Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2869

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-08-2019
Datum publicatie
28-08-2019
Zaaknummer
201810239/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 november 2018 in zaken nrs. 18/325, 18/330, 18/661.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201810239/2/A3.

Datum beslissing: 23 augustus 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 november 2018 in zaken nrs. 18/325, 18/330, 18/661 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Tynaarlo.

Procesverloop

[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 november 2018 in zaken nrs. 18/325, 18/330, 18/661.

[belanghebbende], derde-belanghebbende, heeft op verzoek van de Afdeling een aantal gedingstukken overgelegd. [belanghebbende] heeft daarbij medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van de hierin vermelde bedragen.

Het betreft vijf huurovereenkomsten voor bedrijfsruimten aan de Meerweg en Mecuriusweg te Tynaarlo. In de huurovereenkomsten is onder meer vermeld tegen welk bedrag de betreffende bedrijfsruimte aan de huurder wordt verhuurd.

Overwegingen

1.    [belanghebbende] heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van in de huurovereenkomsten vermelde bedragen kennis zal nemen. Ter motivering van het verzoek heeft [belanghebbende] aangevoerd dat de door hem verhuurde bedrijfsruimten zich bevinden op een relatief klein industrieterrein waar [persoon] ook bedrijfsruimten verhuurt. Hij acht het onwenselijk dat zijn concurrent over de huurprijzen beschikt.

2.    Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.

3.    De Afdeling merkt de in de huurovereenkomsten vermelde bedragen aan als vertrouwelijke bedrijfsgegevens. Zij acht aannemelijk dat bekendmaking van deze bedragen aan de andere partijen kan leiden tot onevenredige benadeling van [belanghebbende] en onevenredige bevoordeling van [appellante].

4.    Naar het oordeel van de Afdeling weegt het belang van voorkoming van deze onevenredige benadeling of bevoordeling in dit geval zwaarder dan het belang dat [appellante] en het college kennis nemen van de huurprijzen. Daar komt bij dat de in de huurovereenkomsten vermelde bedragen op zichzelf niet relevant zijn voor de inhoudelijke beoordeling van de bodemzaak.

5.    De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek toe;

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, mr. A.W.M. Bijloos en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Ley-Nell, griffier.

w.g. Daalder    w.g. Ley-Nell

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2019