Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2895

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-08-2019
Datum publicatie
28-08-2019
Zaaknummer
201802467/1/R3 en 201800493/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 november 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Noord" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201802467/1/R3 en 201800493/1/R3.

Datum uitspraak: 28 augustus 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellante sub 1], wonend te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

2.    [appellante sub 2], gevestigd te Nieuwerbrug aan den Rijn, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

3.    [appellant sub 3], wonend te Nieuwerbrug aan den Rijn, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

4.    [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B], wonend te Nieuwerbrug aan den Rijn, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

en

de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Noord" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellante sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

Bij besluit van eveneens 22 november 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "De Bree 4" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 3] en [appellante sub 4B] beroep ingesteld.

De raad heeft verweerschriften ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft Sint Laurensfonds een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 5 juli 2019, waar [appellante sub 1], [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. C.A. van Kooten-de Jong, advocaat te Utrecht, [appellant sub 3] en [appellante sub 4B], bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door F. Kiesow-Botyanovska, B.A. Drost-Westland en N. Kortekaas, allen werkzaam bij de gemeente, en ing. M.J.H. Kijzers, werkzaam bij de Omgevingsdienst Midden-Holland, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Sint Laurensfonds, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. L. van Schie-Kooman, advocaat te Rotterdam, gehoord.

Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 3] tegen het besluit waarbij het plan "Buitengebied Noord" is vastgesteld zijn buiten bezwaren van partijen ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

Overwegingen

Algemeen

1.    Het plan "Buitengebied Noord" voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor het noordelijk deel van het buitengebied van de gemeente.

    Het plan "De Bree 4" voorziet in drie woningen op het perceel De Bree 4 te Nieuwerbrug.

2.    [appellante sub 1] woont aan [locatie 1] en [locatie 2] te Bodegraven. [appellante sub 2] is eigenaar van het perceel [locatie 3] te Nieuwerbrug aan den Rijn. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hebben beroepsgronden naar voren gebracht die zich richten tegen het besluit waarbij het plan "Buitengebied Noord" is vastgesteld.

    [appellant sub 3] en [appellante sub 4B] wonen aan [locatie 4] te Nieuwerbrug aan den Rijn. Zij kunnen zich niet verenigen met het besluit waarbij het plan "De Bree 4" is vastgesteld. [appellant sub 3] richt zich ook tegen het besluit waarbij het plan "Buitengebied Noord" is vastgesteld, voor zover dat ziet op het perceel [locatie 4] en een daarachter liggend perceel.

    In de uitspraak zullen eerst achtereenvolgens de beroepen van [appellante sub 1], [appellante sub 2] en [appellant sub 3] tegen het plan "Buitengebied Noord" worden besproken. Daarna komt het beroep van [appellant sub 3] en [appellante sub 4B] tegen het plan "De Bree 4" aan de orde. Aan het einde van de uitspraak volgt de conclusie.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellante sub 1] tegen het plan "Buitengebied Noord"

4.    [appellante sub 1] woont aan [locatie 1] en [locatie 2] te Bodegraven. [appellante sub 1] richt zich tegen het besluit waarbij het bestemmingsplan "Buitengebied Noord" is vastgesteld, voor zover daarmee wordt voorzien in de herinrichting van het landelijk gebied met bijvoorbeeld plasdrasnatuur en verruiging van bermen, natuurvriendelijke (rietrijke) oevers en watergangen. [appellante sub 1] voert aan dat deze herinrichting effecten kan hebben voor mens en dier waaronder gevolgen voor de volks- en diergezondheid. Zij brengt daartoe naar voren dat de herinrichting bij kan dragen aan de verspreiding van potentieel ziekte-overdragende organismen, zoals teken en muggen. Zij stelt dat in het plan ten onrechte niet is voorzien in maatregelen ter bescherming van de gezondheid van mens en dier, die volgens haar zijn vereist op grond van het Verdrag van Aarhus en het Verdrag betreffende de Europese Unie. Ter zitting heeft [appellante sub 1] toegelicht dat zij vooral vreest voor deze gevolgen vanwege het gebruik van gronden in het plangebied voor waterberging.

4.1.    Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

    Indien het ontwerpplan op onderdelen gewijzigd is vastgesteld is het beroep slechts ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de wijzigingen die ten opzichte van het ontwerpplan zijn aangebracht en het aannemelijk is dat de belanghebbende hierdoor in een ongunstiger positie is geraakt.

4.2.    In haar beroepschrift heeft [appellante sub 1] alleen gronden naar voren gebracht over plandelen waar wordt voorzien in natuurontwikkeling. De Afdeling stelt vast dat haar zienswijze niet tegen deze plandelen was gericht. Haar beroep steunt daarom niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Niet gebleken is dat haar niet kan worden verweten dat zij over deze plandelen geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Naar aanleiding van de zienswijze van [appellante sub 1] is bij de vaststelling van het plan de bestemming voor het plandeel tegenover haar woning weliswaar gewijzigd van de bestemming "Agrarisch met waarden" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch-hobbymatige agrarische activiteit" in de bestemming "Agrarisch met waarden-Natuur en Landschapswaarden", maar ter zitting heeft [appellante sub 1] desgevraagd verklaard dat haar beroep niet tegen deze wijziging is gericht. Daarom is niet aannemelijk dat zij door deze wijziging in een ongunstiger positie is geraakt.

4.3.    De conclusie is dat het beroep van [appellante sub 1] niet-ontvankelijk is.

4.4.    Ter zitting heeft [appellante sub 1] betoogd dat zij als bestuurslid de belangen behartigt van de Vereniging tot Behoud van Cultureel Erfgoed, Rijks- en gemeentemonumenten, Beeldbepalende Panden en Landschapselementen in de gemeente Bodegraven-Reeuwijk, die ook beroep heeft ingesteld tegen het besluit waarbij het plan is vastgesteld. Het beroep dat beweerdelijk namens deze vereniging is ingesteld, is in de uitspraak van 18 februari 2019, nr. 201802467/3/R3 (aangehecht), echter niet-ontvankelijk verklaard. Dat beroep maakt daarom geen onderdeel uit van dit geding.

