Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2863

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-08-2019
Datum publicatie
28-08-2019
Zaaknummer
201803186/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:3425, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 januari 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/450
JV 2019/169
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803186/1/V1.

Datum uitspraak: 23 augustus 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 maart 2018 in zaak nr. 17/14517 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 23 augustus 2017 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 maart 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.J. Ullersma, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De minister van Justitie en Veiligheid (nu: de staatssecretaris) heeft desgevraagd een schriftelijke uiteenzetting gegeven, waarop de vreemdeling schriftelijk heeft gereageerd.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    De vreemdeling, geboren op [..-..-….], beoogt verblijf bij referent, zijn moeder. Beiden hebben de Syrische nationaliteit. Niet in geschil is dat de vreemdeling eind 2012 naar Libanon is gebracht door referent. De vreemdeling is na aankomst in Libanon eerst bij zijn neven en na een paar maanden bij zijn oom, die hem onderhoudt, gaan wonen. Referent is in juli 2015 uit Syrië vertrokken en op 29 februari 2016 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag, gedaan in het kader van nareis, afgewezen omdat de feitelijke gezinsband tussen de vreemdeling en referent is verbroken.

Uitspraak van de rechtbank

2.    De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat hij niet vrijwillig uit huis is gegaan om zich in een ander land te vestigen en zelfstandig te worden. In dit verband heeft hij onder meer gewezen op de algemene veiligheidssituatie in Syrië en het risico om te worden gerekruteerd voor de militaire dienstplicht of milities. Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank overwogen dat asielgerelateerde beroepsgronden in het kader van nareis niet aan de orde kunnen komen en dat de vreemdeling zelf een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel kan indienen. De staatssecretaris heeft zich volgens de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de feitelijke gezinsband tussen de vreemdeling en referent was verbroken op het moment dat referent Syrië verliet, omdat sprake is van twee in het beleid neergelegde contra-indicaties, te weten 'het kind woont zelfstandig' en 'het kind voorziet in eigen onderhoud'.

2.1.    Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris het bezwaar van de vreemdeling niet ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft beschouwd en daarom niet ten onrechte van het horen heeft afgezien.

Hoger beroep van de vreemdeling

3.    De eerste en derde grief van de vreemdeling zijn gericht tegen de onder 2 weergegeven overwegingen van de rechtbank. De vreemdeling voert aan dat de rechtbank de omstandigheden waaronder referent hem naar Libanon heeft gebracht ten onrechte als asielgerelateerd heeft aangemerkt en dat deze omstandigheden betrokken hadden moeten worden bij de beoordeling van de feitelijke gezinsband. De vreemdeling voert aan dat de onvrijwilligheid die ten grondslag ligt aan de scheiding tussen hem en referent en aan het maken van bepaalde keuzes relevant is voor de belangenafweging. De vreemdeling voert in dat verband aan dat hij enkel zelfstandig is gaan wonen en is gaan werken omdat de omstandigheden hem hiertoe dwongen. De rechtbank heeft volgens de vreemdeling niet draagkrachtig gemotiveerd dat deze context niet van doorslaggevend belang is.

3.1.    De vierde grief van de vreemdeling is gericht tegen de onder 2.1 weergegeven overweging van de rechtbank. De vreemdeling voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris alleen in kennelijke gevallen van het horen kan afzien en dat daar in dit geval, gelet op de inhoudelijke argumenten die noopten tot een hoorzitting, geen sprake van was. Zo heeft de staatssecretaris in het besluit vragen gesteld bij de overgelegde documenten die hij had moeten stellen voordat het besluit genomen werd. De staatssecretaris heeft zich nu immers een mening gevormd op grond van vraagtekens of twijfel, zonder deze twijfel aan de vreemdeling voor te houden, aldus de vreemdeling.

3.2.    Tot slot klaagt de vreemdeling in de vijfde grief dat de rechtbank het beroep op de Gezinsherenigingsrichtlijn (PB 2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71) ten onrechte onbesproken heeft gelaten.

Schriftelijke uiteenzetting van de staatssecretaris

4.    De staatssecretaris heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting van 3 juni 2019 toegelicht dat hij bij de beoordeling van de in paragraaf C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) genoemde contra-indicaties op grond waarvan hij aanneemt dat een meerderjarig kind niet langer feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s), betrekt in hoeverre het kind hiermee een stap naar zelfstandigheid heeft willen zetten. Als dat het geval is, zal doorgaans gelden dat het kind hiermee niet langer tot het gezin van zijn ouder(s) behoort. In gevallen waarin een meerderjarig kind noodgedwongen zelfstandig woont, bijvoorbeeld als gevolg van de vlucht van de ouder(s) naar Nederland, dan zal deze contra-indicatie op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat het kind niet langer tot het gezin behoort. Het kind heeft in dat geval namelijk niet zelf die keuze gemaakt, aldus de staatssecretaris. In gevallen waarin een meerderjarig kind de militaire dienstplicht moet vervullen, zal deze contra-indicatie op zichzelf evenmin leiden tot de conclusie dat het niet langer tot het gezin behoort. De staatssecretaris onderzoekt in deze gevallen wel of zich overige contra-indicaties voordoen waaruit kan worden opgemaakt dat het meerderjarige kind zich zelfstandig en moeiteloos heeft kunnen handhaven, zodat moet worden aangenomen dat de gezinsband is verbroken.

