Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2779

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-08-2019
Datum publicatie
21-08-2019
Zaaknummer
201904855/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 februari 2018 heeft de havenmeester aanvragen van Arklow om inschrijving van 32 schepen in het Register loodsplicht kleine zeeschepen (hierna: het Register) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2019/121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201904855/2/A3.

Datum uitspraak: 16 augustus 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) hangende het hoger beroep van:

de havenmeester van Rotterdam,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juni 2019 in zaak nr. 18/3943 in het geding tussen:

Arklow Shipping Nederland B.V.

en

de havenmeester.

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2018 heeft de havenmeester aanvragen van Arklow om inschrijving van 32 schepen in het Register loodsplicht kleine zeeschepen (hierna: het Register) afgewezen.

Bij besluit van 19 juni 2018 heeft de havenmeester het door Arklow daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 juni 2019 heeft de rechtbank het door Arklow daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 juni 2018 vernietigd en bepaald dat de havenmeester met inachtneming van deze uitspraak opnieuw een besluit op het door Arklow gemaakte bezwaar moet nemen.

Tegen deze uitspraak heeft de havenmeester hoger beroep ingesteld.

De havenmeester heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 augustus 2019, waar de havenmeester, vertegenwoordigd door mr. A.A. Kleinhout, advocaat te Amsterdam, en mr. Z.P.J. Buins Slot, en Arklow, vertegenwoordigd door mr. C. Almeida, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    De relevante bepalingen uit de Scheepvaartverkeerswet (hierna: de Svw), het bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde Loodsplichtbesluit 1995 (hierna: Loodsplichtbesluit) en de op 2 februari 2018 in werking getreden Beleidsregel ter uitvoering van het Loodsplichtbesluit […] (hierna: de beleidsregel) zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Die bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

3.    Op 28 september 2017 en 9 oktober 2017 heeft Arklow aanvragen ingediend om inschrijving van 32 schepen in het Register. In het Register ingeschreven binnen/buiten-schepen zijn van de loodsplicht vrijgesteld als bedoeld in artikel 5 van het Loodsplichtbesluit. Arklow heeft de aanvraag ten behoeve van het schip "Arklow Rock" laten vervallen, omdat Arklow dat schip inmiddels heeft verkocht.

Bij besluit van 21 februari 2018 heeft de havenmeester als daartoe aangewezen regionale autoriteit ingevolge de Regeling bevoegde regionale autoriteiten Loodsplichtbesluit […], de aanvragen afgewezen, omdat de schepen waarop de aanvragen zien geen binnen/buiten-schepen zijn in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j, van het Loodsplichtbesluit. Hoewel die schepen voldoen aan het onder sub 1 van die bepaling vermelde vereiste, voldoen ze niet aan de onder sub 2 en sub 3 vermelde vereisten. Aan het onder sub 2 vermelde vereiste wordt niet voldaan, omdat niet wordt voldaan aan de volgens artikel 1, aanhef en onder 2, van de beleidsregel geldende vereisten voor binnen/buiten-schepen. Aan het onder sub 3 vermelde vereiste wordt niet voldaan, omdat Arklow niet heeft aangetoond dat de schepen in kwestie worden, of zullen worden, gebruikt voor de vaart op de binnenwateren die niet zijn opgenomen in de bijlage bij de Svw, derhalve op niet-loodsplichtige vaarwateren, aldus de havenmeester in dat besluit.

Bij besluit van 19 juni 2018 heeft de havenmeester het besluit van 21 februari 2018 gehandhaafd.

4.    De rechtbank heeft exceptief toetsend geoordeeld dat artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j, sub 3, van het Loodsplichtbesluit, voor zover daarin wordt vereist dat een zeeschip gebruikt wordt of zal worden gebruikt voor de vaart op de niet-loodsplichtige binnenwateren, wegens strijd met de Svw onverbindend is. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat, gelet op artikel 10, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, van de Svw, niet valt in te zien hoe het belang van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de loodsplichtige wateren met dat vereiste worden gediend. Voorts heeft de rechtbank exceptief toetsend geoordeeld dat de beleidsregel, voor zover daarin eisen worden gesteld aan de constructie van binnen/buiten-schepen, blijk geeft van een onjuiste uitleg van, en derhalve in strijd is met, artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j, sub 2, van het Loodsplichtbesluit. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het doel van de loodsplicht en de vergelijking met de constructie van een binnenschip, is gelegen in de veiligheid en vlotte manoeuvreerbaarheid op de loodsplichtige wateren. De vrijgestelde schepen op de loodsplichtige wateren dienen daar veilig te kunnen manoeuvreren, zoals een binnenschip dat kan. Gelet daarop is bij het opstellen van de nadere constructievereisten in de beleidsregel ten onrechte aansluiting gezocht bij de constructie van binnenschepen op de niet-loodsplichtige binnenwateren, aldus de rechtbank.

