenruimte verkleind. De parkeergarage voor bewoners van "De Rentmeester" is uitgebreid, niet meer verbonden met de andere parkeergarage en voorzien van een aparte in- en uitrit aan de Simon van Slingerlandstraat. Nu er beroepen tegen de vergunning van 10 januari 2018 aanhangig zijn, maken de bij het besluit van 25 oktober 2018 aangebrachte wijzigingen van die vergunning van rechtswege deel uit van de onderhavige procedure. De Afdeling is van oordeel dat het besluit van 25 oktober 2018 op grond van artikel 6:19 van de Awb deel uitmaakt van de procedure tegen het besluit van 10 januari 2018 en dat het betoog dat het besluit van 25 oktober 2018 op grondslag van een nieuwe aanvraag had dienen te worden genomen, gelet op hetgeen hiervoor over de ondergeschikte aard van de daarbij aangebrachte wijzigingen is overwogen, niet slaagt.

5.    Detailconsult Supermarkten stelt dat de gewijzigde omgevingsvergunning niet in stand kan blijven, omdat de omgevingsvergunning vergund zou zijn op basis van het bestemmingsplan "De Rentmeester te Naaldwijk" van 13 september 2016, welk plan bij uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1309, is vernietigd.

5.1.    De Afdeling overweegt dat deze stelling feitelijke grondslag mist. De gewijzigde omgevingsvergunning is verleend op basis van het bestemmingsplan "De Rentmeester te Naaldwijk" dat bij besluit van 12 december 2017 opnieuw is vastgesteld en op 3 februari 2018 in werking is getreden.

6.    Gelet op het voorgaande is het besluit van 25 oktober 2018, waarbij het college aan SOW een omgevingsvergunning voor een gewijzigd bouwplan heeft verleend, van rechtswege onderwerp van dit geding. Dat wil zeggen dat aan de zijde van Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen, [appellant sub 2] en anderen, Detailconsult Supermarkten B.V., [appellant sub 4], [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 6] een beroep van rechtswege is ontstaan.

Het plan

7.    Het plan heeft betrekking op het gebied dat wordt omringd door de Secretaris Verhoeffweg, de Patijnenburg, de Willem van Hooffstraat en de Simon Slingelandstraat te Naaldwijk. Het gebied grenst aan het bestaande winkelcentrum De Tuinen. Door het plan krijgt het gebied grotendeels de bestemming "Gemengd", en is daarmee ingevolge de bestemmingsomschrijving in artikel 3, lid 3.1, aanhef, van de planregels, bestemd voor:

(a) wonen;

(b) detailhandel, uitsluitend op de begane grond één winkelunit, zijnde een supermarkt, met een maximum winkelvloeroppervlak van 3.750 m2, met aanvullend op deze winkelunit daarbij behorende kantoorruimte, ondergeschikte horeca, magazijnen, personeelsruimten, laad- en losvoorzieningen, technische ruimten, bergingen en andere  nevenruimten;

(c) kantoor met een maximum van 150 m2;

(d) gebouwde parkeervoorzieningen;

(e) bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals bergingen, groen, wegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen en water.

In de toelichting bij het plan wordt gesproken over een Jumbo Foodmarkt, een formule met het grootste foodassortiment van Nederland. Het college heeft dienovereenkomstig voor het bouwplan "De Rentmeester" een omgevingsvergunning verleend aan SOW. Het voorziene gebouw wordt tegen het bestaande appartementencomplex De Secretaris aan de Secretaris Verhoeffweg aangebouwd.

7.1.    Het plan bevat volgens de raad een verbeterde onderbouwing ten opzichte van het bestemmingsplan "De Rentmeester te Naaldwijk", zoals dat is vastgesteld bij besluit van 13 september 2016 en zoals dat aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2017. Er is een nieuwe rapportage verschenen inzake de laddertoets. Voor het overige zijn bestaande rapportages geactualiseerd.

Toetsingskader

8.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Inleiding

9.    Stichting Spoorwegpensioenfonds is eigenaar van winkelcentrum De Tuinen. De mede-indieners van het beroepschrift van Stichting Spoorwegpensioenfonds zijn winkels die concurrentie kunnen ondervinden van de voorziene supermarkt. Detailconsult Supermarkten is huurder van het pand in winkelcentrum De Tuinen waar met ingang van 4 juli 2017 een Dirk-supermarkt is gevestigd. Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen en Detailconsult Supermarkten zijn van mening dat de beoogde megasupermarkt niet bijdraagt aan een versterking van het bestaande (winkel)centrum van Naaldwijk. Zij vrezen dat sprake zal zijn van een enorm overaanbod en dat aldus een verslechtering van het bestaande winkelgebied zal optreden.

    [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 4], [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 6] zijn omwonenden. Zij zijn woonachtig aan de Secretaris Verhoeffweg of de Cottierstraat, welke beide zijn gelegen in de directe omgeving van het plangebied.

Ontvankelijkheid

10.    [appellant sub 6], [appellant sub 4] en [appellant sub 2] en anderen hebben bezwaren tegen het bestemmingsplan vanwege de ontwikkeling van de supermarkt en alles wat daarmee samenhangt.

10.1.    De raad stelt dat de beroepen van [appellant sub 6], [appellant sub 4] en [appellant sub 2] niet-ontvankelijk zijn, omdat zij geen zienswijze naar voren hebben gebracht.

10.2.    Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

    Het ontwerpplan is blijkens de kennisgeving met ingang van 8 april 2016 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd.

    [appellant sub 6], [appellant sub 4] en [appellant sub 2] en anderen hebben geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

    Deze omstandigheid doet zich - behalve voor zover de beroepen zich richten tegen het gewijzigd vastgestelde plandeel met de bestemming "Gemengd" en de aanduiding "maximum bouwhoogte 18,5 m" - niet voor.  Geen rechtvaardiging is gelegen in de door [appellant sub 6], [appellant sub 4] en [appellant sub 2] en anderen gestelde omstandigheid dat de ontwikkelaar SOW dreigde gebruik te maken van de boeteclausule in de koopovereenkomsten met betrekking tot hun woningen, indien zij zienswijzen zouden indienen. De betreffende clausule is neergelegd in een overeenkomst en de vraag of die clausule partijen wel of niet bindt, is een vraag die aan de burgerlijke rechter moet worden voorgelegd. Een dergelijke in een overeenkomst opgenomen clausule heeft, zoals reeds eerder door de Afdeling is uitgemaakt, geen publiekrechtelijke gevolgen - zie de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 1990, ECLI:NL:RVS:1990:AN1224 -, in die zin dat een beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard als het instellen daarvan strijdig is met een in een overeenkomst neergelegde afspraak dat geen rechtsmiddelen zullen worden aangewend. In dat licht bezien moet in het voorliggende geval worden geoordeeld dat [appellant sub 6], [appellant sub 4] en [appellant sub 2] en anderen een zienswijze hadden kunnen indienen tegen het met ingang van 8 april 2016 ter inzage gelegde ontwerp-bestemmingsplan. Een dergelijke zienswijze had niet op grond van de door deze partijen gemaakte afspraak met de projectontwikkelaar buiten behandeling kunnen worden gelaten. De Afdeling is voorts van oordeel dat die afspraak niet meebrengt dat de hoofdregel van artikel 6:13 van de Awb niet van toepassing is. De Afdeling ziet in die afspraak, nu deze alleen tussen partijen geldt en geen publiekrechtelijke gevolgen heeft, geen aanleiding om aan te nemen dat genoemde partijen redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen zienswijzen naar voren hebben gebracht.

    De beroepen van [appellant sub 6] en [appellant sub 4] zijn in zoverre niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellant sub 2] tegen het bestemmingsplan is niet-ontvankelijk.

