Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2772

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-08-2019
Datum publicatie
14-08-2019
Zaaknummer
201804829/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 februari 2018 heeft de raad van de gemeente Boekel het bestemmingsplan "Omgevingsplan Buitengebied 2016" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2019-0151
Milieurecht Totaal 2019/7022
JOM 2019/847
JBO 2019/348 met annotatie van Meijden, D. van der
Module Ruimtelijke ordening 2019/8232 met annotatie van G. van den End
AA20190880 met annotatie van Nijmeijer A.G.A. Tonny
TBR 2020/5 met annotatie van H.P. Wiersema, K.M.G. Hamelink
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804829/1/R2.

Datum uitspraak: 14 augustus 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

1.    Bomenstichting, gevestigd te Utrecht,

2.    Brabantse Milieufederatie (hierna: BMF), gevestigd te Tilburg,

3.    [appellante sub 3], gevestigd te [plaats],

4.    [appellante sub 4], gevestigd te [plaats],

5.    [appellante sub 5], gevestigd te Boekel,

6.    [appellant sub 6], wonend te Boekel,

7.    [appellant sub 7] en anderen, allen wonend te Boekel,

8.    Stichting Geestelijke Gezondheidszorg Oost-Brabant (hierna: GGZ Oost-Brabant), gevestigd te Boekel,

9.    [appellante sub 9] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 9]), gevestigd respectievelijk wonend te Boekel,

10.    [appellante sub 10], gevestigd te Venhorst, gemeente Boekel,

11.    Molenbrand C.V. en Molenakker C.V., gevestigd te Boekel,

12.    [appellante sub 12] en anderen, gevestigd te Boekel,

13.    [appellante sub 13], gevestigd te [plaats],

14.    het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, gevestigd te ’s-Hertogenbosch,

15.    Gasunie Transport Services B.V., gevestigd te Groningen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Boekel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Omgevingsplan Buitengebied 2016" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 4 april 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Reparatieherziening Buitengebied 2016" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante sub 10] een zienswijze ingediend.

De raad, BMF, [appellant sub 7] en anderen, [appellante sub 12], het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant en de Gasunie hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 en 16 april 2019, waar appellanten in persoon zijn verschenen of zich hebben laten vertegenwoordigen. Een aantal appellanten is niet verschenen en heeft zich ook niet laten vertegenwoordigen. Ook verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het bestemmingsplan "Omgevingsplan Buitengebied 2016" voorziet in een actualisatie van het planologisch regime voor nagenoeg het gehele buitengebied van Boekel. Dit bestemmingsplan is een zogenoemd ‘bestemmingsplan met verbrede reikwijdte’ als bedoeld in artikel 7c van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (hierna: het Besluit uitvoering Chw).

Bij het vaststellen van het plan is gebruik gemaakt van de mogelijkheden die artikel 7c biedt om bij de totstandkoming en vaststelling van een bestemmingsplan voor het plangebied van bepaalde wettelijke regels af te wijken en in aanvulling daarop regels te stellen. Zo zijn in het bestemmingsplan regels gesteld die strekken tot het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.

Met het bestemmingsplan "Reparatieherziening Buitengebied 2016" zijn enige onvolkomenheden uit het bestemmingsplan "Omgevingsplan Buitengebied 2016" hersteld, zowel in de verbeelding als in de planregels.

Ook heeft de raad een zogenoemd delegatiebesluit genomen. Dit is een afzonderlijk besluit waarbij de raad de bevoegdheid om, onder voorwaarden, af te wijken van het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte delegeert aan het college van burgemeester en wethouders van Boekel.

2.    Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

De Afdeling merkt het besluit van 4 april 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Reparatieherziening Buitengebied 2016" aan als een besluit zoals bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, nu dat betrekking heeft op planonderdelen waarop ook het besluit van 22 februari 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Omgevingsplan Buitengebied 2016" ziet en waartegen beroep aanhangig is.