4.1.    De staatssecretaris heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting te kennen gegeven dat hij de vreemdeling volgt in zijn betoog dat de oorlog in Syrië en zijn angst om in militaire dienst te moeten, te maken hebben met de gezinsband en dat deze omstandigheden een rol kunnen spelen in de nareisprocedure. Ook kan volgens de staatssecretaris niet langer worden volgehouden dat uit de afgifte van een paspoort aan de vreemdeling zonder meer volgt dat hij vrijstelling van de militaire dienstplicht heeft gekregen. Het besluit berust in zoverre op een onjuiste feitelijke grondslag, aldus de staatssecretaris. Verder is hij er in het besluit ten onrechte van uitgegaan dat de vreemdeling niet noodgedwongen uit Syrië is vertrokken vanwege de dienstplicht. Volgens de staatssecretaris leidt dit echter niet tot een andere conclusie dan in het besluit verwoord. Uit de verklaringen van de vreemdeling blijkt volgens de staatssecretaris dat het zelfstandig wonen en werken berustten op een eigen keuze van de vreemdeling. Hij had er ook voor kunnen kiezen om direct na binnenkomst in Libanon bij zijn oom te verblijven en zich door hem te laten onderhouden. Dat heeft hij echter niet gedaan. Hij heeft gedurende een half jaar zelfstandig in Libanon gewoond en gedurende het jaar waarin hij daar rechtmatig verblijf heeft gehad, in eigen levensonderhoud voorzien door te werken in een supermarkt. Daarmee heeft de vreemdeling blijk gegeven van volwassen gedrag. Ook heeft hij geld overgemaakt naar zijn moeder. Volgens de staatssecretaris blijkt uit het voorgaande dat de vreemdeling zich in Libanon zelfstandig en moeiteloos heeft kunnen handhaven en niet langer afhankelijk was van zijn moeder.

Volgorde van behandeling

5.    De Afdeling zal eerst ingaan op de omvang van het geschil. Daarna zal de vraag of de feitelijke gezinsband is verbroken worden behandeld. Vervolgens zal de Afdeling bespreken of de staatssecretaris niet ten onrechte van het horen in de bezwaarfase heeft afgezien. Tot slot zal de Afdeling bezien of de rechtbank het beroep van de vreemdeling op de Gezinsherenigingsrichtlijn ten onrechte onbesproken heeft gelaten.

Omvang van het geschil

6.    Uit de stukken kan niet worden afgeleid dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft gesteld dat de angst van de vreemdeling voor de militaire dienstplicht in Syrië, milities en de oorlog, in het kader van nareis niet aan de orde kunnen komen. Door naar aanleiding van het beroep van de vreemdeling op deze omstandigheden te overwegen dat asielgerelateerde beroepsgronden in het kader van nareis niet aan de orde kunnen komen, is de rechtbank in strijd met artikel 8:69 van de Awb buiten de grenzen van het geschil getreden. Daarbij betoogt de vreemdeling terecht dat hij de hiervoor genoemde omstandigheden niet in het kader van asiel heeft aangevoerd, maar in het kader van de beoordeling van de gezinsband.

De eerste en derde grief slagen in zoverre.

Feitelijke gezinsband

7.    Paragraaf C2/4.1 van de Vc 2000 luidde ten tijde van belang: '[…] Voor de beoordeling of het meerderjarige kind feitelijk behoort tot het gezin, is het moment van binnenkomst van de referent in Nederland leidend en betrekt de IND ook uitdrukkelijk de gezinssituatie ten tijde van het vertrek van de hoofdpersoon uit het land van herkomst (dan wel land van bestendig verblijf). De IND beoordeelt of zich na binnenkomst van de referent in Nederland omstandigheden hebben voorgedaan waardoor kan worden aangenomen dat de feitelijke gezinsband is verbroken.

Indien er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden (contra-indicaties), kan in ieder geval worden aangenomen dat het meerderjarige kind niet langer feitelijk tot het gezin van de ouder(s) behoort:

- het kind woont zelfstandig;

- het kind voorziet in eigen onderhoud;

- het kind is een huwelijk of een relatie aangegaan;

- het kind is belast met de zorg voor een buitenechtelijk kind.