COÖRDINATIEPROCEDURE

11.    [appellant sub 5] en anderen vragen zich af of de procedure van artikel 3.30 Wro in dit geval mocht worden toegepast. Naar de mening van [appellant sub 5] en anderen is hier namelijk geen sprake van een geval waarin de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid dit wenselijk maakt. Ter onderbouwing van het ontbreken van dit beleid wijzen zij op paragraaf 3.1 van de toelichting van het plan.

11.1.    Artikel 3.30, eerste lid, van de Wro luidt: "Bij besluit van de gemeenteraad kunnen gevallen of categorieën van gevallen worden aangewezen waarin de verwezenlijking van  een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid het wenselijk maakt dat:

a. de voorbereiding en bekendmaking van nader aan te duiden, op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten worden gecoördineerd, of

b. de voorbereiding en bekendmaking van een bestemmingsplan, een wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, wordt gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van besluiten als bedoeld onder a.

11.2.    Volgens de raad is niet duidelijk waarom [appellant sub 5] en anderen menen dat het plan niet voorziet in het verwezenlijken van gemeentelijk ruimtelijk beleid. Het plan voorziet in het realiseren van appartementen, hetgeen past binnen de Woonvisie die voor Westland is vastgesteld. Voorts voorziet het plan in het realiseren van een supermarkt in overeenstemming met de Detailhandelsstructuurvisie Westland, nu daarmee de detailhandelsstructuur wordt versterkt en wordt voorkomen dat omzet weglekt naar omliggende gemeenten. Evident is daarom volgens de raad dat sprake is van een ontwikkeling, die op grond van artikel 3.30 Wro met toepassing van de (gemeentelijke) coördinatieregeling vergund kan worden. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat geen toepassing mocht worden gegeven aan deze coördinatieregeling.

    Het betoog faalt.

Inhoudelijk

ARTIKEL 3.1.6, TWEEDE LID, VAN HET BESLUIT RUIMTELIJKE ORDENING

12.    Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen en Detailconsult Supermarkten betogen dat niet afdoende is getoetst aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), en zijn bovendien van opvatting dat er geen behoefte bestaat aan een megasupermarkt in Naaldwijk. Het onderzoek "Onderbouwing Jumbo Foodmarkt Naaldwijk - de Rentmeester" van BSP van 3 oktober 2017 (hierna: het rapport van BSP van 3 oktober 2017) schiet naar de opvatting van Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen en Detailconsult Supermarkten tekort. Ter onderbouwing van dit betoog hebben zij het rapport "Haalbare supermarktruimte in Naaldwijk-Centrum 2017-2027" van Ecorys van 12 juli 2018 (hierna: het Ecorys-rapport) overgelegd. Detailconsult Supermarkten wijst erop dat het vrijgekomen winkelgedeelte van V&D in winkelcentrum "De Tuinen" niet is meegenomen in het rapport van BSP van 3 oktober 2017.

     Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen betogen dat ten onrechte slechts de distributieve ruimte is berekend op de schaal van de gemeente Westland, waarmee de gevolgen voor Naaldwijk zelf worden gemaskeerd. Er wordt alleen rekening gehouden met de behoefte aan extra supermarktmeters en ten onrechte niet met de behoefte aan extra detailhandel in het dagelijkse assortiment. Het dagelijkse assortiment wordt nu ten onrechte helemaal niet meegenomen, aldus Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen.

    Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen stellen dat er geen voldoende waarborg is dat Jumbo Emmastraat uit de markt wordt gehaald. Bovendien is daarmee ook niet gewaarborgd dat daar geen andere vormen van dagelijkse detailhandel worden gevestigd.

    [appellant sub 5] en anderen stellen dat het onderzoek van BSP te kort schiet, maar wijzen in het bijzonder op de beperkte onderbouwing in bijlage 6 van het rapport waar wordt ingegaan op de inventarisatie van de bestemmingsplancapaciteit. Zij achten die onderbouwing gebrekkig, omdat het niet de kern van Naaldwijk bespreekt en bovendien de capaciteit van andere kernen terzijde plaatst omdat dit panden betreft met een beperkte omvang. [appellant sub 5] en anderen wijzen op het feit dat het vorenstaande niet in lijn is met de opdracht van de Afdeling die volgt uit de eerdere uitspraak waarbij het plan werd vernietigd.

12.1.    Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro luidt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

12.2.    In het rapport van BSP van 3 oktober 2017, dat als bijlage bij de toelichting is gevoegd, is onderbouwd dat het plan zowel in een kwantitatieve als een kwalitatieve behoefte voorziet en daarmee voldoet aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Hierin is aangegeven dat de gemeente Westland het primaire onderzoeksgebied vormt en de directe schil rondom de gemeente (Den Haag, Rotterdam, Hoek van Holland en Midden-Delfland) het secundaire onderzoeksgebied. Voor het becijferen van de vraag naar supermarktmeters is een zogenoemde distributieve berekening gemaakt. De meest actuele data, kengetallen en prognoses zijn gehanteerd omtrent de ontwikkeling van het inwoneraantal, de bestedingen, de koopstromen, de vloerproductiviteit en het supermarktaanbod. Geconcludeerd wordt dat de distributieve ruimte in 2020 3.820 m2 wvo bedraagt, oploopt naar 4.810 m2 wvo in 2027 en 5.300 m2 wvo in 2030 bedraagt, als gevolg van een sterke bevolkingsaanwas in die periode. Daarmee is de toevoeging van een Jumbo Foodmarkt van 3.750 m2 in de gemeente Westland volgens het rapport van BSP van 3 oktober 2017 distributief verantwoord. Vermeld is dat bij die berekening nog geen rekening is gehouden met de "extra" distributieve ruimte van 1.470 m2 wvo die Jumbo Foodmarkt zal genereren door wijziging van koopstromen, dat wil zeggen een verhoogde koopkrachtbinding en -toevloeiing. Volledigheidshalve is ook een distributieve berekening gemaakt voor de totale dagelijkse sector, bestaande uit supermarkten, speciaalzaken in voedings- en genotmiddelen en drogisterij- en parfumeriezaken. Deze berekening is opgenomen in bijlage 4 bij het rapport van BSP van 3 oktober 2017 en leidt tot vergelijkbare uitkomsten. Dit impliceert volgens het rapport dat er ook bij realisatie van de Jumbo Foodmarkt nog behoefte resteert voor nieuwe dagelijkse detailhandel inclusief supermarkten. In het rapport staat dat dit te maken heeft met de forse bevolkingsaanwas.

    In het rapport van BSP van 3 oktober 2017 staat dat Jumbo Foodmarkt in Naaldwijk niet alleen in een kwantitatieve, maar ook in een kwalitatieve behoefte voorziet. Hiertoe is vermeld dat Jumbo Foodmarkt een unieke formule is met het grootste foodassortiment van Nederland, gericht op de verkoop van vers tegen de laagste prijs. De consument kan maaltijdingrediënten kopen en het gerecht zelf thuis maken, of het gerecht kant-en-klaar meenemen en thuis of ter plaatse nuttigen in het Foodmarkt Café. Met ruim 105.000 inwoners, groeiend naar bijna 125.000 inwoners kent de gemeente Westland voldoende omvang om één grotere, bijzondere supermarkt te motiveren, zo staat in het rapport van BSP van 3 oktober 2017. Jumbo Foodmarkt bewijst dit in Veghel, Amsterdam-Noord en Breda, waar de winkels in omvang en samenstelling min of meer eenzelfde marktgebied bedienen. Een Jumbo Foodmarkt kent een relatief groot bereik en is in staat een grote, en voor een belangrijk deel nieuwe klantenstroom aan te boren. De komst van een Jumbo Foodmarkt hoeft niet ten koste te gaan van supermarkten en ontwikkelingen elders in het verzorgingsgebied, zo blijkt volgens het rapport van BSP uit de ervaringen met de bestaande Jumbo Foodmarkt-vestigingen in Breda, Amsterdam en Veghel.