Toetsingskader

3.    Artikel 8:51d van de Awb luidt, voor zover thans van belang:

"Indien de bestuursrechter in hoogste aanleg uitspraak doet, kan hij het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen."

4.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Leeswijzer

5.    Hierna worden de beroepen behandeld. Daarbij wordt, indien aan de orde, telkens eerst het beroep tegen het besluit van 4 april 2019 behandeld. Daarna wordt het beroep tegen het besluit van 22 februari 2018 besproken.

De relevante planregels en wettelijke regels die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Het beroep van de Bomenstichting

Het besluit van 4 april 2019

Intrekking

6.    De Bomenstichting heeft de beroepsgronden over de lijst "Beschermde bomen Boekel 2017" ter zitting ingetrokken.

Overige beroepsgronden

7.    Over het betoog van de Bomenstichting over de regels in het bestemmingsplan "Omgevingsplan Buitengebied 2016" voor het vellen van houtopstanden, merkt de Afdeling op dat de raad artikel 124 van de planregels (oorspronkelijk: artikel 122) in het bestemmingsplan "Reparatieherziening Buitengebied 2016" heeft gewijzigd.

7.1.    Over het betoog van de Bomenstichting dat in artikel 122, leden 122.1 en 122.2, van de oorspronkelijke planregels de nummering en de zinsnede "De verlening.wordt verleend" niet juist is, stelt de Afdeling vast dat de raad in het bij besluit van 4 april 2019 vastgestelde artikel 124, leden 124.1 en 124.2, van de planregels de zinsnede en nummering heeft gewijzigd in de door de Bomenstichting gewenste zin. Op dit punt is dus geen sprake van een beroep van rechtswege.

7.2.    Het beroep van de Bomenstichting richt zich verder tegen de regeling in het plan voor het vellen van houtopstanden in bosgebieden die is opgenomen in (het huidige) artikel 124, leden 124.3, 124.4 en 124.5 van de planregels. Zij betoogt dat de raad niet bevoegd is om deze artikelen vast te stellen omdat deze planregels regelen wat in artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) gelezen in samenhang met de daarop gebaseerde Verordening natuurbescherming Noord-Brabant (hierna: de VN) al is geregeld. Voorts betoogt de Bomenstichting dat omdat de rechtbank Oost-Brabant heeft geoordeeld dat de raad niet had mogen besluiten de bebouwde komgrens van hoofdstuk 4 van de Wnb te laten samenvallen met de gemeentegrens, moet worden geconstateerd dat de in het plan beoogde regeling niet meer overeenkomt met de bedoeling van de raad, te weten dat mensen in het buitengebied alleen bij de gemeente moesten zijn als zij wilden overgaan tot een velling van houtopstanden in bosgebieden en de regeling alleen al daarom geen stand kan houden. Voorts betogen zij dat het bestaan van meerdere regiems in strijd is met de rechtszekerheid. Ook betoogt de Bomenstichting dat artikel 124, lid 124.5, van de planregels onzorgvuldig is voorbereid, omdat de term maatwerkvoorschriften onjuist is toegepast op grond van de Omgevingswet. Ook betoogt zij dat ten onrechte een herplantplicht ontbreekt.

Voorts richt het beroep van de Bomenstichting zich tegen de regeling in het plan voor het vellen van overige houtopstanden die is opgenomen in artikel 124, leden 124.1 en 124.2, van de planregels. De Bomenstichting betoogt dat er geen duidelijk vergunningenstelsel in het plan is opgenomen ondanks het verzoek daartoe in de eerdere zienswijze. Ook betoogt de Bomenstichting dat artikel 124, lid 124.2, van de planregels te summier is, omdat de regeling alleen een verbod stelt en regelt wanneer (alsnog) een omgevingsvergunning kan worden verleend. Ook in deze regels ontbreekt ten onrechte een herplantplicht. De Bomenstichting betoogt dat in de planregels ten onrechte de Algemene plaatselijke verordening 2014 van de gemeente Boekel die is gewijzigd op 12 oktober 2017 (hierna: de APV) voor zover die betrekking heeft op het vellen van houtopstanden niet volledig is overgenomen. Ook betoogt de Bomenstichting dat het beschermingsregiem voor beschermde bomen ook moet gaan over werken en werkzaamheden in de nabijheid van die bomen. Ten slotte zou de term omgevingsvergunning voor een afwijkingsactiviteit in artikel 124, lid 124.2, van de planregels moeten worden vervangen door omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

