Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2865

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2019
Datum publicatie
04-09-2019
Zaaknummer
201900553/2/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2018:5954, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 december 2018. Het gaat in deze zaak over het zonder omzettings- en omgevingsvergunningen omzetten van panden van zelfstandige woonruimte naar onzelfstandige woonruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201900553/2/A3.

Datum beslissing: 27 augustus 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 december 2018 in zaken nrs. 18/1737, 18/2176, 18/1735, 18/2070, 18/1738, 18/2178, 18/2514, 18/2513, 18/1541, 18/1540, 18/1739, 18/1741, 18/1740, 18/1743, 18/1744 en 18/1745 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 december 2018. Het gaat in deze zaak over het zonder omzettings- en omgevingsvergunningen omzetten van panden van zelfstandige woonruimte naar onzelfstandige woonruimte.

Het college heeft uittreksels uit de Basisregistratie Personen overgelegd betreffende de panden aan [locaties] in Utrecht en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.

Overwegingen

1.    Het college heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de uittreksels kennis zal nemen. Ter motivering van het verzoek heeft het college aangevoerd dat de uittreksels diverse persoonsgegevens bevatten van al dan niet voormalige bewoners van de panden waar overtredingen zijn geconstateerd en waartegen handhavend is opgetreden, zoals namen en geboortedata of gegevens die herleidbaar zijn tot personen zoals vestigingsdata en nieuwe woonadressen. Het college is van mening dat het de uittreksels niet aan derden zoals [appellant] mag verstrekken. De documenten zijn echter wel van belang voor de beoordeling, of en sinds wanneer sprake is geweest van omzetting van zelfstandige naar onzelfstandige woonruimte. In de bestreden besluiten is zoveel als mogelijk gedeeld welke informatie is betrokken bij de handhavingsbesluiten, aldus het college.

2.    Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.

3.    De Afdeling heeft kennisgenomen van de uittreksels. Zij acht aannemelijk dat kennisneming daarvan zal leiden tot aantasting van het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen. Naar het oordeel van de Afdeling weegt het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in dit geval zwaarder dan het belang van [appellant] om kennis te nemen van de uittreksels. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het college heeft meegedeeld welke informatie is betrokken bij de handhavingsbesluiten.

4.    De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek toe;

Aldus vastgesteld door mr. A.W.B. Bijloos, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Ley-Nell, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Ley-Nell

lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2019