    Over de leegstand staat in het rapport van BSP van 3 oktober 2017 dat deze niet substantieel oploopt als gevolg van de vestiging van Jumbo Foodmarkt. De leegstand bedraagt in theorie 940 m2 wvo, en wordt weer snel ingelopen door de toenemende distributieve ruimte als gevolg van de bevolkingsaanwas. Kortom, er is volgens het rapport geen gevaar dat er sterk oplopende leegstand of structurele leegstand zal ontstaan als gevolg van het initiatief. Het plan leidt dus niet tot een zodanige overcapaciteit dat er via de weg van leegstand sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat en ondernemersklimaat, zo staat in het rapport van BSP. Volgens het rapport zal de komst van een Jumbo Foodmarkt juist een nieuwe impuls geven aan winkelcentrum De Tuinen en Naaldwijk Centrum. Hiertoe is vermeld dat de koopstromen aanzienlijk toenemen, waardoor Naaldwijk Centrum aantrekkelijker wordt voor vestiging van andere winkels, horeca en publieksvoorzieningen. De kans dat (structurele) leegstand in het centrum sneller wordt opgelost of voorkomen, wordt mede door de komst van Jumbo Foodmarkt vergroot.

12.3.    In het Ecorys-rapport is onder andere geconcludeerd dat de harde plancapaciteit met 5.399 m2 wvo substantieel hoger is dan de 990 m2 wvo die in het rapport van BSP van 3 oktober 2017 is verondersteld, en dat daarmee de marktruimte voor en behoefte aan Jumbo Foodmarkt niet kan worden aangetoond.

    Met betrekking tot de kwalitatieve behoefte concludeert het Ecorys-rapport dat er geen kwalitatieve behoefte is aan Jumbo Foodmarkt, noch dat de winkel een kwalitatieve meerwaarde vormt voor de gemeente Westland.

    In het Ecorys-rapport staat dat bij realisering van Jumbo Foodmarkt een leegstandsrisico voor de gevestigde dagelijkse detailhandel in Naaldwijk ontstaat ter grootte van een kwart van de aanwezige m2 wvo van deze tak van de detailhandel. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de mogelijke sluiting van zo'n 14 winkels in niet-dagelijkse detailhandel.

12.4.    Tussen partijen bestaat in het bijzonder discussie over de vraag of voldoende marktruimte bestaat voor het vestigen van een Jumbo Foodmarkt. In de terzake door Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen en de raad overgelegde onderzoeksrapporten wordt op basis van verschillende aannames over onder meer de harde plancapaciteit en de bevolkingsprognoses tot een bevestigende beantwoording van die vraag gekomen. De Afdeling overweegt dat het bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een behoefte aan detailhandel, er niet om gaat of daarvoor marktruimte bestaat, maar of de betreffende detailhandelsontwikkeling een zodanige leegstand tot gevolg zal hebben dat dit tot een uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare situatie zal leiden. De omstandigheid dat een kwantitatieve behoefte ontbreekt, de omstandigheid dat een ruimtelijke ontwikkeling zal leiden tot een overaanbod in een bepaalde branche en de omstandigheid dat een ruimtelijke ontwikkeling zal leiden tot een marktverschuiving in een bepaalde branche, tot een sluiting van ondernemingen, of tot leegstand betekenen nog niet dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. De Afdeling heeft dit eerder overwogen in overwegingen 9.8 en 9.9 van haar uitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724.

12.5.    Als bijlage 2 bij het nadere stuk van de raad van 27 februari 2019 is overgelegd het rapport "Jumbo Foodmarkt Naaldwijk - de Rentmeester reactie op rapport Ecorys" van BSP van 27 februari 2019 (hierna: het rapport van BSP van 27 februari 2019). Hierin staat: "In haar rapportage komt Ecorys met distributieve berekeningen waarvan de uitkomsten afwijken van die van BSP. Dit resulteert in een lagere indicatieve uitbreidingsruimte. Tegelijkertijd beweert Ecorys dat de harde plancapaciteit, waarmee de uitkomsten van de distributieve berekeningen geconfronteerd moeten worden, aanzienlijk groter is dan BSP veronderstelt. Samen leidt dit tot een heel ander beeld van de huidige en toekomstige marktverhoudingen voor supermarkten in de gemeente Westland." Op bladzijde 24 en 25 van het rapport van BSP van 27 februari 2019 wordt beargumenteerd dat de uitgangspunten van de distributieve berekeningen van BSP juist zijn en dat Ecorys bijvoorbeeld onjuiste bevolkingsprognoses hanteert. Uitgaande van de juiste uitgangspunten concludeert BSP nu dat in 2027 de distributieve ruimte 5.801 m2 wvo bedraagt. Verder is vermeld: "De berekende uitbreidingsruimte voor 2027 dient vervolgens te worden geconfronteerd met de harde plancapaciteit in de gemeente Westland. BSP gaat uit van 990 m2 wvo aan harde plancapaciteit (zijnde de inmiddels in gebruik genomen Jumbo Kwintsheul). Ecorys hanteert 5.399 m2 wvo (inclusief 3.160 m2 wvo ten behoeve van de Jumbo Foodmarkt in De Rentmeester), wat past binnen de door BSP berekende distributieve uitbreidingsruimte. Zelfs wanneer we uitgaan van het door Ecorys veronderstelde gevestigde aanbod leidt de confrontatie tussen uitbreidingsruimte en plancapaciteit tot een evenwicht tussen vraag en aanbod".  De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat het rapport van BSP van 3 oktober 2017, zoals nader toegelicht met genoemd rapport van BSP van 27 februari 2019, zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad zich daarop niet mocht baseren. De raad heeft voldoende gemotiveerd dat de uitgangspunten en de berekeningen, die ten grondslag liggen aan de rapporten van BSP, deugdelijk zijn, in het bijzonder voor wat betreft bevolkingsgroei, distributieve ruimte, plancapaciteit en omvang van het marktgebied.

     Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen hebben ter zitting naar voren gebracht dat geen rekening is gehouden met recent gevestigde detailhandel, waaronder de Action. De raad heeft echter toegelicht dat dit aanbod past binnen de distributieve berekeningen. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Met betrekking tot het betoog van Detailconsult Supermarkten dat het vrijgekomen winkelgedeelte van V&D in winkelcentrum "De Tuinen" niet is meegenomen in het rapport van BSP van 3 oktober 2017, wordt overwogen dat in het voormalige V&D-pand een Dirk-supermarkt is gevestigd. Deze is meegenomen in de wvo’s voor het gevestigde aanbod zoals opgenomen in de tabel op bladzijde 15 van het rapport van BSP van 3 oktober 2017. Ten aanzien van het betoog van Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen dat ten onrechte slechts de distributieve ruimte is berekend op de schaal van de gemeente Westland, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat het in overeenstemming is met de geldende standaarden, waartoe diverse onderzoeksbureaus zich hebben gecommitteerd, om de distributieve ruimte voor de gemeente Westland in kaart te brengen. Op bladzijde 16 van het rapport van BSP van 3 oktober 2017 is aangegeven dat ook een distributieve berekening is gemaakt voor de totale dagelijkse sector. Deze berekening is opgenomen in bijlage 4 van het rapport van BSP van 3 oktober 2017 en leidt eveneens tot de conclusie dat de toevoeging van een Jumbo Foodmarkt in de gemeente Westland distributief verantwoord is. Niet aannemelijk is gemaakt dat de uitgangspunten in het onderzoek van 3 oktober 2017 in zoverre onjuist zijn.