7.3.    De raad stelt dat het met het nemen van het kombesluit van 14 december 2017 niet de bedoeling was om een beschermingsregiem te creëren naast de regeling in de Wnb. De bedoeling was om duidelijkheid en eenduidigheid te creëren voor de burgers als het om de bescherming en het vellen van houtopstanden gaat, waarbij zij uitsluitend bij de gemeente terecht konden. Nu de rechtbank het besluit heeft vernietigd bestaan er separate beschermingsregiems. De raad stelt zich op het standpunt dat deze regiems goed naast elkaar kunnen functioneren en aanvullende bescherming bieden voor houtopstanden. De raad wenst de regeling daarom ook na vernietiging door de rechtbank van het kombesluit te handhaven.

7.4.    Bij besluit van 14 december 2017 heeft de raad voor zover hier van belang de grenzen van de bebouwde kom als bedoeld in artikel 4.1, aanhef en onder a, van de Wnb vastgesteld en laten samenvallen met de huidige gemeentegrens. Op grond van artikel 4.1, aanhef en onder a, van de Wnb heeft het bepaalde bij en krachtens deze paragraaf geen betrekking op houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Gelet op het besluit van 14 december 2017 was de regeling in hoofdstuk 4 van de Wnb niet van toepassing binnen de gemeentegrens. Hiertegen is door de Bomenstichting beroep ingesteld. Bij uitspraak van 27 juni 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:3110, heeft de rechtbank Oost-Brabant het besluit van 14 december 2017 van de raad van Boekel vernietigd voor zover dat betrekking heeft op de komgrens zoals die is opgenomen in hoofdstuk 4 van de Wnb. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Hiermee is hoofdstuk 4 van de Wnb weer van toepassing geworden op het gebied dat buiten de voorheen door de raad vastgestelde grens van de bebouwde kom valt.

7.5.    Over het betoog over de verhouding tussen artikel 124, leden 124.3, 124.4 en 124.5 en artikel 4.2 van de Wnb, gelezen in samenhang met de VN overweegt de Afdeling het volgende.

In beide regelingen is het in bepaalde gevallen verboden een houtopstand te vellen zonder voorafgaande melding. Op grond van artikel 4.1, aanhef en onder a, van de Wnb heeft het bepaalde bij en krachtens deze paragraaf geen betrekking op houtopstanden binnen de door de raad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor zover het plangebied binnen de bij besluit van de raad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom ligt is een melding op grond van de Wnb dus niet aan de orde en heeft de planregeling zelfstandige betekenis. Voor het gebied buiten de bebouwde kom is het volgende van belang. In de Wnb enerzijds en de planregels anderzijds zijn verschillende begripsbepalingen voor een houtopstand opgenomen. Voorts heeft de Wnb geen betrekking op het periodiek vellen van hakhout. Op grond van de planregels moet gelet op de begripsbepaling van houtopstand die is opgenomen in artikel 129.64 een melding worden gedaan indien hakhout, een houtwal of een of meer bomen worden geveld. Op grond van artikel 1.1 van de Wnb moet een melding worden gedaan indien een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer of uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, wordt geveld. Ten slotte is het op grond van artikel 124, lid 124.3, van de planregels verboden zonder melding houtopstanden te vellen in bosgebieden die voorkomen op de lijst "Beschermde bomen Boekel 2017" Gelet op al deze verschillen heeft de planregeling ook voor het gebied buiten de bebouwde kom dus zelfstandige betekenis. Gelet op het voorgaande kan dan ook niet staande worden gehouden dat de planregels regelen wat in artikel 4.2 van de Wnb juncto de daarop gebaseerde VN al is geregeld.

