Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2873

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2019
Datum publicatie
28-08-2019
Zaaknummer
201809407/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:13725, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 december 2017 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan in Nederland heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201809407/1/V3.

Datum uitspraak: 26 augustus 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 oktober 2018 in zaak nr. 18/2570 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2017 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan in Nederland heeft.

Bij besluit van 15 maart 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 oktober 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.G.P. de Boon, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling heeft de Poolse nationaliteit en staat sinds 18 april 2016 in Nederland ingeschreven als niet ingezetene in de Basisregistratie personen. Gedurende zijn verblijf heeft hij geen beroep gedaan op het socialebijstandsstelsel.

Tweede deel grief

2.    De in het tweede deel van de grief opgeworpen rechtsvraag gaat over de vraag of de vreemdeling als burger van de Unie, die niet kan worden aangemerkt als werknemer of zelfstandige als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), geacht kan worden over voldoende middelen van bestaan te hebben beschikt als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000, indien hij geen beroep heeft gedaan op het socialebijstandsstelsel. De Afdeling heeft deze vraag bij uitspraken van 25 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2502, ECLI:NL:RVS:2019:2503 en ECLI:NL:RVS:2019:2504, beantwoord. De overwegingen in die uitspraken zijn ook in deze zaak van toepassing.

3.    Die overwegingen leiden er in dit geval toe dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet heeft aangetoond dat hij over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000, heeft beschikt.

3.1.    De vreemdeling heeft, anders dan het geval was in de uitspraken van de Afdeling van 25 juli 2019, in de procedure uitsluitend aangevoerd, en dit is ook door de staatssecretaris erkend, dat hij enkele maanden arbeid in loondienst bij een uitzendbureau heeft verricht, maar hij heeft geen enkel stuk overgelegd waaruit zijn verdiensten blijken en waaruit blijkt dat hij daarmee vermogen heeft kunnen opbouwen waarmee hij als economisch inactieve in zijn levensonderhoud kon voorzien. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit het besluit van 14 december 2017 volgt dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft gesteld dat het zwervend bestaan van de vreemdeling, in samenhang met de staandehoudingen en aanhoudingen vanwege overtredingen en misdrijven, voldoende aanwijzing vormde om te betwijfelen of de vreemdeling over voldoende middelen van bestaan beschikte. De vreemdeling heeft dit niet betwist.

3.2.    Gelet hierop heeft de rechtbank de staatssecretaris terecht gevolgd in zijn standpunt dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, van het Vb 2000.

3.3.    Het tweede deel van de grief faalt.

Eerste deel grief

4.    De in het eerste deel van de grief opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling bij uitspraken van 7 november 2017, ECLI:NL:RVS:2018:3584 en ECLI:NL:RVS:2018:3585 beantwoord. Hieruit volgt dat krachtens artikel 14, derde lid en punt 16 van de considerans van de Verblijfsrichtlijn (PB 2004 L 158, met rectificatie in PB 2004 L 229) een belangenafweging moet worden gemaakt als de staatssecretaris vaststelt dat de burger van de Unie geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft of heeft gehad, omdat aan deze vaststelling een verwijderingsmaatregel in de zin van de Verblijfsrichtlijn is verbonden. De staatssecretaris heeft die belangenafweging in zijn besluit van 15 maart 2018 niet gemaakt. In het verweerschrift van 15 oktober 2018 heeft hij bovendien toegelicht dat aan een belangenafweging niet wordt toegekomen. De rechtbank heeft ten onrechte niet onderkend dat dit standpunt van de staatssecretaris niet juist is.

4.1.    Het eerste deel van de grief slaagt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. De Afdeling zal het beroep tegen het besluit van 15 maart 2018 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit wordt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb, vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier geen griffierecht heeft geheven, hoeft de staatssecretaris dat niet te vergoeden.

6.    De staatssecretaris moet met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar nemen. Daarin zal de staatssecretaris, gelet op wat onder 3. is overwogen, een afweging moeten maken tussen de belangen van de vreemdeling en de staat, en daarbij in ieder geval de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling moeten betrekken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 oktober 2018 in zaak nr. 18/2570;

III.    verklaart het beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 15 maart 2018, V-nummer […];

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.536,00 (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Van Gemert

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2019

47-872.