    Voorts wordt overwogen dat op basis van vaste jurisprudentie geldt dat bij een laddertoets gekeken moet worden naar de distributieve ruimte binnen de planperiode van in beginsel tien jaar. In dit geval is gekeken naar het jaar 2027 en vastgesteld dat dan ruimschoots voldoende distributieve ruimte aanwezig is (4.810 m2 wvo). In 2020 - het geplande jaar van openstelling - betreft de distributieve ruimte 3.820 m2 wvo. Om inzichtelijk te maken dat ook in 2020 ruimschoots voldoende distributieve ruimte aanwezig is, is volgens de raad door de exploitant van de Jumbo Foodmarkt aangegeven dat de bestaande Jumbo aan de Emmastraat gesloten zal blijven en geen andere supermarkt ter plaatse gevestigd zal worden, in ieder geval niet tot het einde van het huurcontract in 2027. De Afdeling is van oordeel dat aldus voldoende aannemelijk is dat geen andere supermarkt dan wel andere detailhandel in dagelijkse goederen op de locatie in de Emmastraat gevestigd zal worden tot 2027.

12.6.    Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 5] en anderen over de beperkte onderbouwing in bijlage 6 van het rapport van BSP van 3 oktober 2017 waar wordt ingegaan op de inventarisatie van de bestemmingsplancapaciteit, wordt als volgt overwogen. In de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2017 is een aantal gebreken in de berekening van de distributieve ruimte geconstateerd. De raad stelt dat met inachtneming van die uitspraak een volledig nieuw rapport is opgesteld waarin het volledige bestaande aanbod is afgezet tegen de behoefte aan een supermarkt in 2020, 2027 en 2030. Daaruit volgt dat zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin behoefte bestaat aan de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling. In paragraaf 1.3 van het rapport van BSP van 3 oktober 2017 is onder meer ingegaan op de vraag of elders binnen de gemeente Westland geschikte panden aanwezig zijn waar een supermarkt zou kunnen worden gevestigd. Daartoe is voor de kern Naaldwijk de focus gelegd op winkelcentrum De Tuinen omdat dat de enige locatie is in Naaldwijk met winkelunits die voldoende groot zijn om een supermarkt te huisvesten en een bestemming heeft die een supermarkt toelaat. Elders in Naaldwijk zijn dergelijke locaties niet beschikbaar. BSP heeft alle grotere panden en alle leegstaande panden onderworpen aan een planologische toets terzake, ook voor de kern Naaldwijk. In bijlage 6 is voor de kernen binnen de gemeente Westland in kaart gebracht of terzake plancapaciteit beschikbaar is. Ook hier is geconstateerd dat de betrokken panden over het algemeen te klein zijn waardoor meerdere panden aan elkaar geschakeld zouden moeten worden teneinde aldaar een supermarkt te kunnen vestigen, met alle daaraan ook verbonden financiële, logistieke, parkeer- en bouwtechnische gevolgen van dien. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat die onderbouwing van de bestemmingsplancapaciteit gebrekkig is.

    De betogen falen.

DE VERORDENING RUIMTE 2014 VAN ZUID-HOLLAND

13.    Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen, Detailconsult Supermarkten en [appellant sub 5] en anderen voeren aan dat het plan in strijd is met artikel 2.1.4, tweede lid, van de Verordening ruimte 2014 (hierna: de Verordening).

    Aan beide eisen in het tweede lid wordt volgens de Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen niet voldaan. In het Programma ruimte is Naaldwijk Centrum aangewezen als "te optimaliseren" centrum. Dat betekent volgens het Programma ruimte dat gewerkt kan worden aan de verbetering van de (concurrentie)positie met alle denkbare middelen, in principe zonder netto toevoeging van winkelmeters. Een eventuele beperkte uitbreiding dient in het teken van structuurverbetering te staan.

    Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen betogen dat de beoogde ontwikkeling niet beperkt is, daar zij 3.750 m2 wvo bedraagt. Dat blijkens het rapport van BSP in het centrum van Naaldwijk een grotere ontwikkelpotentie is aangetoond dan in het provinciale beleid wordt geboden, zoals de raad thans stelt, is geen geldige reden om af te wijken van het bepaalde in de provinciale verordening, aldus Stichting spoorwegpensioenfonds en anderen. Daar komt volgens hen nog bij dat de onderbouwing van BSP gebrekkig is en bovendien is gebaseerd op het gestelde unieke concept van een Jumbo Foodmarkt, terwijl dit concept niet planologisch is verankerd.

    Dat daarnaast sprake is van een structuurverbetering is irrelevant, nu niet is voldaan aan de voorwaarde dat ook uitbreiding beperkt moet zijn.

    Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen kunnen zich evenmin verenigen met de onderbouwing met betrekking tot het bepaalde in artikel 2.1.4, tweede lid, onder b, van de Verordening. Ook hiervoor geldt dat het ter onderbouwing daarvan opgevoerde nieuwe rapport van BSP nieuwe uitgangspunten hanteert, waaraan gebreken kleven en die ten onrechte zijn gebaseerd op het gestelde unieke Jumbo Foodmarktconcept. Voorts zijn ruim twee jaren verstreken sinds de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland haar negatieve advies gaf en wordt thans een uniek concept ten grondslag gelegd aan het plan. Dit had voor de raad aanleiding moeten zijn opnieuw advies te vragen aan de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland. Nu dit niet is gebeurd, blijft het plan ook op dit punt in strijd met artikel 2.1.4, tweede lid, van de Verordening, aldus Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen.

13.1.    Artikel 2.1.4, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening luidt:

"De nieuwe detailhandel, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de volgende eisen:

a. de ontwikkeling is in overeenstemming met het in het Programma ruimte beschreven ontwikkelingsperspectief voor de daarin benoemde te ontwikkelen centra, te optimaliseren centra en de overige aankoopplaatsen; b. voor zover de ontwikkeling een omvang heeft van meer dan 2000 m2 bruto vloeroppervlak, voorziet het bestemmingsplan hier uitsluitend in als is aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat en mede met het oog hierop advies is gevraagd aan de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland."

13.2.    In het Programma ruimte is Naaldwijk aangemerkt als een te optimaliseren centrum. Daarvoor geldt dat ruimtelijke ontwikkelingen die met nieuwe detailhandel gepaard gaan, in de toelichting op het bestemmingsplan worden onderbouwd via de ladder voor duurzame verstedelijking. Daarnaast moet inzicht gegeven worden in de eventuele toename van de leegstand en de gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit in het verzorgingsgebied, alsmede eventuele mogelijkheden voor saldering. In de Verordening ruimte is aangegeven dat nieuwe detailhandel primair binnen of aansluitend aan een bestaande winkelconcentratie moet worden gerealiseerd. Voor (ontwerp)bestemmingsplannen die nieuwe detailhandel groter dan 2000 m² bruto vloeroppervlak binnen de centra mogelijk maken, moet worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat en de ruimtelijke kwaliteit niet onevenredig worden wordt aangetast. Het gaat daarbij onder meer om het voorkomen van onaanvaardbare leegstand. Met het oog hierop is advies nodig van de Adviescommissie Detailhandel Zuid-Holland en wordt zo nodig een distributieplanologisch onderzoek (DPO) uitgevoerd.

13.3.    De ontwikkeling betreft de bouw van een supermarkt op de begane grond met een maximum winkelvloeroppervlak van 3.750 m2, welke door de toevoeging van winkelmeters uitsluitend mogelijk is wanneer in het bestemmingsplan een onderbouwing is opgenomen dat het plan voorziet in een goed woon- en leefklimaat.