Het beroep van [appellante sub 2] tegen het plan "Buitengebied Noord"

5.       [appellante sub 2] heeft het perceel [locatie 3] te Nieuwerbrug aan den Rijn in eigendom. [appellante sub 2] kan zich niet verenigen met het besluit waarbij het plan "Buitengebied Noord" is vastgesteld voor zover daarbij het gebruik van het perceel [locatie 3] is beperkt tot één groothandel in hout in categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Zij stelt verder dat de bebouwingsmogelijkheden van het perceel ten onrechte zijn beperkt tot de oppervlakte van de bestaande bebouwing. Zij voert aan dat het plan daardoor de ontwikkelingsmogelijkheden op de locatie belemmert. Zij heeft ter zitting erop gewezen dat het perceel wordt gebruikt door meerdere houtgroothandelsbedrijven waaronder haar eigen bedrijf, dat bestaat uit meerdere rechtspersonen, waaronder bedrijven die behoren tot categorie 2. Het gebruik voor meerdere bedrijven, ook in categorie 2, was volgens [appellante sub 2] in het voorheen geldende plan toegestaan, evenals bebouwing van het perceel tot 9.300 m2, waarvoor ook vergunning is verleend. Zij wijst erop dat in de plantoelichting staat dat bij het bestemmen van niet-agrarische bedrijven rekening wordt gehouden met het voorheen geldende plan en de vergunde situatie. Volgens haar voorziet het plan daarom ten onrechte niet in de mogelijkheid om het perceel voor meerdere bedrijven te gebruiken en 9.300 m2 van het perceel te bebouwen en had de categorie-aanduiding moeten worden verruimd tot categorie 3.

5.1.    De raad stelt dat het plan wat betreft de categorie-indeling en ook overigens voor het gebruik van het perceel geen beperking inhoudt ten opzichte van het voorheen geldende plan "Buitengebied Bodegraven". Volgens de raad was ter plaatse een groothandel in hout behorende tot categorie 3 toegelaten. De raad stelt verder dat hij overeenkomstig de door hem vastgestelde Nota van Uitgangspunten voor de herziening van bestemmingsplannen voor het Buitengebied er voor heeft gekozen om de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande niet-agrarische bedrijven te beperken tot bestaande legale bebouwing met een uitbreidingsmogelijkheid van 10%. De raad heeft geen aanleiding gezien om bij het perceel [locatie 3] van dit uitgangspunt af te wijken. De raad wijst erop dat geen gebruik is gemaakt van de eind 1999 aan [appellante sub 2] verleende bouwvergunning voor het oprichten van een loods van 3.200 m2, waarmee bebouwing van het perceel tot een omvang van 9.300 m2 mogelijk werd gemaakt. Die vergunning is in 2009 ingetrokken. Deze destijds vergunde bebouwing heeft de raad daarom niet bij het bepalen van de oppervlakte van de bestaande bebouwing betrokken.

5.2.    Aan het perceel [locatie 3] is de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-groothandel in hout" toegekend.

    In artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder l, van de planregels is bepaald dat de als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor een groothandel in hout in categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

    Lid 5.2, onder a, luidt:

"a.  gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan".

    Lid 5.2, onder c, luidt:

"c. per bouwvlak mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van één bedrijf worden gebouwd".

    In lid 5.2, onder g, is bepaald dat van bedrijfsgebouwen het bebouwde oppervlak volgens bijlage 3 van de planregels met maximaal 10% mag worden vergroot.

    In bijlage 3 is voor [locatie 3] opgenomen dat een oppervlakte van 5.694 m2 aan bebouwing aanwezig is.

5.3.    In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen.

5.4.    Op 12 december 2012 heeft de raad de Nota van Uitgangspunten voor de herziening van bestemmingsplannen voor het buitengebied vastgesteld, die sturing geeft aan planherzieningen voor het buitengebied. Uitgangspunt voor niet-agrarische bedrijven is dat deze in principe positief worden bestemd. Omdat deze bedrijven geen binding hebben met het buitengebied, gelden er beperkingen voor de uitbreiding en functieverandering van de bijbehorende bedrijfsgebouwen, zo staat in de plantoelichting. Het bebouwde oppervlak van deze niet-agrarische bedrijven mag met maximaal 10% worden vergroot.

5.5.    Het uitgangspunt van de raad om de gronden die in het buitengebied worden gebruikt voor niet-agrarische bedrijven overeenkomstig het volgens het voorheen geldende plan toegestane en feitelijke gebruik en de daarvoor aanwezige legale bebouwing te bestemmen, acht de Afdeling niet onredelijk.

    De Afdeling stelt vast dat met de aan het perceel toegekende bestemming het gebruik voor een groothandel in hout en de aanwezige legale bebouwing als zodanig zijn bestemd. In het beroepschrift staat, anders dan [appellante sub 2] ter zitting naar voren heeft gebracht, dat de bedrijfsactiviteiten van [appellante sub 2] tot 2005 op het perceel plaatsvonden en dat de locatie daarna is verhuurd aan andere bedrijven. [appellante sub 2] heeft in haar zienswijze die zij over het ontwerpplan naar voren heeft gebracht, vermeld dat sinds 2015 geen bedrijfsactiviteiten meer op het perceel worden verricht en dat mogelijkheden worden verkend voor verhuur of verkoop van de gronden. Uit de zienswijze heeft de raad dus niet kunnen afleiden dat het perceel door meerdere bedrijven wordt gebruikt en evenmin dat [appellante sub 2] zelf daar bedrijfsactiviteiten uitvoert in verschillende ondernemingen. Voor de vaststelling van het plan heeft [appellante sub 2] geen concrete voornemens geuit voor het gebruik van het perceel voor meerdere bedrijven, zo is ter zitting komen vast te staan. Mocht een dergelijk concreet voornemen zich in de toekomst voordoen, dan kan bij het bevoegd gezag een aanvraag om omgevingsvergunning voor het afwijken van het plan worden ingediend.

    Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad in zoverre niet in redelijkheid de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-groothandel in hout" met de daarbij behorende bebouwingsmogelijkheden aan het plan heeft kunnen toekennen.

    Het betoog faalt.