Er kunnen zich evenwel situaties voordoen waarin zowel een melding op grond van de Wnb als een melding op grond van de planregels moet worden gedaan. In de Wnb en de wetsgeschiedenis zijn geen aanknopingspunten te vinden dat de Wnb wat betreft een regeling voor het vellen van houtopstanden buiten de bebouwde kom uitputtend is bedoeld. Ook is geen sprake van doorkruising van de Wnb door de planregels omdat het doel van de Wnb door de planregels juist wordt gediend. De Afdeling stelt vast dat de raad daarom ook buiten de door hem vastgestelde grenzen van de bebouwde kom regulerend kan optreden. Ook kunnen daarom twee meldingssystemen naast elkaar bestaan. Ten slotte is naar het oordeel van de Afdeling duidelijk in welke gevallen een melding op grond van de planregels moet worden gedaan en zijn de planregels niet rechtsonzeker louter doordat een verwante regeling is getroffen in de Wnb. Het betoog faalt.

7.6.    Het betoog van de Bomenstichting dat na de vernietiging door de rechtbank van het besluit van 14 december 2017 de in het plan beoogde regeling niet meer overeenkomt met de bedoeling van de raad, heeft de raad in het verweer gemotiveerd weersproken. Daarbij heeft de raad gelet ook op het vorenstaande terecht het standpunt ingenomen dat de regeling in de planregels en die in de Wnb gelezen in samenhang met de VN goed naast elkaar kunnen functioneren en aanvullende bescherming kunnen bieden voor houtopstanden.

7.7.    Over het betoog dat artikel 124, lid 124.5, van de planregels onzorgvuldig is voorbereid vanwege het ontbreken van de term ‘voorschriften’ en de gebruikte term ‘maatwerkvoorschriften’ overweegt de Afdeling dat de raad met dit artikel duidelijk heeft willen maken dat aanvullende voorschriften kunnen worden gesteld in specifieke situaties waarin maatwerk kan worden geleverd. Niet is door de raad bedoeld en het is ook niet nodig om hier aan de definities of mogelijkheden uit de Omgevingswet, die nog niet in werking is getreden, invulling te geven. Dit geldt ook voor het betoog dat de term omgevingsvergunning voor een afwijkingsactiviteit in artikel 124, lid 124.2, van de planregels moeten worden vervangen door omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. De betogen falen.

7.8.    In de planregels ontbreekt zoals de Bomenstichting heeft aangevoerd een herplantplicht. De raad heeft toegelicht dat de regels voor de herplantplicht zijn vastgelegd in de "beleidsregel omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 2017" van 12 oktober 2017. Deze beleidsregel is van toepassing op de gemeentegronden binnen en buiten het plangebied. Voorts voorziet onder meer artikel 124, lid 124.5, van de planregels in een regeling die maatwerkvoorschriften voor herplant mogelijk maakt. De raad heeft er in redelijkheid voor kunnen kiezen de herplantplicht niet in de planregels op te nemen maar op andere wijze te regelen. Het betoog faalt.

7.9.    Waar de Bomenstichting betoogt dat artikel 124, lid 124.2, van de planregels niet identiek is aan de regeling in de APV overweegt de Afdeling als volgt. Het plan voorziet evenals de APV in een vergunningstelsel. Het past binnen de beleidsruimte van de raad dit in te vullen op de wijze zoals hij heeft gedaan. Ingevolge de APV is het verboden zonder vergunning van of melding bij het bevoegd gezag houtopstanden te vellen of te doen vellen. In artikel 124, lid 124.1, van de planregels is een verbodsbepaling opgenomen om houtopstanden te vellen. Op grond van artikel 124, lid 124.2, van de planregels kan daar met een omgevingsvergunning van worden afgeweken. In artikel 124, lid 124.2 zijn de toetsingsgronden waaronder de vergunning kan worden verleend opgenomen en die zijn overgenomen uit de APV. Het betoog faalt.