    Zoals hiervoor is gebleken heeft BSP een nieuwe onderbouwing van 3 oktober 2017 opgesteld voor de vestiging van een Jumbo Foodmarkt met een winkelvloeroppervlak van 3.750 m2 op het perceel aan de Patijnenburg. Deze onderbouwing is ten grondslag gelegd aan het opnieuw vastgestelde bestemmingsplan. In de hoofdstukken 2 en 3 van het onderzoek van BSP wordt uiteengezet dat zowel de voorzieningenstructuur in Westland als het centrum van Naaldwijk als onderdeel van die gemeentelijke voorzieningenstructuur er per saldo beter van worden. Daartoe is van belang dat de ontwikkeling plaatsvindt op een locatie die direct grenst aan het hoofdwinkelgebied van het grootste centrum van de hoofdkern van de gemeente. Door BSP is aangetoond dat de relocatie en een uitbreiding van de Jumbo op die locatie ook een afgeleide bestedingsimpuls van 4,3-6,3% opleveren voor De Tuinen en het overige centrumgebied. De loopstromen nemen aanzienlijk toe waardoor het centrum van Naaldwijk aantrekkelijker wordt voor de vestiging van andere winkels, horeca en publieksvoorzieningen. Van een verdringingseffect is slechts in beperkte mate sprake (verdringing maximaal 7,9%) welk effect ruimschoots ingelopen wordt door de aanzienlijke bevolkingsaanwas (+17% tot 2030). Van ‘duurzame ontwrichting’ of aantasting van het woon- en leefklimaat en ondernemersklimaat is om die reden geen sprake. De raad stelt dat daarom evenmin sprake is van strijd met de Verordening. De Afdeling acht dit juist.

    Op grond van artikel 2.1.4 van de Verordening geldt een verzwaarde motiveringsplicht bij een ontwikkeling van meer dan 2.000 m2 wvo. Met het nieuwe onderzoek van 3 oktober 2017 van BSP wordt daaraan invulling gegeven. De stelling van Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen dat een ontwikkeling van 3.750 m2 wvo in strijd zou zijn met de Verordening, gaat om die reden niet op. Voor zover Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen met hun verwijzing naar het negatieve advies van de Adviescommissie detailhandel van 8 september 2015 beogen aan te tonen dat daarmee sprake is van strijdigheid met de Verordening, stelt de raad onder verwijzing naar rechtsoverweging 6.4 van de eerdere uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2017 dat niet is vereist dat opnieuw advies wordt gevraagd na een plaats gevonden hebbende nieuwe ontwikkeling als bijvoorbeeld een uitgevoerd onderzoek. Ook hierom is van strijdigheid met de Verordening geen sprake, aldus de raad. De Afdeling acht dit juist. 

    In het onderzoek van BSP van 3 oktober 2017 is in de eerste plaats bekeken of er voldoende distributieve ruimte is om een supermarkt van 3.750 m2 planologisch te verantwoorden. In 2020 - het moment waarop het bouwplan plantechnisch gerealiseerd kan zijn - is 2.710 m2 wvo distributieve ruimte aanwezig. Aangezien op dat moment de Jumbo aan de Emmastraat in Naaldwijk gesloten is, is feitelijk 3.820 m2 wvo beschikbaar. De distributieve ruimte loopt bovendien op tot 4.810 m2 wvo in 2027 en 5.300 m2 wvo in 2030, zo valt te lezen in het rapport van BSP. Daarmee staat volgens de raad vast dat de ontwikkeling van een supermarkt voorziet in een behoefte en in positieve zin bijdraagt aan de verzorgingsstructuur van Naaldwijk en Westland. Anders gezegd: kwantitatief is niet van belang of sprake is van een Jumbo Foodmarkt of niet. Voorts geldt volgens het rapport van BSP op basis van meer kwalitatieve argumenten dat de komst van een Jumbo Foodmarkt een extra impuls betekent. Gelet op het voorgaande stelt de raad terecht dat de stelling van Spoorwegpensioenfonds en anderen dat de conclusies van het rapport van BSP uitsluitend zijn gebaseerd op het concept van de Jumbo Foodmarkt, niet klopt.

    De betogen falen.

14.    Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen voeren aan dat de raad ten onrechte stelt dat Naaldwijk wordt gezien als een te versterken centrum. Die bevinding van de raad volgt uit de regionale structuurvisie detailhandel Haaglanden van november 2013, welke in strijd is met recenter provinciaal beleid en regelgeving, aldus Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen.

14.1.    Aan het centrum van Naaldwijk is op grond van de Structuurvisie detailhandel Haaglanden (2013) de categorie 'te optimaliseren centra' toegekend. Dit is ook opgenomen in paragraaf 2.2 van de toelichting op het bestemmingsplan. In diezelfde toelichting is opgenomen dat door het Stadsgewest Haaglanden (thans: MRDH) is aangegeven dat de kwalificatie 'te versterken centra' passender wordt geacht gelet op de ontwikkelingspotentie ervan. In de besluitvorming in het kader van onderhavig bestemmingsplan is de raad evenwel uitgegaan van het centrum van Naaldwijk als 'te optimaliseren centra', hetgeen ook wordt bevestigd in het Programma ruimte 2016. De raad meent dat daarmee in overeenstemming is gehandeld met het bepaalde in artikel 2.1.4, tweede lid van de Verordening Ruimte. In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit standpunt van de raad onjuist is.

    Het betoog faalt.

15.    [appellant sub 5] en anderen voeren aan dat in de eerdere beroepsprocedure bij de Afdeling namens hen een aantal beroepsgronden is aangevoerd met betrekking tot artikel 2.1.1 Verordening die in de uitspraak van 17 mei 2017 nog niet inhoudelijk zijn beoordeeld. [appellant sub 5] en anderen handhaven die eerdere beroepsgronden.

15.1.    Artikel 2.1.1, van de Verordening luidt: "Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:

a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening;

b. indien de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.

16.    Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 5] en anderen dat sprake zou zijn van strijd met artikel 2.1.1 van de Verordening wegens het ontbreken van regionale afstemming, merkt de raad het volgende op. Het plan is voorgelegd aan de Adviescommissie Detailhandel Zuid-Holland en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland. Onder verwijzing naar overweging 6.4 van de uitspraak van 17 mei 2017 merkt de raad op dat de Afdeling reeds heeft geoordeeld dat op grond van de Verordening enkel is vereist dat terzake advies wordt gevraagd en verkregen. Niet is vereist dat een positief advies wordt afgegeven. Evenmin is vereist dat na nieuwe ontwikkelingen als bijvoorbeeld een uitgevoerd onderzoek opnieuw om advies wordt gevraagd. De raad meent dat voldaan is aan de eis om het plan regionaal af te stemmen en ook om die reden van strijd met de Verordening geen sprake is. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat dit standpunt onjuist is.

    De betogen falen.

STRIJD MET REGIONAAL BELEID

17.    Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen stellen dat ten onrechte wordt miskend dat de regio voor regionaal verzorgende centra een indicatieve richtlijn geeft van maximaal 20% groei ten opzichte van het netto vloeroppervlak op 1 januari 2013. Naar de opvatting van Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen heeft de raad niet beoordeeld welke ontwikkelingen sinds die peildatum zijn vergund en of dus nog wel aan dit criterium wordt voldaan. Zij betogen dat die indicatieve richtlijn wordt overschreden en verwijzen ter onderbouwing naar het eerste vaststellingsbesluit, waaruit een toename van 29% zou blijken.