Het beroep van [appellant sub 3] tegen het plan "Buitengebied Noord"

- Algemeen

6.    [appellant sub 3] woont aan [locatie 4] te Nieuwerbrug aan den Rijn. Hij heeft op dat perceel een opslag voor caravans. Het plan kent aan dat perceel de bestemming "Bedrijf" met de aanduidingen "caravanstalling" en "maximum aantal wooneenheden 1" en een bouwvlak toe. Op het perceel achter dit perceel, kadastraal bekend B7424, dat ook van [appellant sub 3] is, staat een stal, waarin [appellant sub 3] schapen houdt. Aan het gedeelte van het perceel waarop deze stal staat is de bestemming "Agrarisch met waarden", de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden-dierenverblijf en opslag van stro" en een bouwvlak toegekend. Tussen de beide bouwvlakken is op de verbeelding een lijn aangegeven waaraan de aanduiding "relatie" is toegekend.

- Ingetrokken beroepsgrond

7.    [appellant sub 3] heeft ter zitting zijn beroepsgrond over de terinzagelegging van de Nota van beantwoordingen zienswijzen en ambtshalve wijzigingen ingetrokken.

- Agrarische bedrijfsactiviteiten van [appellant sub 3]

8.    [appellant sub 3] kan zich niet verenigen met het plan voor zover daarbij voor het perceel B7424, achter het perceel [locatie 4], het bouwvlak is verkleind tot de omvang van de stal en de bedrijfsactiviteiten zijn beperkt tot het stallen van schapen en de opslag van stro. Hij stelt dat de aanduiding "grondgebonden veehouderijbedrijf" aan het perceel had moeten worden toegekend, evenals een groter bouwvlak, zodat de mogelijkheden die het voorheen ter plaatse geldende plan bood behouden blijven. Hij voert aan dat hij plannen heeft om zijn agrarische activiteiten uit te breiden en dat hem vergunning is verleend voor meer activiteiten dan het plan toestaat. Hij wijst er in dit verband op dat hij een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer heeft gedaan voor 150 fokschapen met lammeren en een akkerbouwtak, waarbij hij heeft aangegeven dat er een werktuigenberging is evenals hooiopslag en nog opslag van voer ten oosten van de stal. De opslag van voer valt nu buiten het bouwvlak, aldus [appellant sub 3], en dat staat het plan volgens hem op grond van artikel 3, lid 3.2, van de planregels niet toe. Volgens hem kent het plan aan andere agrarische bedrijven wel een groter bouwvlak toe evenals uitbreidingsmogelijkheden.

8.1.    De raad stelt dat bij het toekennen van het bouwvlak rekening is gehouden met de voor de schapenstal op 5 december 2011 verleende omgevingsvergunning. De schapenstal heeft volgens die vergunning een omvang van 720 m2. Omdat geen sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf heeft de raad geen aanleiding gezien om in het plan te voorzien in een bouwvlak met een grotere omvang dan 720 m2 of in andere mogelijkheden om de agrarische activiteiten ter plaatse uit te breiden. Daarbij verwijst de raad naar een advies van de Agrarische beoordelingscommissie van 12 augustus 2011 dat is uitgebracht in verband met de aanvraag om een vergunning voor het bouwen van de stal. Niet is gebleken van de gestelde akkerbouwactiviteiten. Volgens de raad moet het houden van schapen door [appellant sub 3] worden beschouwd als een nevenactiviteit van het klus- en verhuurbedrijf van [appellant sub 3] dat op [locatie 4] is gevestigd en waar hij een caravanstalling exploiteert. De raad wijst er verder op dat [appellant sub 3] vrachtwagenchauffeur is. Voorts is de stal volgens de raad groot genoeg voor het stallen van 200 schapen en voor inpandige opslag van stro en werktuigen, waarbij de raad verwijst naar het Handboek Schapenhouderij van de Landbouwuniversiteit Wageningen. Het bieden van de mogelijkheid om agrarische bedrijfsactiviteiten uit te breiden is bovendien in strijd met artikel 2.3.1 van de Verordening Ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland, aldus de raad.

8.2.    In artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels is bepaald dat de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van de grondgebonden veehouderij.

    In lid 3.1, aanhef en onder l, is bepaald dat de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden-dierenverblijf en opslag van stro" zijn bestemd voor uitsluitend een stal ten behoeve van de opslag van stro en het stallen van schapen.

    Lid 3.2, luidt:

"Op deze gronden mag uitsluitend ten dienste van de bestemming worden gebouwd en gelden de volgende regels:

a. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan;

(…)

c. per bouwvlak mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van één agrarisch bedrijf worden gebouwd;

(…)."     

    In lid 3.4, onder b, is bepaald dat alle voor de agrarische bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen (waaronder faciliteiten ten behoeve van het houden van paarden, zoals paardenbakken, tredmolens, uitloopvoorzieningen en mestplaten) en verhardingen binnen het bouwvlak gesitueerd dienen te worden.

    In artikel 2.3.1, eerste lid, onder a, van de provinciale verordening, die gold op het moment dat het plan is vastgesteld, is bepaald dat nieuwe agrarische bebouwing wordt geconcentreerd binnen een bouwperceel van maximaal 2 hectare.

    Onder c is bepaald dat nieuwe agrarische bebouwing alleen mogelijk is als deze noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering van volwaardige agrarische bedrijven.

    Onder een volwaardig agrarisch bedrijf wordt ingevolge artikel 1.1 verstaan: agrarisch bedrijf dat naar aard, omvang en redelijkerwijs te verwachten continuïteit en gelet op de arbeidsbehoefte als zodanig moet worden aangemerkt; de omvang omvat ten minste één volwaardige arbeidskracht met een daarbij passende arbeidsomvang en een daaruit te verwachten redelijk inkomen.

8.3.    Vast is komen te staan dat [appellant sub 3] tot ongeveer 20 jaar geleden op het perceel [locatie 4] een varkenshouderij exploiteerde. Bij besluit van 25 september 2001 is aan [appellant sub 3] met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet Ruimtelijke Ordening, zoals dat destijds gold, vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een caravanstalling op dat perceel. Het perceel B7424, waarop de schapenstal staat, maakte voorheen deel uit van het grondgebonden agrarisch bedrijf aan de Bree 4. Dat agrarisch bedrijf is opgehouden te bestaan. Een deel van de bij dat bedrijf behorende gronden is verkocht, waaronder het perceel B7424 aan [appellant sub 3]. Zoals de raad naar voren heeft gebracht is op 5 december 2011 aan [appellant sub 3] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een veestalling voor schapen op dat perceel.