De rechtbank heeft het geschil niet finaal beslecht, mede omdat de rechtbank op grond van de stukken in het dossier niet kan beoordelen of de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer verzekerd zullen zijn bij inschrijving van de schepen van Arklow in het Register.

5.    Voor het indienen van gronden van hoger beroep in de bodemprocedure heeft de havenmeester uitstel gevraagd en gekregen, waardoor deze gronden ten tijde van de behandeling van het schorsingsverzoek ter zitting nog niet door de Afdeling waren ontvangen. Reeds daarom leent deze procedure zich niet voor een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde hoger beroep.

6.    Het verzoek om voorlopige voorziening van de havenmeester strekt ertoe te bepalen dat hij in afwachting van de uitspraak op het door hem ingestelde hoger beroep niet opnieuw op het door Arklow gemaakte bezwaar hoeft te beslissen.

7.    Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

8.    Ter zake van het spoedeisende belang heeft de havenmeester aangevoerd dat hij geen mogelijkheden ziet om met inachtneming van de rechtbankuitspraak een zorgvuldige beslissing te nemen op de aanvragen van Arklow en eventuele andere aanvragen, omdat het beoordelingskader door de rechtbankuitspraak grotendeels is komen te vervallen en hij niet op het niveau van een algemene maatregel van bestuur dan wel zonder overleg met andere regionale autoriteiten op het niveau van een beleidsregel, een nieuw beoordelingskader kan opstellen. Volgens de havenmeester volgt uit de rechtbankuitspraak dat hij bij een nieuwe heroverweging de aanvragen uitsluitend kan beoordelen aan artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j, sub 1, van het Loodsplichtbesluit. Ter zitting van de voorzieningenrechter heeft de havenmeester desgevraagd te kennen gegeven dat thans voor vijf andere schepen aanvragen om als binnen/buiten-schip in het Register te worden ingeschreven, zijn ingediend, waarop nog een besluit moet worden genomen. Anders dan in zijn verzoekschrift heeft de havenmeester zich ter zitting van de voorzieningenrechter op het standpunt gesteld dat een inschrijving in het Register niet onomkeerbaar is maar weer ongedaan kan worden gemaakt. De havenmeester heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat hij met het schorsingsverzoek wil voorkomen dat de schepen van Arklow, die volgens hem loodsplichtig zijn, zonder loods gaan varen op loodsplichtige wateren.

9.    Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit de rechtbankuitspraak, gelet op hetgeen de rechtbank onder 8. heeft overwogen over de beoordeling die in de weg staat aan een finale beslechting van het geschil, niet dat het beoordelingskader bij inachtneming van die uitspraak is beperkt tot artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j, sub 1, van het Loodsplichtbesluit. Gelet daarop strekt de bij de rechtbankuitspraak gegeven opdracht aan de havenmeester niet zonder meer tot inwilliging van de door Arklow ingediende aanvragen. Bovendien kan de inschrijving hangende hoger beroep in het Register van de schepen van Arklow, zo daar al sprake van zal zijn, weer ongedaan worden gemaakt voor zover het hangende hoger beroep genomen besluit tot inwilliging van de aanvragen wordt vernietigd. Omdat de havenmeester voorts onvoldoende heeft kunnen concretiseren waarom inschrijving hangende hoger beroep van de schepen van Arklow in het Register een reëel risico voor de veiligheid van de scheepvaart met zich zal brengen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake is van onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.

10.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

11.    De havenmeester dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    wijst het verzoek af;

II.    veroordeelt de havenmeester van Rotterdam tot vergoeding van bij Arklow Shipping Nederland B.V. in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Robben

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2019

610.