7.10.    Het verzoek van de Bomenstichting om in artikel 124, leden 124.1 en 124.2, van de planregels een beschermingsregiem voor beschermde bomen tegen werken en werkzaamheden in de nabijheid van die bomen op te nemen is niet overgenomen. De raad heeft gemotiveerd waarom hij daartoe niet is overgegaan en heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dat niet wenselijk en noodzakelijk is. Het betoog faalt.

Conclusie

7.11.    Gelet op het voorgaande is het beroep van de Bomenstichting tegen het besluit van 4 april 2019 ongegrond.

Het besluit van 22 februari 2018

8.    Omdat blijkens wat hiervoor is overwogen het beroep van de Bomenstichting tegen het besluit van 4 april 2019 niet leidt tot een vernietiging van dat besluit, wordt dat besluit voor zover het gaat om de door haar bestreden plandelen onherroepelijk. Hieruit volgt dat aan het besluit van 22 februari 2018 in zoverre geen betekenis meer toekomt. Onder deze omstandigheden en nu niet is gebleken van enig belang bij een beoordeling van het beroep tegen het besluit van 22 februari 2018 ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de Bomenstichting geen procesbelang meer heeft. In verband hiermee moet haar beroep tegen het besluit van 22 februari 2018 niet-ontvankelijk worden verklaard.

8.1.    Voor de Bomenstichting bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Het beroep van BMF

Het besluit van 4 april 2019

Het vellen van houtopstanden

9.    Over het betoog van BMF over de regels in het bestemmingsplan "Omgevingsplan Buitengebied 2016" voor het vellen van houtopstanden, merkt de Afdeling op dat de raad artikel 124 van de planregels (oorspronkelijk: artikel 122) in het bestemmingsplan "Reparatieherziening Buitengebied 2016" heeft gewijzigd.

10.    BMF kan zich niet verenigen met de regeling in het plan voor het vellen van houtopstanden die is opgenomen in artikel 124, leden 124.1 en 124.2, van de planregels.

10.1.    Voor de beoordeling van het betoog van BMF dat er geen duidelijk vergunningenstelsel in het plan is opgenomen, verwijst de Afdeling naar wat zij hierover overweegt onder 7.9 naar aanleiding van het beroep van de Bomenstichting.

Het betoog faalt.

10.2.    Voor de beoordeling van het betoog van BMF dat in de regels ten onrechte een herplantplicht ontbreekt, verwijst de Afdeling naar wat zij hierover overweegt onder 7.8 naar aanleiding van het beroep van de Bomenstichting.

Het betoog faalt.

10.3.    Gelet op het voorgaande is het beroep van BMF tegen het besluit van 4 april 2019 ongegrond.

Het besluit van 22 februari 2018

Het vellen van houtopstanden

11.    Omdat hiervoor is overwogen dat het beroep van BMF tegen het besluit van 4 april 2019 niet leidt tot een vernietiging van dat besluit, wordt dat besluit voor zover het gaat om de door haar bestreden planregel onherroepelijk. Hieruit volgt dat aan het besluit van 22 februari 2018 in zoverre geen betekenis meer toekomt. Onder deze omstandigheden en nu niet is gebleken van een enig ander belang bij een beoordeling van het beroep tegen het besluit van 22 februari 2018, heeft BMF geen procesbelang meer. Daarom moet haar beroep tegen het besluit van 22 februari 2018 in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

Natura 2000-gebieden

12.    BMF betoogt dat de raad, gezien het milieueffectrapport, de aanvulling hierop en de passende beoordeling, ten onrechte het plan heeft vastgesteld. BMF betoogt dat de raad ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van aantasting van de natuurlijk kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden en daarom in strijd met artikel 2.7, eerste lid, in samenhang met artikel 2.8, derde lid, van de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) heeft gehandeld.