Wanneer sprake is van één of meerdere contra-indicaties zal per individueel geval beoordeeld worden of de feitelijke gezinsband verbroken is. […]'

7.1.    De staatssecretaris betwist in hoger beroep niet langer dat de vreemdeling noodgedwongen uit het gezin is vertrokken. Zoals de staatssecretaris heeft toegelicht in zijn schriftelijke uiteenzetting, zal in gevallen waarin een meerderjarig kind noodgedwongen zelfstandig woont, deze contra-indicatie op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat het kind niet langer tot het gezin behoort. De Afdeling acht het beleid van de staatssecretaris dat hij in deze gevallen onderzoekt of zich overige contra-indicaties voordoen, niet onredelijk.

7.2.    Voor zover de staatssecretaris zich in zijn schriftelijke uiteenzetting op het standpunt heeft gesteld dat het zelfstandig wonen en werken berustten op een eigen keuze van de vreemdeling, kan hij daarin niet worden gevolgd. Dit is immers een direct gevolg van het gedwongen vertrek uit het gezin. Voor zover de staatssecretaris daarbij van belang heeft geacht dat de vreemdeling daarmee blijk heeft gegeven van volwassen gedrag, heeft hij daarmee een onjuiste maatstaf gehanteerd. De staatssecretaris heeft immers zelf toegelicht dat hij onderzoekt of het meerderjarige kind zich zelfstandig en moeiteloos heeft kunnen handhaven.

Dat de vreemdeling zich staande heeft weten te houden nadat hij gedwongen het gezin heeft verlaten, betekent niet dat de vreemdeling zich ook zelfstandig en moeiteloos heeft kunnen handhaven. Voor die vaststelling is onvoldoende dat de vreemdeling gedurende een periode van een jaar in een supermarkt heeft gewerkt. Daarbij is niet in geschil dat de vreemdeling na aankomst in Libanon eerst bij zijn neven is gaan wonen en na een aantal maanden bij zijn oom is gaan wonen en door hem wordt onderhouden. De vreemdeling is dus na een korte periode teruggevallen op zijn oom. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris zijn standpunt dat de vreemdeling zich zelfstandig en moeiteloos heeft kunnen handhaven ondeugdelijk gemotiveerd.

De eerste en derde grief slagen ook voor het overige.

Horen in bezwaar

8.    De staatssecretaris mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen in bezwaar afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend standpunt. Vaststaat dat de vreemdeling voorafgaand aan het nemen van het besluit niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. Dit is in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft niet onderkend dat in dit geval niet aan de hiervoor weergegeven maatstaf is voldaan. De vreemdeling heeft in bezwaar immers terecht aangevoerd dat hij noodgedwongen door referent naar Libanon is gebracht en dat dit betrokken had moeten worden bij de beoordeling van de feitelijke gezinsband. Het bezwaar was daarom niet kennelijk ongegrond. De staatssecretaris heeft dan ook ten onrechte afgezien van het horen in bezwaar.

De vierde grief slaagt.

Onbesproken beroepsgrond

9.    De vreemdeling heeft in beroep een beroep gedaan op de Gezinsherenigingsrichtlijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer haar uitspraak van 29 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:980, is de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing wanneer de gezinshereniger wettig in een lidstaat verblijft, in het bezit is van een door een lidstaat afgegeven verblijfstitel met een geldigheidsduur van ten minste één jaar en reden heeft om te verwachten dat hem een permanent verblijfsrecht zal worden toegekend, en de leden van zijn gezin onderdanen van een derde land zijn.

Referent is bij besluit van 29 februari 2016 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel per 26 september 2015 en verblijft daarom sindsdien wettig in Nederland. Zij beoogt nareis van een derdelander. De zaak valt daarom binnen het toepassingsbereik van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Uit de uitspraak van de rechtbank blijkt niet dat de rechtbank deze richtlijn vervolgens heeft betrokken bij haar toetsing van het besluit. Door deze beroepsgrond onbesproken te laten, heeft de rechtbank in strijd gehandeld met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb waarin, voor zover hier van belang, is bepaald dat uitspraak wordt gedaan op de grondslag van het beroepschrift en het verhandelde ter zitting.

De vijfde grief slaagt.

Conclusie

10.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Wat de vreemdeling als tweede grief heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb vernietigen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 maart 2018 in zaak nr. 17/14517;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 23 augustus 2017, V-nummer […];

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.792,00 (zegge: zeventienhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 421,00 (zegge: vierhonderdeenentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Oei

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2019

670-850.