 

BIJLAGE

 

De Svw

Artikel 3

1. Toepassing van de artikelen 4, 11 en 12 kan, behoudens het bepaalde in het tweede lid, slechts geschieden in het belang van:

a. het verzekeren van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer;

b. het instandhouden van scheepvaartwegen en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

c. het voorkomen of beperken van schade door het scheepvaartverkeer aan de waterhuishouding, oevers en waterkeringen, of werken gelegen in of over scheepvaartwegen;

d. het voorkomen of beperken van externe veiligheidsrisico’s in verband met schepen;

e. het voorkomen of beperken van verontreiniging door schepen.

Artikel 10

1. De kapitein is verplicht om tijdens de vaart van het zeeschip op de in de bijlage van deze wet aangegeven scheepvaartwegen gebruik te maken van de diensten van een loods.

2. Van de in het eerste lid bedoelde verplichting kan ten aanzien van een of meer in de bijlage van deze wet aangegeven scheepvaartwegen bij algemene maatregel van bestuur vrijstelling worden verleend voor:

a. daarbij aangewezen categorieën van zeeschepen;

b. […]

3. Van de in het eerste lid bedoelde verplichting kan in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen omstandigheden of gevallen en op een in die maatregel aan te geven wijze door Onze Minister of een in die maatregel aangewezen ander gezag, zonodig onder beperkingen, voor een zeeschip ontheffing worden verleend. Aan een besluit tot ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

4. Bij de toepassing van het tweede en derde lid wordt rekening gehouden met de in artikel 3, eerste lid, bedoelde belangen.

[…]

Het Loodsplichtbesluit

Artikel 1

1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

j. binnen/buiten-schip: zeeschip dat:

1°. een lengte over alles heeft van minder dan 115 meter,

2°. blijkens zijn constructie vergelijkbaar is met een binnenschip, en

3°. gebruikt wordt of zal worden gebruikt voor de vaart op de binnenwateren die niet zijn opgenomen in de bijlage bij de Scheepvaartverkeerswet en in een beperkt vaargebied op zee, in het bijzonder de kustwateren;

[…].

Artikel 5

Onverminderd artikel 2, tweede lid, is de kapitein van een Rijnschip, een Denemarkenvaarder of een binnen/buiten-schip, indien het geen zeeschip met gevaarlijke lading betreft, vrijgesteld van de loodsplicht, indien het schip in het register is opgenomen, uitgezonderd op de in de bijlage bij dit besluit onder I., X. en XI. aangegeven scheepvaartwegen.

Artikel 6

1. Een Rijnschip, een Denemarkenvaarder en een binnen/buiten-schip worden, onder vermelding van de categorie waartoe het behoort, opgenomen in een daartoe bestemd openbaar register, genaamd Register loodsplicht kleine zeeschepen.

[…]

3. Opname in het register vindt plaats op aanvraag door of namens de eigenaar of rompbevrachter, ingediend bij een regionale autoriteit, nadat deze regionale autoriteit, na overleg met de desbetreffende regionale loodsencorporatie, heeft vastgesteld dat het desbetreffende schip aan de genoemde vereisten voldoet.

[…]

De beleidsregel

Artikel 1

Met deze beleidsregel wordt nadere invulling gegeven aan de begrippen "constructie" en "gebruikt of zal worden gebruikt", als bedoeld in artikel 1, onderdelen j en k, van het Loodsplichtbesluit […]. Bij beoordeling door de regionale autoriteit van aanvragen als bedoeld in artikel 6, derde lid, van het Loodsplichtbesluit […] om als lage kruiplijn-coaster of binnen/buiten-schip te worden ingeschreven in het Register loodsplicht kleine zeeschepen worden bij toetsing de navolgende criteria aangehouden:

Binnen/buiten-schip (Loodsplichtbesluit […], artikel 1, onder j):

1. Lengte over alles van minder dan 115 meter;

2. Blijkens zijn constructie vergelijkbaar is met een binnenschip;

a. geringe diepgang: zomerdiepgang van minder dan of gelijk aan 5,5 meter;

b. lage opbouw (airdraft): hoogte van minder of gelijk aan 18 meter, gemeten van de kiel tot het hoogste vaste punt van het schip;

c. relatief lang en slank schip: verhouding lengte/breedte is groter of gelijk aan 6,0.

3. Aangetoond wordt dat het schip gebruikt wordt of zal worden gebruikt voor de vaart op de binnenwateren die niet zijn opgenomen in de bijlage bij de Scheepvaartverkeerswet (dus op niet-loodsplichtige binnenwateren) en in een beperkt vaargebied op zee, in het bijzonder de kustwateren (binnen 200 nautische mijlen uit de kust).

[…]