BMF voert hierover aan dat in het kader van de passende beoordeling ook rekening met de ontwikkelmogelijkheden van bestaande veehouderijen had moeten worden gehouden. Zij wijst op de uitbreidingsmogelijkheden voor bestaande veehouderijen binnen de toegekende bouwvlakken. BMF wijst verder op de mogelijkheid van het opvullen van onbenutte ruimte binnen al verleende Wnb-vergunningen. BMF betoogt dat aangezien deze aspecten niet in de passende beoordeling zijn meegenomen, de toename van stikstofdepositie ten gevolge van het plan is onderschat.

BMF voert voorts aan dat de toename van het aantal dieren dat het plan binnen het huidige stikstofemissieplafond mogelijk maakt ook effecten zal hebben buiten de stal, zoals meer vervoersbewegingen. BMF betoogt dat deze effecten ten onrechte niet zijn meegenomen in de passende beoordeling, terwijl als gevolg ervan de stikstofdepositie toeneemt, wat zal leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden.

BMF voert ten slotte aan dat het plan mogelijk maakt dat bij omgevingsvergunning en met toepassing van beschikbare depositieruimte op basis van het Programma Aanpak Stikstof 2015- 2021 (hierna: het PAS) een toename van stikstofdepositie wordt toegestaan. BMF betoogt dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie) daaraan stelt. BMF wijst er voorts op dat de effecten van de afwijkingsmogelijkheden niet zijn meegenomen in de passende beoordeling die aan het plan ten grondslag is gelegd, zodat significante negatieve gevolgen niet zijn uitgesloten.

12.1.    De raad stelt zich onder verwijzing naar het milieueffectrapport "Plan MER Omgevingsplan Buitengebied 2016" (hierna: plan-MER), de "Aanvulling planMER Omgevingsplan Buitengebied 2016" (hierna: aanvulling plan-MER) en de passende beoordeling, waarin van de veehouderijbedrijven de ontwikkelingsmogelijkheden zijn beschouwd, op het standpunt dat is uitgesloten dat het plan significante negatieve gevolgen heeft voor de nabij het plangebied liggende Natura 2000-gebieden.

12.2.    De Natura 2000-gebieden "Deurnsche Peel & Mariapeel", "Boschhuizerbergen", "Strabrechtse Heiden & Beuven", "Oeffelter Meent" en "Maasduinen" liggen in de omgeving van het plangebied. Niet in geschil is dat in deze gebieden al sprake is van een overbelaste situatie als gevolg van de huidige stikstofdepositie, zodat niet uitgesloten is dat een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot significante negatieve effecten. Daarom is het plan-MER van 20 december 2016, waarvan de passende beoordeling als bijlage deel uitmaakt, opgesteld. De commissie voor de m.e.r. heeft op 6 oktober 2016 een toetsingsadvies uitgebracht over het plan-MER. Als antwoord op twee door de commissie gesignaleerde tekortkomingen is de aanvulling plan-MER van 3 november 2017 opgesteld, die ook geldt als een aanvulling op de passende beoordeling.