8.4.    Het in het plan aan het perceel B7424 toegekende bouwvlak heeft een oppervlakte van 720 m2 en is daarmee net zo groot als de oppervlakte van de vergunde schapenstal. [appellant sub 3] houdt daarin nu 50 schapen. In het advies van de Agrarische beoordelingscommissie, waar de raad naar verwijst, staat dat voor het houden van 200 schapen, waarvoor [appellant sub 3] een aanvraag had ingediend, een oppervlakte is vereist van 600 m2. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een stal met een omvang van 720 m2 voldoende is voor het houden van 200 schapen en de daarmee gemoeide ruimte voor opslag van stro en werktuigen.

8.5.    Niet in geschil is dat het houden van 50 tot 200 schapen geen volwaardig agrarisch bedrijf betreft. Evenmin in geschil is dat het agrarisch bedrijf op het perceel De Bree 4 is opgehouden te bestaan. In de omstandigheid dat [appellant sub 3] een deel van de gronden van dat bedrijf heeft gekocht, heeft de raad geen aanleiding hoeven zien om aan die gronden een bestemming en aanduiding met daarbij behorende gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden toe te kennen op grond waarvan het mogelijk is een volwaardig dan wel een groter agrarisch bedrijf te vestigen. De raad heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat artikel 2.3.1, onder c, van de provinciale verordening, zoals die gold op het moment van vaststelling van het plan, daaraan in de weg staat. Daaruit volgt immers dat nieuwe agrarische bebouwing alleen mogelijk is bij volwaardige agrarische bedrijven. Er is daarnaast, anders dan [appellant sub 3] stelt, geen vergunning verleend die ertoe strekt dat [appellant sub 3] ter plaatse een akkerbouwbedrijf mag uitoefenen. Het doen van een melding op grond van het Activiteitenbesluit is daarvoor niet voldoende. [appellant sub 3] heeft zijn stelling dat hij een akkerbouwtak heeft voorts niet met concrete gegevens onderbouwd.

8.6.    Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid het gebruik van het perceel B7424 kunnen beperken tot het houden schapen en de opslag van stro en de omvang van het bouwvlak tot de omvang van de bestaande schapenstal.

 - Aanduiding "relatie" op de verbeelding en bijlage 3 van de planregels

9.    [appellant sub 3] stelt dat niet duidelijk is wat wordt bedoeld met de op de verbeelding tussen het bouwvlak aan [locatie 4] en het bouwvlak op het perceel B7424 aangeven lijn met de aanduiding "relatie". Daarom doet zich volgens hem een rechtsonzekere situatie voor. [appellant sub 3] stelt verder dat sprake is van een rechtsonzekere situatie omdat in bijlage 3 bij de planregels, waarin een inventarisatie van bebouwing van niet-agrarische bedrijven is opgenomen, het aantal vierkante meters voor zijn agrarisch bedrijf is opgenomen. Hij voert aan dat in artikel 3 van de planregels, dat de bestemming "Agrarisch met waarden" betreft, niet wordt verwezen naar bijlage 3.

9.1.    De raad stelt dat het houden van schapen op het perceel B7424 een ondergeschikte nevenactiviteit is van het klussen- en verhuurbedrijf van [appellant sub 3] aan [locatie 4], waar [appellant sub 3] een caravanstalling exploiteert. Met de aanduiding "relatie" heeft de raad het perceel aan [locatie 4] en het perceel B7424 aan elkaar willen verbinden en daarmee willen vastleggen dat de hier aan de orde zijnde bouwvlakken één functionele eenheid vormen. Dat betekent volgens de raad dat voor de toepassing van de bouwregels de bouwvlakken als één geheel worden beschouwd voor hetzelfde bedrijf, aldus de raad. Omdat [appellant sub 3] in hoofdzaak een caravanstalling exploiteert, is de maximale toelaatbare bebouwing voor de beide bouwvlakken in artikel 5 van de planregels geregeld, dat gaat over de bestemming "Bedrijf", zo stelt de raad.

9.2.    Zoals onder 6 is overwogen is aan het perceel aan [locatie 4] de bestemming "Bedrijf" met de aanduidingen "caravanstalling", "maximum aantal wooneenheden 1" en een bouwvlak toegekend. Aan het perceel B7424 waarop de stal staat is de bestemming "Agrarisch met waarden", de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden-dierenverblijf en opslag van stro" en een bouwvlak toegekend. Tussen de bouwvlakken is op de verbeelding een lijn aangebracht met de aanduiding "relatie".

9.3.    In artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder b, van de planregels is bepaald dat de voor "Bedrijf" aangewezen gronden ter plaatse van de functieaanduiding "caravanstalling" zijn bestemd voor een caravanstalling in categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

    Lid 5.2, onder a, luidt:

"a.  gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan".

    Lid 5.2, onder c, luidt:

"c. per bouwvlak mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van één bedrijf worden gebouwd".

    In lid 5.2, onder g, is bepaald dat van bedrijfsgebouwen het bebouwde oppervlak volgens bijlage 3 van de planregels met maximaal 10% mag worden vergroot.

    In bijlage 3 is voor het perceel [locatie 4] het volgende opgenomen:

9.4.    De bedoeling van de raad om het houden van schapen in de schapenstal op het perceel B7424 als ondergeschikte nevenactiviteit aan te merken van de bedrijfsactiviteiten die plaatsvinden op het perceel [locatie 4] komt niet dan wel onvoldoende tot uitdrukking in het plan. De op de verbeelding opgenomen aanduiding "relatie" is niet verklaard in de planregels. Verder is de schapenstal weliswaar in bijlage 3, die een inventarisatie betreft van bebouwing van niet-agrarische bedrijven en voorzieningen, opgenomen als aanwezige bebouwing bij de caravanstalling aan [locatie 4], maar alleen in artikel 5, dat gaat over gronden met de bestemming "Bedrijf", wordt naar deze bijlage verwezen. De schapenstal staat echter op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden". Daarop ziet artikel 3 van de planregels.