17.1.    Onder verwijzing naar r.o. 8.1 van de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2017 geldt dat op grond van de Structuurvisie Detailhandel voor regionaal verzorgende centra zoals Naaldwijk een indicatieve richtlijn voor de toename van 20% groei wordt aangehouden ten opzichte van het bestaande nettovloeroppervlak op de peildatum 1 januari 2013. Plannen die boven die richtlijn uitkomen worden op hun merites beoordeeld. Met de realisering van de supermarkt wordt 3.750 m2 wvo toegevoegd, wat volgens de raad ruim minder is dan 20% van een totaal aanbod in Naaldwijk-Centrum van ca. 30.000 m2 wvo. De Afdeling kan deze redenering van de raad volgen. Hetgeen Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen aanvoeren leidt niet tot het oordeel dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met het beleid.

    Het betoog faalt.

ONVOLDOENDE PLANOLOGISCHE VERANKERING EN WAARBORGEN

18.    Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen wijzen op het feit dat in het onderzoek van BSP niet wordt uitgegaan van een aandeel niet-dagelijkse assortiment van circa 15%. Zij stellen dat op geen enkele wijze wordt geborgd dat de megasupermarkt geen aanzienlijk aandeel niet-dagelijks assortiment zal aanbieden.

18.1.    Artikel 1, lid 1.36, van de planregels luidt: "Supermarkt is een detailhandelsbedrijf, hoofdzakelijk in de vorm van een zelfbedieningswinkel waar met name levensmiddelen, voedingsmiddelen - inclusief versartikelen zoals groente, brood, vlees en zuivel - en huishoudelijke artikelen worden verkocht."

18.2.    Ter plaatse is volgens de raad een supermarkt toegestaan waar op basis van de definitie enkel dagelijkse artikelen mogen worden verkocht. De in het plan opgenomen definitie laat geen misverstand bestaan over het te voeren assortiment. In het rapport van BSP van 3 oktober 2017 wordt bevestigd dat de omzet van supermarkten voor het gros bestaat uit de dagelijkse sector. Om die reden kunnen de koopstroomgegevens voor de dagelijkse sector als maatgevend worden beschouwd voor de supermarktsector, aldus de raad. Hij stelt dat het door Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen genoemde percentage van 15% is terug te voeren op een eerdere discussie over het verschil tussen food en non-food als assortiment binnen een supermarkt. Dit percentage geeft volgens de raad dus niet het onderscheid tussen dagelijks en niet-dagelijks artikelen aan. De raad stelt dat de vrees van Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen voor het voeren van een substantieel aandeel niet-dagelijks assortiment op basis daarvan ongegrond is. De Afdeling acht dit juist.

    Het betoog faalt.

VERKEER EN PARKEREN

19.    Op 25 oktober 2018 heeft het college wederom een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bouwwerk en het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan. Ten opzichte van de eerder verleende omgevingsvergunning is de parkeergarage voor bewoners van "De Rentmeester" uitgebreid. Tevens is er ten behoeve van de parkeergarage voor de bewoners van "De Rentmeester" een aparte in- en uitrit aan de Simon van Slingerlandstraat voorzien. [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 4] en [appellant sub 6] zijn het niet eens met de wijzigingen ten opzichte van de eerder verleende omgevingsvergunning en richten zich daarom tegen het besluit van 25 oktober 2018. Hieromtrent overweegt de Afdeling als volgt. Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) kan een aanvraag die betrekking heeft op een activiteit bestaande uit het bouwen van een bouwwerk, alleen worden geweigerd wegens de daar genoemde gronden. Er is sprake van een zogenoemde gebonden beschikking voor wat betreft het bouwen van de parkeergarage. Voor het bouwen van de parkeergarage doet zich geen van de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo genoemde weigeringsgronden voor.

    De betogen, voor zover deze betrekking hebben op het bouwen van de parkeergarage, falen.

19.1.    Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo luidt: "Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen, geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning."

    Artikel 2:12, eerste en tweede lid, van de Algemene plaatselijke verordening Westland 2016 luidt:

"1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde gezag:

a. een uitweg te maken naar de weg;

b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van:

a. de bruikbaarheid van de weg;

b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

19.2.    Wat de aparte in- en uitrit aan de Simon van Slingerlandstraat betreft betogen [appellant sub 4] en [appellant sub 6] dat de hiervoor verleende vergunning had moeten worden geweigerd, omdat een veilig en doelmatig gebruik van de Simon van Slingerlandstraat niet is gewaarborgd. Een rotonde is volgens hen een aanzienlijk betere optie. Ook [appellant sub 2] en anderen betogen dat de vergunning had moeten worden geweigerd in het belang van een veilig en doelmatig gebruik van de weg.

19.3.    In het onderzoek "Verkeersstudie De Rentmeester, Naaldwijk" van Mobycon van 31 augustus 2017, opgesteld in opdracht van SOW, staat de volgende conclusie: "Voor wat betreft de kruising Secretaris Verhoeffweg - Simon van Slingelandstraat geldt dat er in de situatie van 2027 een goede doorstroming is. Echter de nieuwbouw-ontwikkeling van De Rentmeester leidt tot een forse toename van het aantal verkeersbewegingen waardoor voor het verkeer dat de Secretaris Verhoeffweg op wil draaien dermate lange wachttijden ontstaan dat er over stagnatie van de doorstroming moet worden gesproken.

    Om dit te voorkomen moet er een aanpassing van deze kruising plaatsvinden. De gewenste en ook toereikende aanpassing hiervan is het aanleggen van een ‘voorangs-kruispunt met keerlus’ (ook wel ‘voorrangsplein’ genoemd). Hierdoor is alleen een rechtsaf beweging mogelijk vanuit de zijstraat (Simon van Slingelandstraat, maar ook de Linde). Direct aan de linkerzijde van de hoofdrijbanen van de kruising wordt - in de middenberm - een linksaf voorsorteerstrook aangelegd, die haaks aansluit op de andere rijbaan. Het verkeer dat links wil rijdt zo eerst rechts, sorteert links voor en draait vervolgens linksaf de hoofdrijbaan op. Het hele wegvak van de beide kruisingen (Linde en Simon van Slingelandstraat) moeten hiervoor worden aangepast: de rijbanen en fietspaden moeten zoveel mogelijk uitbuigen om een middenberm van 7 meter mogelijk te maken. Een berekening van dit kruisingstype laat zien dat er op het drukste moment nog steeds een goede doorstroming is. Bovendien ontstaat met deze optie een goed alternatief voor de voertuigen die bij de Patijnenburg ook al rechtsaf sloegen en in de bestaande situatie een ongewenste ‘u-bocht’ draaien bij de Simon van Slingelandstraat.

    Geconcludeerd kan worden dat door het wijzigen van de kruising Secretaris-Verhoeffweg - Simon van Slingelandstraat door hier een voorrangsplein aan te leggen, er bij realisatie van het project De Rentmeester geen problematische verkeerssituaties ontstaan."