12.3.    In de passende beoordeling is onderzoek gedaan naar de gevolgen van het plan voor de onder 12.2 genoemde Natura 2000-gebieden, waarbij een vergelijking is gemaakt tussen de bestaande situatie en de toekomstige situatie. Uit dit onderzoek volgt dat een maximale invulling van alle mogelijkheden voor veehouderijen zal leiden tot een grote toename van stikstofdepositie binnen de Natura 2000-gebieden. Uitsluitend het opvullen van onbenutte ruimte binnen vergunningen zal al een forse toename van stikstofdepositie met zich brengen. Daarnaast heeft de uitbreiding van bestaande veehouderijen (binnen het bouwvlak en ingevolge het delegatiebesluit tot maximaal 1,5 ha) grote gevolgen voor de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheden voor omschakeling naar veehouderijen binnen de agrarische bestemmingen. In een overbelaste situatie kan ook bij een kleine toename in bepaalde gevallen al sprake zijn van significante negatieve effecten. Significante negatieve effecten kunnen dan ook niet worden uitgesloten.

In de passende beoordeling is vervolgens uiteengezet welke maatregelen moeten worden getroffen om tot een uitvoerbare planregeling te komen binnen de kaders van de Wnb. Gelet op de uitkomsten van het onderzoek moet een emissie-standstill in het plan worden opgenomen.

De emissie-standstill waarborgt dat het plan geen significante effecten veroorzaakt en geeft agrariërs toch enige uitbreidingsruimte. Omdat een aanzienlijk deel van de mogelijke toename van stikstofdepositie samenhangt met eventuele omschakelingsmogelijkheden binnen agrarische bouwvlakken van niet-veehouderij naar veehouderij, moeten dergelijke mogelijkheden worden uitgesloten. Door de toepassing van emissie-arme staltechnieken bij bestaande bedrijven is het evenwel veelal mogelijk om een uitbreiding tot 1,5 ha te realiseren zonder dat de ammoniakemissie op bedrijfsniveau toeneemt. Voor melkrundveehouderijen ligt dat anders. Niet kan worden onderbouwd dat deze bedrijven binnen de bestaande emissie de volledige ruimte binnen een bouwvlak van 1,5 ha kunnen benutten. Door deze bedrijven zal, zo staat in de passende beoordeling, een beroep moeten worden gedaan op de ontwikkelingsruimte die beschikbaar is binnen het PAS.

12.4.    Niet in geschil is dat de raad het plan heeft vastgesteld overeenkomstig de zogenoemde uitvoerbare planregeling uit de passende beoordeling. BMF stelt terecht dat bij de vaststelling van het plan de in het plan geboden ontwikkelingsruimte voor bestaande veehouderijen, inclusief de flexibiliteitsinstrumenten, moet worden onderzocht in een passende beoordeling. Voor zover BMF betoogt dat dit niet heeft plaatsgevonden en daarbij wijst op de uitbreidingsmogelijkheden voor bestaande veehouderijen binnen de toegekende bouwvlakken en op de mogelijkheid van het opvullen van onbenutte ruimte binnen verleende Wnb-vergunningen, overweegt de Afdeling dat uit de passende beoordeling volgt dat hiermee wel rekening is gehouden.

Het betoog faalt.

12.5.    Uit artikel 107, lid 1.1, aanhef en onder b, van de planregels volgt dat wijziging van het bestaande aantal dierplaatsen alleen is toegestaan onder de voorwaarde dat dit niet gepaard gaat met een toename van de bestaande stikstofdepositie. Niet in geschil is dat door het gebruik van andere stalsystemen de ammoniakemissie vanuit de stallen kan afnemen en het plan de mogelijkheid biedt dan andere stallen te bouwen waardoor het houden van meer dieren mogelijk wordt. BMF merkt terecht op dat een toename van het aantal dieren ook effecten kan hebben buiten de stal, zoals meer vervoersbewegingen. Over het betoog van BMF dat deze effecten ten onrechte niet zijn onderzocht, overweegt de Afdeling dat uit de passende beoordeling volgt dat die effecten daarin wel zijn meegenomen. Uit de passende beoordeling volgt, zoals door de raad ter zitting is toegelicht, dat vanwege de ruime afstand tot omliggende Natura 2000-gebieden daar geen relevante effecten zullen optreden ten gevolge van een mogelijke toename van activiteiten buiten de stal. BMF heeft dit niet gemotiveerd bestreden.