    Het besluit is daarom genomen in strijd met de rechtszekerheid en met artikel 3:2 van de Awb, voor zover het gaat om het perceel B7424 en de aanduiding "relatie".

    Het betoog van [appellant sub 3] slaagt.

Het beroep van [appellant sub 3] en [appellante sub 4B] tegen het bestemmingsplan "De Bree 4"

- Algemeen

10.    [appellant sub 3] en [appellante sub 4B] wonen aan [locatie 4]. Zij kunnen zich niet verenigen met het plan "De Bree 4" voor zover daarbij is voorzien in drie woningen op het naastgelegen perceel De Bree 4. Op het perceel was voorheen een grondgebonden agrarisch bedrijf gevestigd. De voormalige bedrijfswoning blijft gehandhaafd en twee nieuwe woningen worden gebouwd. Sint Laurensfonds is eigenaar van het perceel De Bree 4 en initiatiefnemer van het plan. Op het perceel van [appellant sub 3] en [appellante sub 4B] bevindt zich, zoals hiervoor onder 6 en volgende aan de orde is geweest over de beroepsgronden die [appellant sub 3] over het Plan "Buitengebied Noord" naar voren heeft gebracht, een caravanstalling en achter dat perceel een schapenstal. [appellant sub 3] en [appellante sub 4B] (hierna en in enkelvoud: [appellant sub 3]) vrezen dat de in het plan voorziene woningen tot gevolg zullen hebben dat de bedrijfsvoering met betrekking tot de caravanstalling en de agrarische activiteiten zal worden beperkt.

- Ingetrokken beroepsgronden

11.    [appellant sub 3] heeft zijn beroepsgronden over de hinder van de vervoersbewegingen van het agrarisch bedrijf ten westen van de voorziene woningen, hinder van fijn stof, het toepassen van de Ruimte-voor-ruimteregeling en de financiële uitvoerbaarheid van het plan ter zitting ingetrokken.

- Relativiteitsvereiste

12.    De raad en Sint Laurensfonds hebben hun betoog dat het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit vanwege de beroepsgronden over geluid en geur ter zitting ingetrokken.

- Geluid

13.    [appellant sub 3] stelt dat de bewoners van de in het plan opgenomen woningen geluidhinder van de verkeersbewegingen over zijn gronden zullen ondervinden. Hij vreest dat de bedrijfsvoering van zijn caravanstalling en zijn agrarisch bedrijf daardoor zal worden belemmerd. Hij wijst erop dat de afstand tussen de in het plan opgenomen bouwvlakken voor de woningen en het pad waarover de verkeersbewegingen plaatsvinden 10 m en 32 m is. Verder is de raad er volgens hem ten onrechte vanuit gegaan dat het aantal verkeersbewegingen beperkt zal zijn tot maximaal 6 per dag. [appellant sub 3] stelt dat het gaat om minimaal 10 verkeersbewegingen. Hij brengt daarnaast naar voren dat de raad er geen rekening mee heeft gehouden dat hij zijn agrarisch bedrijf wil uitbreiden tot 200 schapen. [appellant sub 3] voert verder aan dat de raad de verkeersbewegingen die verband houden met het door hem geëxploiteerde akkerbouwbedrijf en met het verzetten van caravans met de shovel niet in zijn afweging heeft betrokken. Hij stelt ten slotte dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar het geluid dat wordt veroorzaakt door de verkeersbewegingen van de shovel, tractor, auto en quad van zijn woning naar de schapenstal.

13.1.     De raad stelt dat de geluidhinder ter plaatse van de voorziene woningen aan De Bree 4 ten gevolge van de verkeersbewegingen op de gronden van [appellant sub 3] aanvaardbaar zijn, zodat [appellant sub 3] niet in zijn bedrijfsvoering zal worden beperkt.

13.2.    In de plantoelichting is ingegaan op het geluid van de voertuigbewegingen op het erf van [appellant sub 3] van en naar de schapenstal. In de plantoelichting staat dat deze verkeersbewegingen zien op het transport van stro of hooi, de opslag van stro, het brengen of halen van schapen en voederactiviteiten of andere dagelijkse zorg. Volgens de plantoelichting zal het aantal verkeersbewegingen beperkt blijven tot gemiddeld 1 tot 6 voertuigbewegingen per dag. Die bewegingen zijn hoorbaar, maar gelet op het beperkte aantal, van incidentele aard en om die reden gaat daar geen onaanvaardbare hinder vanuit. In de plantoelichting staat verder dat wat betreft de caravanstalling is aangesloten bij de richtafstand van 10 m die in de brochure "Bedrijven en milieuzonering", editie 2009, van de Vereniging Nederlandse Gemeenten is opgenomen voor de categorie "Autoparkeerterreinen, parkeergarages", en dat daaraan wordt voldaan. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is daarmee gewaarborgd, zo staat in de plantoelichting.

13.3.    De raad heeft ter ondersteuning van het standpunt dat de ter plaatse van de woningen aan De Bree 4 te verwachten geluidhinder aanvaardbaar is een advies van Omgevingsdienst Midden-Holland van 25 juni 2019 overgelegd. Daarin is aansluiting gezocht bij de geluidnormen die in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit zijn opgenomen. In het advies is ervan uitgegaan dat ongeveer eenmaal per week een vrachtwagen met hooi en stro naar de schapenstal zal rijden en dat incidenteel een vrachtwagen schapen zal halen of brengen. Verder is uitgegaan van vier verkeersbewegingen met een auto per dag voor de verzorging van de schapen. In het advies staat verder dat de caravans aan het begin van het kampeerseizoen worden opgehaald en aan het einde van het kampeerseizoen worden teruggebracht. Daarbij is ervan uitgegaan dat het manoeuvreren van 10 auto’s en het wegzetten of ophalen van de caravans 10 minuten in beslag neemt. Volgens het advies is de geluidbelasting ten hoogste 45 dB(A). Daarmee kan dus worden voldaan aan de in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit voor de dag- en de avondperiode opgenomen waarden van onderscheidenlijk 50 dB(A) en 45 dB(A).