19.4.    Het college stelt zich op het standpunt dat de door [appellant sub 4] en [appellant sub 6] genoemde optie om een rotonde aan te leggen geen reëel alternatief is voor het voorrangsplein aangezien het ruimtelijk gezien niet mogelijk is om ter plaatse een rotonde in te passen vanwege het grote ruimtebeslag dat daarmee gemoeid is. Met het voorrangsplein wordt volgens het college bovendien eenzelfde resultaat bereikt - betere doorstroming van het verkeer - als met een rotonde. Hij wijst erop dat dit blijkt uit het onderzoek "Verkeersstudie De Rentmeester, Naaldwijk" van Mobycon van 31 augustus 2017. De Afdeling stelt vast dat in dit onderzoek wordt geconcludeerd dat de realisatie van het project De Rentmeester en de daarbij behorende toename van het aantal verkeersbewegingen niet tot problemen zal leiden, indien het voorrangsplein wordt aangelegd ter plaatse van de kruising Secretaris Verhoeffweg - Simon van Slingelandstraat. Om dit effect inzichtelijk te maken is de kruising Secretaris Verhoeffweg - Simon van Slingelandstraat met toevoeging van het voorrangsplein gemodelleerd met behulp van het simulatieprogramma ‘Langzaam Rijden Gaat Sneller (uitgegeven door CROW bij publicatie 191, Langzaam Rijden gaat Sneller, simulatieprogramma versie 3, 2008). De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek "Verkeersstudie De Rentmeester, Naaldwijk" van Mobycon van 31 augustus 2017, zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat het college zich daarop niet mocht baseren. Voor zover zij in dit verband wijzen op het door hen ingebrachte advies "De Rentmeester Naaldwijk analyse verkeerseffecten bestemmingsplan" van de Verkeerskundige van 6 mei 2016, overweegt de Afdeling dat in dit rapport niet wordt ingegaan op de meest recente inzichten in het onderzoek "Verkeersstudie De Rentmeester, Naaldwijk" van Mobycon van 31 augustus 2017, maar dat slechts wordt ingegaan op een eerder vastgesteld rapport van Mobycon uit 2014. Het college heeft naar het oordeel van de Afdeling voldoende onderbouwd dat een veilig en doelmatig gebruik van de Simon van Slingerlandstraat is gewaarborgd.

    De betogen falen.

20.    Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen zijn van mening dat in het rapport "Verkeerstudie De Rentmeester, Naaldwijk" van Mobycon van 31 augustus 2017 van onjuiste aannames is uitgegaan. Immers, daarin is gerekend met een supermarkt van 4.375 m2 bvo. Het eerste vaststellingsbesluit ging uit van een supermarkt van 4.695 m2 bvo. Het is volgens hen onduidelijk op welke grond nu wordt uitgegaan van een kleinere oppervlakte.

20.1.    Volgens de raad dient vooropgesteld te worden dat het bruto vloeroppervlak van de supermarkt 4.375 m2 bedraagt, bestaande uit een winkelvloeroppervlak van 3.750 m2, kantoorruimte, ondergeschikte horeca, magazijnruimten, personeelsruimten, laad- en losvoorzieningen, technische ruimte, bergingen en andere nevenruimten. Het bestemmingsplan waarvan het vaststellingsbesluit bij uitspraak van 17 mei 2017 is vernietigd, ging uit van 4.695 m2 bvo en liet daarmee meer toe dan op grond van de tevens verleende omgevingsvergunning was toegestaan. Met het opnieuw vastgestelde bestemmingsplan is dit bestemmingsplan in overeenstemming gebracht met het metrage zoals in de omgevingsvergunning wordt aangehouden, zijnde 4.375 m2 bvo en 3.750 m2 wvo. Door Mobycon is daarom terecht in het geactualiseerde verkeersrapport gerekend met een metrage van 4.375 m2 bvo, zo stelt de raad. De Afdeling acht dit juist.

    Het betoog faalt.

21.    Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen vinden het onduidelijk hoe de raad om is gegaan met de 800 m2 detailhandel die eerder, ter verklaring van het verschil tussen beide oppervlaktes, in mindering is gebracht. Hierbij merken Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen bovendien op dat het begrip bruto vloeroppervlakte niet is gedefinieerd, maar slechts het begrip bedrijfsvloeroppervlakte.

21.1.    Artikel 1, lid 1.9, van de planregels luidt: "het bedrijfsvloeroppervlak is de totale vloeroppervlakte van alle bouwlagen van een bedrijf met inbegrip van alle daartoe behorende ruimten, waaronder ontvangsthal, dienstruimten en magazijnen. Niet inbegrepen zijn inpandige dienstwoningen en gebouwde parkeervoorzieningen voor personenauto’s. Wat betreft inpandige parkeerruimte valt een overdekte stallingsruimte voor een busje of vrachtwagen wel hieronder."

21.2.    De raad stelt dat onderdeel van de plannen vormt 800 m2 bvo die op basis van het vigerende bestemmingsplan de bestemming 'volumineuze detailhandel' had en feitelijk aanwezig is in de plint van het appartementencomplex De Secretaris. Dit gedeelte wordt bij de supermarktontwikkeling getrokken en daarom is deze 800 m2 bvo - vanwege de functiewijziging van volumineuze detailhandel naar supermarkt - in alle onderzoeken meegenomen. Overigens was deze 800 m2 bvo eerder evenmin in mindering gebracht op de gehanteerde metrages. In alle onderzoeken die ten grondslag hebben gelegen aan het vernietigde vaststellingsbesluit was voornoemde 800 m2 bvo ook betrokken. De omschrijving van het begrip bedrijfsvloeroppervlak in artikel 1.9 van de regels van het bestemmingsplan vormt het uitgangspunt voor alle in de uitgevoerde onderzoeken en planregels aangehouden metrages. De Afdeling acht dit voldoende toegelicht.

    Het betoog faalt.

22.    [appellant sub 5] en anderen stellen dat de verkeersafwikkeling een belangrijk punt is in het besluitvormingsproces. De verkeersonderzoeken uit 2012 en de aanvulling hiervan in 2014 hebben volgens hen echter hun houdbaarheid overschreden.

22.1.    Het verkeersonderzoek dat is uitgevoerd door Mobycon is geactualiseerd. Het opnieuw vastgestelde bestemmingsplan en het bij het besluit van 25 oktober 2018 vergunde bouwplan zijn op basis van het geactualiseerde onderzoek van augustus 2017 vastgesteld, respectievelijk ontworpen. De raad en het college stellen dat de conclusies uit het rapport over de verkeersaantrekkende werking van het bouwplan onveranderd zijn ten opzichte van de eerdere conclusies terzake. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad en het college zich terzake hebben gebaseerd op een voldoende actueel onderzoek.

    Het betoog faalt.

23.    Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen zijn van mening dat de raad niet heeft mogen uitgaan van een parkeernorm van 4 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Op basis van het vastgestelde "paraplubestemmingsplan Parkeernormen" zijn de parkeernormen van het Westlands verkeers- en vervoersplan (WVVP) vervangen door actuele CROW-richtlijnen, in welk verband wordt verwezen naar de toelichting van dit plan. Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen stellen dat gelet op dit vastgestelde plan de raad ten onrechte uit is gegaan van de parkeernormen uit het WVVP. In bijzonder omdat in het WVVP geen onderscheid wordt gemaakt tussen diverse vormen van detailhandel en dat voor een grote supermarkt een strengere norm van 5.0 tot 7.0 p.p./100 m2 bvo geldt.

23.1.    De Afdeling overweegt dat het "paraplubestemmingsplan Parkeernormen" door de raad is vastgesteld op 20 februari 2018. Dat wil zeggen: na de vaststelling van het bestemmingsplan "De Rentmeester te Naaldwijk" op 12 december 2017 en het verlenen van de omgevingsvergunning op 10 januari 2018. De Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018 - die planologisch wordt geborgd met het paraplubestemmingsplan - is op 16 januari 2018 vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders en is tegelijkertijd in werking getreden met het "paraplubestemmingplan Parkeernormen".  Het bestemmingsplan lag tot en met 20 april 2018 ter inzage waardoor dit bestemmingsplan - en de onderliggende beleidsregel - op het moment van de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan nog niet in werking waren getreden. Reeds daarom is de Afdeling van oordeel dat de stellingen van Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen dat voor het plan voor De Rentmeester niet had mogen worden uitgegaan van het Westlands Verkeers- en Vervoersplan (WVVP) niet kunnen slagen.

    Het betoog faalt.

