Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2809

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-08-2019
Datum publicatie
21-08-2019
Zaaknummer
201808383/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 september 2018 heeft het college een plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s) in Hoogland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201808383/1/A1.

Datum uitspraak: 21 augustus 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in Hoogland, gemeente Amersfoort,

en

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2018 heeft het college een plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s) in Hoogland.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juli 2019, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. H.J.M. van Gellekom en P.W.M. Wieman, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het college heeft het plaatsingsplan "Definitief locatieplan ondergrondse afvalcontainers in Hoogland" vastgesteld. In dit plan is onder meer bepaald dat ORAC nummer 33417 zal worden geplaatst aan de Wittert van Hooglandlaan, op 9 m afstand van de zijkant van de woning van [appellant]. Hij is het niet eens met de aangewezen locatie.

2.    Bij de keuze van een locatie voor ORAC’s dient het college een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plaatsingsplan. Daarbij heeft het college beleidsruimte. De Afdeling toetst de keuze van het college terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot zijn keuze heeft kunnen komen. Daarbij wordt allereerst beoordeeld of het college de locatie geschikt heeft kunnen achten voor de plaatsing van een ORAC. Als dat zo is, wordt vervolgens beoordeeld of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van de locatie vanwege een geschiktere alternatieve locatie. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie, dat geoordeeld moet worden dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor die locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.

3.    [appellant] betoogt dat de ORAC niet geplaatst wordt op een locatie die voldoet aan alle plaatsingscriteria. Volgens hem is namelijk geen sprake van esthetische inpassing van de ORAC, omdat er voor de ORAC groen moet worden opgeofferd en omdat hij vanuit zijn woning en vanaf zijn oprit zicht heeft op de ORAC.

3.1.    Het uitzicht van [appellant] vanuit zijn woning zal enigszins worden aangetast door de plaatsing van de ORAC en er zal een stuk groen moeten worden verwijderd om de ORAC te kunnen plaatsen. Dit betekent echter niet dat daarom het plaatsingsplan in zoverre onrechtmatig is. Het criterium ‘esthetische inpassing’ houdt niet in dat een ORAC nooit zichtbaar mag zijn vanuit een woning of dat er geen groen voor mag wijken. In dat geval zou er bijna nergens een ORAC geplaatst kunnen worden. De ORAC zal worden geplaatst op 9 m afstand van de zijkant van zijn woning. [appellant] heeft hierop zicht vanuit het zijraam van zijn woning, aan de kant van de keuken. De ORAC komt naast zijn oprit in het daar aanwezige groen en wordt, weliswaar niet volledig maar wel enigszins, afgeschermd door dit groen. Het college heeft in redelijkheid deze locatie esthetisch inpasbaar kunnen vinden. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college vanwege het zicht vanuit de woning op de ORAC in redelijkheid niet voor deze locatie kon kiezen.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt verder dat de locatie ongeschikt is voor het plaatsen van een ORAC, omdat daardoor de verkeersveiligheid in het geding komt. [appellant] stelt dat zowel mensen die hun afval weg willen brengen als de vuilniswagen de straat zullen blokkeren. Dat zal beide leiden tot onoverzichtelijke verkeerssituaties, aldus [appellant]. Dit wordt volgens hem nog verergerd doordat er vlakbij de ORAC een speelplaats is.

4.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat de locatie van de ORAC niet zal leiden tot verkeersonveilige situaties door blokkering van de straat, omdat aannemelijk is dat het merendeel van de mensen het afval lopend naar de ORAC zal brengen. Ook indien mensen wel met de auto hun afval zullen wegbrengen, zullen er volgens college geen onveilige situaties ontstaan. Het college meent dat door betere afvalscheiding niet vaak van de ORAC gebruik zal worden gemaakt en wijst erop dat op deze ORAC maar ongeveer 65 huishoudens zijn aangesloten in plaats van de gebruikelijke 100. Wat betreft de vuilniswagen stelt het college zich op het standpunt dat deze maar kort in de straat stil zal staan en er bovendien andere routes zijn die het verkeer tijdens de ledigingsmomenten kan gebruiken.

    Gelet op de uiteenzetting van het college ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de locatie verkeersonveilig is. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de veronderstellingen van het college worden gestaafd door ervaringen uit de praktijk in andere gemeenten. Verder vindt de Afdeling niet aannemelijk dat het plaatsen van de ORAC op die locatie onveilig zal zijn voor de kinderen die spelen in de nabijgelegen speeltuin.

    Het betoog faalt.

5.    Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college de locatie niet in redelijkheid geschikt heeft kunnen achten voor het plaatsen van een ORAC.

6.    [appellant] betoogt verder dat er drie alternatieve locaties zijn die geschikter zijn om de ORAC te plaatsen. Hij wijst op een locatie op de kruising van het Guddepad met de Pastoor Pieckweg, aan de Wittert van Hooglandlaan tegenover nummer 28 en aan de Wittert van Hooglandlaan tussen de Burgemeester Smittweg en het Gubbepad.

6.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat de drie alternatieve locaties niet geschikter zijn voor het plaatsen van een ORAC dan de huidige locatie. De locatie op de kruising van het Guddepad met de Pastoor Pieckweg vindt het college niet wenselijk, omdat die locatie decentraal ligt waardoor een aantal huishoudens verder zal moeten lopen. De locatie aan de Wittert van Hooglandlaan tegenover nummer 28 vindt het college ook niet geschikter, omdat dan vanuit de woning op nummer 28 rechtstreeks uitgekeken zal worden op de ORAC. De locatie aan de Wittert van Hooglandlaan tussen de Burgemeester Smittweg en het Gubbepad is volgens het college evenmin geschikter, omdat het plaatsing in of bij een talud niet wenselijk vindt, er bomen staan die het legen van de ORAC zouden bemoeilijken en voor een aantal woningen niet langer voldaan zou worden aan de afstandseis van 150 m.

6.2.    Gelet op deze uiteenzetting van het college, is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen van de drie voorgestelde alternatieve locaties geschikter zijn om een ORAC te plaatsen. Ook als het college, zoals [appellant] aanvoert, de door hem voorgestelde locatie aan de Wittert van Hooglandlaan tussen de Burgemeester Smittweg en het Gubbepad verkeerd heeft beoordeeld omdat hij niet heeft voorgesteld om de ORAC direct naast maar aan de overkant van de straat op enkele meters afstand van het talud te plaatsen, heeft het college in redelijkheid deze locatie niet geschikter kunnen achten, omdat ook dan niet voor alle huishoudens voldaan zal worden aan de afstandseis.

    Het betoog faalt.

7.    Het beroep is ongegrond.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, griffier.

w.g. Daalder

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2019

262-811.