    In het advies staat verder dat, omdat de verkeersactiviteiten kortdurend plaatsvinden en dus kortdurend hoorbaar zullen zijn, geen hinder daarvan is te verwachten. Ter zitting is daaraan toegevoegd dat het aantal verkeersbewegingen vergelijkbaar zal zijn met het aantal verkeersbewegingen dat op het perceel De Bree 4 bij de drie woningen in totaal plaats zal hebben.

13.4.    [appellant sub 3] heeft zijn stelling dat hij ter plaatse een akkerbouwbedrijf exploiteert niet met concrete gegevens onderbouwd. De raad heeft dan ook geen rekening hoeven houden met eventuele daarmee gepaard gaande verkeersbewegingen. Verder acht de Afdeling niet aannemelijk dat van de verkeersbewegingen van een shovel, tractor of een quad zodanig andere gevolgen voor de geluidhinder zijn te verwachten dan waar de raad zich op heeft gebaseerd, dat niet kan worden uitgegaan van de conclusie die in de plantoelichting is neergelegd over de aanvaardbaarheid van de geluidhinder en die in het advies van de Omgevingsdienst Midden-Holland is bevestigd. Dat geldt ook voor het geluid van campers, waar [appellant sub 3] ter zitting op heeft gewezen. Daarbij betrekt de Afdeling dat ook dergelijke verkeersbewegingen kortdurend plaats zullen vinden. Voor zover [appellant sub 3] ter zitting heeft betoogd dat in het advies van de Omgevingsdienst Midden-Holland er geen rekening mee is gehouden dat ook ’s avonds verkeersbewegingen plaatsvinden, slaagt dit niet. In het advies staat dat kan worden voldaan aan de daarvoor in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit opgenomen waarde van 45 dB(A).

    Verder acht de Afdeling niet aannemelijk dat, indien in de stal 200 schapen worden gehouden, een zodanige toename van het aantal verkeersbewegingen zal plaatshebben, dat de conclusie van de raad anders zou komen te luiden. [appellant sub 3] heeft zijn stelling daarover niet geconcretiseerd.

    De raad heeft zich gelet op het voorgaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van de woningen in het plangebied geen sprake zal zijn van onaanvaardbare geluidhinder vanwege de op de percelen van [appellant sub 3] plaatsvindende verkeersbewegingen, zodat niet is te verwachten dat [appellant sub 3] zal worden belemmerd in zijn bedrijfsvoering.

    Het betoog faalt.

- Geur

14.    [appellant sub 3] stelt dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen in het plangebied niet kan worden gewaarborgd vanwege de daar te verwachten geurhinder van zijn schapenstal, waardoor zijn bedrijfsvoering wordt belemmerd. Hij betoogt dat door de voorziene woningen en het verdwijnen van het agrarisch bedrijf aan De Bree 4 het gebied is aan te merken als bebouwde kom en dat niet kan worden voldaan aan de daarvoor geldende norm van 2 ouE/m3. Hij brengt verder naar voren dat de raad bij het bepalen van de geurcontour ten onrechte is uitgegaan van de bestaande schapenstal. Hij wijst er daarbij op dat, gelet op het beroep dat hij heeft ingesteld tegen het plan "Buitengebied Noord", de kans aanwezig is dat uiteindelijk een groter bouwvlak zal worden toegekend waarop een grotere schapenstal kan worden gerealiseerd. Ten slotte stelt hij dat de cumulatie van geurhinder ten onrechte niet is onderzocht.

14.1.    In de plantoelichting is ingegaan op de ter plaatse van de in het plangebied opgenomen woningen te verwachten geurhinder. Voor het bepalen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wat betreft geurhinder heeft de raad aansluiting gezocht bij de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) en het Activiteitenbesluit. Ook heeft de raad getoetst aan de gemeentelijke Verordening geurhinder en veehouderij. Omdat aan de toepasselijke afstand en waarde kan worden voldaan is een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd, aldus de raad.

14.2.    In paragraaf 3.5.8 van het Activiteitenbesluit zijn bepalingen opgenomen over het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven. Uit artikel 3.111 van het Activiteitenbesluit volgt dat deze paragraaf van toepassing is op het houden en het fokken van de 50 huidige tot en de 200 gewenste schapen door [appellant sub 3].

    Uit artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, gelezen in samenhang met artikel 10 van de Wgv, artikel 2, zesde lid, van de Regeling geurhinder en veehouderij en categorie B1 van bijlage 1 bij die regeling, volgt dat voor schapen een geuremissiefactor als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit is vastgesteld.

    Artikel 3.115 luidt:

"1. Het oprichten, uitbreiden, of wijzigen van een dierenverblijf met dieren met geuremissiefactor is verboden, indien de geurbelasting die de inrichting vanwege dierenverblijven waar dieren met geuremissiefactor worden gehouden veroorzaakt, op geurgevoelige objecten die zijn gelegen in de gebieden, bedoeld in tabel 3.115, na de oprichting, uitbreiding of wijziging meer bedraagt dan de in die tabel aangegeven waarden."

    In die tabel is voor een gebied dat geen concentratiegebied is en dat buiten de bebouwde kom ligt een waarde van 8,0 ouE/m3 opgenomen en voor een gebied dat geen concentratiegebied is en binnen de bebouwde kom ligt een waarde van 2,0 ouE/m3.

14.3.    Vaststaat dat de omgeving van het plangebied geen concentratiegebied is als bedoeld in artikel 3.115. In geschil is of het plangebied ligt in de bebouwde kom. In het Activiteitenbesluit en de Wgv is geen omschrijving opgenomen van het begrip bebouwde kom. Volgens vaste jurisprudentie wordt de grens van de bebouwde kom bepaald door de aard van de omgeving. De bebouwde kom is het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:981).

    Aan de overkant van de weg De Bree is sprake van een overwegende woon- of verblijfsfunctie. Aan de zijde van De Bree waar het plangebied is, is dat niet het geval. Het plangebied is omgeven door hoofdzakelijk agrarische gronden met daarop verspreid liggende bebouwing. Het gebied is dermate dun bebouwd dat niet gesproken kan worden van een gebied dat door een aaneengesloten bebouwing een overwegende woon- en verblijffunctie heeft. De toevoeging van de in het plan voorziene woningen aan dit gebied is niet voldoende om wel een dergelijke functie aan te nemen. De raad heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de directe omgeving van het plangebied buiten de bebouwde kom ligt.