24.     Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen betogen dat hier het hoogste getal van de bandbreedte gekozen dient te worden, dus 7.0, en om die reden voorziet het plan in te weinig parkeerplaatsen. Appellanten stellen dat uitgaande van 4.695 m2 bvo er moet worden voorzien in 329 parkeerplaatsen, in plaats van 175. Om die reden is een goed woon-, werk- en leefklimaat niet gegarandeerd. Detailconsult Supermarkten voert ook aan dat het onduidelijk is of ten behoeve van de mogelijk gemaakte ontwikkeling kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid.

24.1.    De raad stelt voorop dat uitgegaan dient te worden van 4.375 m2 bvo voor het berekenen van de parkeervraag. Uitgaande van dit bruto vloeroppervlak voor de commerciële ruimte en het realiseren van 47 appartementen, dienen in totaal 252 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd met inachtneming van de parkeernorm op grond van het WVVP 2005. Ten behoeve van de supermarkt dienen 175 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. In totaal worden in de parkeergarage die deel uitmaakt van het bestemmingsplan en bouwplan 261 parkeerplaatsen gerealiseerd. Dit betreffen 210 plaatsen voor de supermarkt en 51 parkeerplaatsen voor bewoners. Daarnaast wordt het openbaar gebied heringericht en in dat kader worden in de openbare ruimte in totaal 15 nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd waarvan 11 aan de Simon van Slingelandtstraat, 3 aan de Willem van Flooffstraat en 1 aan de Patijnenburg. Dat betekent dat in totaal 276 parkeerplaatsen worden gerealiseerd hetgeen veel meer is dan de benodigde 252 parkeerplaatsen. De raad meent daarom dat ook vanuit het oogpunt van parkeerdruk sprake is van een aanvaardbaar woon-, werk- en leefklimaat. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat dit standpunt onjuist is.

    Het betoog faalt.

BOUWHOOGTE

25.    [appellant sub 6] en [appellant sub 4] richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Gemengd", voor zover aan een gedeelte van de gronden een maximale bouwhoogte van 18,5 m is toegekend. Dit betekent een verhoging van 4 meter ten opzichte van het vorige plan. Dit is niet nader onderbouwd noch zorgvuldig afgewogen.

25.1.    De raad stelt dat op de verbeelding abusievelijk een bouwhoogte van 18,5 m is aangeduid, terwijl dit een bouwhoogte van 14,5 m had moeten zijn. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

    Het betoog slaagt.

DE OMGEVINGSVERGUNNING

26.    Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen, [appellant sub 2] en anderen, Detailconsult Supermarkten, [appellant sub 4], [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 6] voeren aan dat omdat het plan ten onrechte voorziet in een megasupermarkt, de omgevingsvergunning voor bouwen die hierop is gebaseerd dient te worden vernietigd.

26.1.    De Afdeling overweegt dat het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning gecoördineerd zijn voorbereid en bekend gemaakt met toepassing van de artikelen 3.30 en 3.32 van de Wro. Artikel 3.30, derde lid, van de Wro is derhalve van toepassing. Uit dit artikellid vloeit voort dat als aanleiding bestaat om een deel van een plan te vernietigen, ook de omgevingsvergunning dient te worden vernietigd als het vernietigde deel daarvan het planologisch toetsingskader voor het verlenen van die omgevingsvergunning heeft gevormd. Nu het te vernietigen deel van het bestemmingsplan echter niet het toetsingskader heeft gevormd voor het besluit van 25 oktober 2018, hoeft het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning niet te worden vernietigd. De beroepen van Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen, [appellant sub 2] en anderen, Detailconsult Supermarkten, [appellant sub 4], [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 6] zijn derhalve ongegrond voor zover deze zijn gericht tegen het besluit van 25 oktober 2018. Dat betekent dat dit besluit in stand blijft.

26.2.    Met het besluit van 25 oktober 2018 is het besluit van 10 januari 2018 vervangen. Het besluit van 10 januari 2018 wordt daarmee geacht te zijn ingetrokken. De daartegen ingestelde beroepen zijn niet-ontvankelijk.

HERHALEN EN INLASSEN ZIENSWIJZE

27.    Voor zover Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen voor het overige verzoeken de inhoud van hun zienswijze als herhaald en ingelast in het beroepschrift te beschouwen, overweegt de Afdeling dat in de bij het bestreden besluit behorende zienswijzennota is ingegaan op de zienswijze. Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen hebben in hun beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze onjuist zou zijn.

CONCLUSIE

28.    De beroepen van Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen, Detailconsult Supermarkten en [appellant sub 5] en anderen tegen het bestemmingsplan zijn ongegrond.

29.    Gelet op hetgeen onder 25.1 is overwogen, zijn de beroepen van [appellant sub 6] en [appellant sub 4] tegen het bestemmingsplan gegrond. In hetgeen zij hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het plan dient te worden vernietigd, voor zover aan een gedeelte van de gronden met de bestemming "Gemengd" een maximale bouwhoogte van 18,5 m is toegekend.

30.    Omdat niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad en er naast het gebrek dat in overweging 25.1 is geconstateerd geen andere gebreken in het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan zijn geconstateerd, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dit is vernietigd.

    De Afdeling zal, in het kader van het zelf voorzien, bepalen dat de aanduiding "maximum bouwhoogte 18,5 m" voor de gronden met de bestemming "Gemengd" op de verbeelding komt te vervallen. Aan deze gronden wordt de aanduiding "maximum bouwhoogte 14,5 m" toegekend.

31.    Uit het oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

PROCESKOSTEN

32.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 6] en [appellant sub 4] te worden veroordeeld. Ten aanzien van Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen, [appellant sub 2] en anderen, Detailconsult Supermarkten en [appellant sub 5] en anderen bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen tegen het besluit van de raad van 12 december 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Rentmeester te Naaldwijk" niet-ontvankelijk en de beroepen van [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] en [appellant sub 6] tegen het besluit van de raad van 12 december 2017 niet-ontvankelijk, voor zover deze betrekking hebben op andere plandelen dan het plandeel met de bestemming "Gemengd" en de aanduiding "maximum bouwhoogte 18,5 m;

II.    verklaart de beroepen van [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] en [appellant sub 6] tegen het besluit van de raad van 12 december 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan gegrond;

III.    vernietigt het besluit van 12 december 2017, waarbij de raad van de gemeente Naaldwijk het bestemmingsplan "De Rentmeester te Naaldwijk" heeft vastgesteld, voor zover aan een gedeelte van de gronden met de bestemming "Gemengd" de aanduiding "maximum bouwhoogte 18,5 m" is toegekend;

IV.    bepaalt dat aan de onder III genoemde gronden de aanduiding "maximum bouwhoogte 14,5 m" wordt toegekend;

V.    bepaalt dat deze uitspraak wat de onderdelen III en IV betreft in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI.    draagt de raad van de gemeente Naaldwijk op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III en IV worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VII.    verklaart de beroepen van Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen, Detailconsult Supermarkten B.V. en [appellant sub 5] en anderen tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan ongegrond;

VIII.    verklaart de beroepen van Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen, [appellant sub 2] en anderen, Detailconsult Supermarkten, D. [appellant sub 5] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 4] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 10 januari 2018 niet-ontvankelijk;

IX.    verklaart de beroepen van Stichting Spoorwegpensioenfonds en anderen, [appellant sub 2] en anderen, Detailconsult Supermarkten, D. [appellant sub 5] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 4] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 25 oktober 2018 ongegrond;

X.    veroordeelt de raad van de gemeente Naaldwijk tot vergoeding van bij [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

veroordeelt de raad van de gemeente Naaldwijk tot vergoeding van bij [appellant sub 6] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XI.    gelast dat de raad van de gemeente Naaldwijk aan [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

gelast dat de raad van de gemeente Naaldwijk aan [appellant sub 6] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. H. Bolt en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Priem, griffier.

w.g. Hoekstra    w.g. Priem

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2019

646.