    Het betoog van [appellant sub 3] dat het plangebied deel uitmaakt van de bebouwde kom faalt.

14.4.    Artikel 3.115, tweede lid, van het Activiteitenbesluit luidt:

"Het eerste lid is niet van toepassing:

a. indien het geurgevoelig object een object als bedoeld in artikel 3.116, eerste lid, onderdelen a, b of c, of tweede lid, is;

(…)"

    In artikel 3.116, eerste lid, aanhef en onder b, is bepaald dat het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf met dieren met geuremissiefactor niet plaatsvindt, indien na de oprichting, uitbreiding of wijziging de afstand tussen het dierenverblijf en een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij minder dan 50 meter bedraagt, indien het object, bedoeld in onderdeel a, b of c, buiten de bebouwde kom is gelegen.

    Het derde lid luidt:

"3. Het eerste lid is niet van toepassing indien de geurbelasting op het object, bedoeld in de onderdelen a, b of c van dat lid, lager is dan de waarde die volgens artikel 3.115, eerste lid, geldt voor het gebied waarin dat object ligt."

    Artikel 3.118, eerste lid, luidt:

"De artikelen 3.115 tot en met 3.117 zijn niet van toepassing, voor zover bij verordening op grond van artikel 6 van de Wgv andere waarden of afstanden zijn vastgesteld. In dat geval vindt het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf niet plaats, indien na die oprichting, uitbreiding of wijziging de geurbelasting die de inrichting vanwege dierenverblijven waar dieren met geuremissiefactor worden gehouden veroorzaakt op geurgevoelige objecten, groter is dan de in de verordening vastgestelde belasting dan wel, indien binnen de inrichting de afstand tussen enig dierenverblijf waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden en een geurgevoelig object kleiner is dan in de verordening vastgestelde afstand."

14.5.    Op 12 december 2014 heeft de raad de Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. Daarin zijn afstanden opgenomen die van een veehouderij tot voormalige agrarische bedrijfswoningen moeten worden aangehouden en afstanden die moeten worden aangehouden tussen een geurgevoelig object en een veehouderij waarin dieren worden gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld.

    In artikel 3, aanhef en onder b, van die verordening is, in afwijking van het Activiteitenbesluit, bepaald dat de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij ten minste 25 m bedraagt indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen. Op grond van deze bepaling, gelezen in samenhang met artikel 3.118, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, dient tussen de schapenstal en de bestaande woning aan De Bree 4, die behoorde tot het voorheen daar gevestigde agrarische bedrijf, een afstand van ten minste 25 m te worden aangehouden.

14.6.    In de plantoelichting staat dat de afstand tussen het plangebied en de schapenstal ruim 54 meter is. Met deze afstand wordt dus voldaan aan de in artikel 3, aanhef en onder b, van de gemeentelijke geurverordening opgenomen afstand van 25 m tot de bestaande woning die voorheen tot het agrarisch bedrijf aan De Bree 4 behoorde. Indien tussen een dierenverblijf en een geurgevoelig object de in de Wgv of de hierop gebaseerde geurverordening genoemde afstand wordt aangehouden, dan wel de afstand die volgt uit het Activiteitenbesluit, mag in beginsel worden aangenomen dat bij het geurgevoelig object een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van 6 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ3386). [appellant sub 3] heeft geen gegevens aangedragen op grond waarvan daaraan in dit geval moet worden getwijfeld. Het betoog dat het beroep dat hij tegen het besluit waarbij het plan "Buitengebied Noord" is vastgesteld heeft ingesteld uiteindelijk ertoe zou kunnen leiden dat een groter bouwvlak wordt toegekend ter plaatse van de schapenstal, faalt, gelet op hetgeen daarover hiervoor onder 8 en volgende over dat beroep is overwogen.

14.7.    Naar de te verwachten geurhinder van de in de schapenstal van [appellant sub 3] te houden schapen is nader onderzoek verricht. De resultaten daarvan zijn neergelegd in bijlage 11 bij de plantoelichting. Daarin staat dat de immissiewaarden voor zowel 50 als voor 200 schapen kleiner zijn dan 8 ouE/m3. Hoewel daarmee wat betreft de twee in het plangebied nieuw te bouwen woningen wordt voldaan aan artikel 3.115, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, dient inzichtelijk te worden gemaakt dat de toegestane geurbelasting, rekening houdend met mogelijke cumulatie van geurbelasting, in overeenstemming is met het vereiste van een goede ruimtelijke ordening (vergelijk de uitspraak van 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1144). In de plantoelichting is in aanmerking genomen dat ten westen van het plangebied aan Weijland 85 een melkveehouderijbedrijf is gelegen. Uit artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, gelezen in samenhang met artikel 10 van de Wgv, artikel 2, zesde lid, van de Regeling geurhinder en veehouderij en bijlage 1 bij die regeling, volgt dat voor melkvee geen geuremissiefactor is vastgesteld. In artikel 2, aanhef en onder b, van de gemeentelijke geurverordening is, in afwijking van artikel 3.117 van het Activiteitenbesluit, op grond waarvan een afstand van 50 m moet worden aangehouden, bepaald dat de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor krachtens de wet geen geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom 25 m bedraagt. Tussen een geurgevoelig object en het melkveehouderijbedrijf aan Weijland 85 dient dus op grond van artikel 2, aanhef en onder b, van de geurverordening, gelezen in samenhang met artikel 3.118, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, een afstand van 25 m te worden aangehouden. De afstand tot de voorziene woningen is groter, zo staat in de plantoelichting. Omdat voor het melkveebedrijf een afstandsnorm geldt en geen geuremissiefactor aan de orde is, speelt de achtergrondbelasting geen rol. [appellant sub 3] heeft geen gegevens aangedragen op grond waarvan niettemin moet worden aangenomen dat ten gevolge van de cumulatie van geur van het bedrijf aan Weijland 85 en de schapenstal en van verder weg gelegen veehouderijbedrijven zodanige geurhinder is te verwachten dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen niet kan worden gewaarborgd.

14.8.    Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen in het plangebied aanvaardbaar zal zijn en dat [appellant sub 3] in zoverre niet zal worden beperkt in zijn bedrijfsvoering van de schapenhouderij vanwege de ter plaatse van deze woningen te verwachten geurhinder.

    Het betoog faalt.

- Zicht op de bestaande boerderij

15.     [appellant sub 3] stelt dat het zicht op de te handhaven bebouwing, waar een woning in zal worden gerealiseerd, wordt weggenomen door de nieuwbouw van twee woningen. Hij voert aan dat de gemeente aan de initiatiefnemers van het plan in een brief van 26 november 2010 te kennen heeft gegeven dat de nieuwe woningen ten minste 10 m achter de voorgevelrooilijn van de bestaande bebouwing moeten worden gerealiseerd. Volgens [appellant sub 3] is daarom geen sprake van een goede ruimtelijke ordening.

15.1.    De raad heeft in het verweerschrift toegelicht dat naar aanleiding van milieukundig onderzoek de in 2010 bij de initiatiefnemers aangegeven kaders zijn losgelaten en dat in overleg met de provincie Zuid-Holland clusterbebouwing is ontworpen, zodat een ruim doorzicht ontstaat naar het achtergelegen landschap en de karakteristieke verkavelingspatronen en de voor het landschap beeldbepalende lengtesloten behouden blijven en zichtbaar worden gemaakt.

15.2.     In de plantoelichting zijn de randvoorwaarden voor een goede ruimtelijke inpassing beschreven. Met aandacht voor landschap, landschappelijke clustering en landschappelijke inpassing van de bebouwing ontstaat een goede inpassing van het nieuwe erf in de ruimtelijke context, zo staat in de plantoelichting.

    De Afdeling ziet, gelet op de beschrijving in de plantoelichting van de ruimtelijke inpassing, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan niet heeft mogen vaststellen omdat het zicht op de bestaande bebouwing niet blijft behouden. Er doet zich daarom, anders dan [appellant sub 3] stelt, in zoverre geen strijd voor met een goede ruimtelijke ordening.

    Het betoog faalt.

Conclusie

16.    Zoals hiervoor onder 4 en volgende is overwogen is het beroep van [appellante sub 1] dat zij heeft ingesteld tegen het besluit waarbij het plan "Buitengebied Noord" is vastgesteld niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellante sub 2] tegen dat besluit is, gelet op hetgeen onder 5 en volgende is overwogen, ongegrond.

    Zoals hiervoor onder 9.4 is overwogen is het besluit tot vaststelling van het plan "Buitengebied Noord" in strijd met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld voor zover het het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden-dierenverblijf en opslag van stro" betreft, dat gaat over het perceel B7424, evenals de aanduiding "relatie" tussen het bouwvlak op dat perceel en het bouwvlak dat aan het perceel [locatie 4] is toegekend. Het beroep van [appellant sub 3] tegen het besluit waarbij het plan "Buitengebied Noord" is vastgesteld is daarom gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

17.    Het beroep van [appellant sub 3] en [appellante sub 4B] tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Bree 4" is, gelet op hetgeen onder 13 en volgende is overwogen, ongegrond.

Opdracht en voorlopige voorziening

18.    De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en zal daartoe een termijn van 20 weken stellen. Een nieuw besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt en medegedeeld.

19.    De Afdeling ziet aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb inhoudende dat voor het perceel B7424 de bestemming "Agrarisch met waarden" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - dierenverblijf en opslag van stro" en het toegekende "bouwvlak" blijven gelden tot een nieuw besluit is genomen en in werking is getreden. De Afdeling komt tot deze voorlopige voorziening omdat, zoals onder 8 en volgende is overwogen, de raad in redelijkheid het gebruik van het perceel B7424 heeft kunnen beperken tot het houden schapen en de opslag van stro en de omvang van het bouwvlak tot de omvang van de bestaande schapenstal.

Proceskosten

20.    De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellant sub 3] tegen het besluit waarbij het plan "Buitengebied Noord" is vastgesteld op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

    Ten aanzien van de beroepen van [appellante sub 1] en [appellante sub 2], die zij hebben ingesteld tegen het besluit waarbij het plan "Buitengebied Noord" is vastgesteld, en ten aanzien van het beroep dat [appellant sub 3] en [appellante sub 4B] hebben ingesteld tegen het besluit waarbij het bestemmingsplan "De Bree 4" is vastgesteld, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellante sub 1] tegen het besluit van 22 november 2017 waarbij de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk het bestemmingsplan "Buitengebied Noord" heeft vastgesteld niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van [appellante sub 2] tegen het besluit van 22 november 2017 waarbij de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk het bestemmingsplan "Buitengebied Noord" heeft vastgesteld ongegrond;

III.    verklaart het beroep van [appellant sub 3] tegen het besluit van 22 november 2017 waarbij de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk het bestemmingsplan "Buitengebied Noord" heeft vastgesteld gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk van 22 november 2017, waarbij het plan "Buitengebied Noord" is vastgesteld voor zover het betreft:

a. het plandeel voor het perceel B7424, met de bestemming "Agrarisch met waarden" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden-dierenverblijf en opslag van stro";

b. de aanduiding "relatie" tussen dat plandeel en het plandeel aan [locatie 4], waaraan de  bestemming "Bedrijf" en de aanduidingen "caravanstalling", "maximum aantal wooneenheden 1" en een bouwvlak is toegekend;

V.    draagt de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk op om binnen 20 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

VI.    treft de voorlopige voorziening dat de bestemming "Agrarisch met waarden" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - dierenverblijf en opslag van stro" en het toegekende bouwvlak voor het perceel B7424 blijven gelden tot een nieuw bestemmingsplan in werking is getreden;

VII.    bepaalt dat de onder VI opgenomen voorlopige voorziening vervalt op het tijdstip van inwerkingtreding van het door de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk te nemen besluit als bedoeld onder V;

VIII.    veroordeelt de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk tot vergoeding van bij [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX.    gelast dat de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk aan [appellant sub 3] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) vergoedt;

X.    verklaart het beroep van [appellant sub 3] en [appellante sub 4B] tegen het besluit van 22 november 2017 waarbij de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk het bestemmingsplan "De Bree 4" heeft vastgesteld ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. H. Bolt en mr. A. ten Veen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, griffier.

w.g. Slump    w.g. Duursma

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2019

378.