Het betoog faalt.

12.6.    Op grond van artikel 107, lid 1.2, van de planregels kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van artikel 107, lid 1.1, van de planregels en een toename van stikstofdepositie toestaan die het gevolg is van wijziging van bestaande dierplaatsen, diersoorten en/of stalsystemen indien hiervoor gebruik wordt gemaakt van beschikbare depositieruimte op basis van het PAS. Dit betekent dat het plan ontwikkelruimte biedt voor veehouderijen, zo lang de toename van de stikstofdepositie die een uitbreiding van de veehouderij tot gevolg heeft de beschikbare depositieruimte op basis van het PAS niet overschrijdt. Het plan voorziet daarmee in ruimtelijke ontwikkelingen die tot een toename van stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden kan leiden, waarvoor de raad geen individuele passende beoordeling heeft opgesteld, maar verwijst naar de passende beoordeling die is gemaakt in het kader van het PAS. De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, dat de passende beoordeling die ten grondslag ligt aan het PAS niet voldoet aan de eisen die uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn voortvloeien. Dit brengt met zich dat in artikel 107, lid 1.2, van de planregels in ontwikkelingen wordt voorzien waarvan niet de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden daardoor niet zullen worden aangetast.

Het betoog slaagt.

Beekdalen

13.    BMF betoogt dat het plan te ruime mogelijkheden biedt voor plantaardige teelten en het aanleggen van teeltondersteunende voorzieningen in het beekdallandschap aan de westkant van Boekel. BMF stelt dat dit afbreuk doet aan het watersysteem en de landschappelijke waarden in dit gebied.

13.1.    Uit de stukken, waaronder de plantoelichting, blijkt dat de raad bij de vaststelling van het plan ontwikkelruimte heeft geboden aan agrarische bedrijven en daarbij tegelijkertijd de aanwezige gebiedswaarden in acht heeft genomen. De raad heeft toegelicht dat vanwege de gebiedskwaliteiten van het beekdal de ontwikkelmogelijkheden daar beperkter zijn dan elders. Zo zijn hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen niet toegestaan in de beekdalen en zijn lage permanente teeltondersteunende voorzieningen daar beperkt in oppervlakte. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de geboden mogelijkheden voor plantaardige teelten en het aanleggen van teeltondersteunende voorzieningen niet tot onaanvaardbare aantasting van het beekdallandschap leiden. De enkele stelling van BMF dat dit wel zo is, is onvoldoende.

Het betoog faalt.

Motorcrossterrein

14.    BMF betoogt dat het plan in strijd is met artikel 5.1 van de Verordening ruimte Noord-Brabant (hierna: de verordening). Zij voert aan dat het motorcrossterrein Bezuidenhout (hierna: het motorcrossterrein) niet eerder als zodanig is bestemd en dat het plan dus voorziet in een nieuwe functie. BMF voert aan dat dit niet is toegestaan op grond van artikel 5, lid 5.1, eerste lid, onder a, van de verordening, waarin is bepaald dat een bestemmingsplan voor gronden gelegen in het Natuur Netwerk Brabant (hierna: NNB) strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van deze gebieden.

14.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het motorcrossterrein als een bestaande planologische situatie als bedoeld in de verordening moet worden beschouwd en dat het positief bestemmen daarvan, ook in het NNB, is toegelaten op grond van het artikel 5, lid 5.1, eerste lid, onder c, van de verordening.

14.2.    Aan de gronden waar het motorcrossterrein is gelegen zijn de bestemmingen "Natuur" en "Natuur Netwerk Brabant" met de aanduiding "motorcrossterrein" toegekend.

15.    Vaststaat dat op het perceel aan het Bezuidenhout sinds de jaren zestig een motorcrossterrein aanwezig is en dat dit nooit zo bestemd is geweest in een bestemmingsplan. Met de in de verbeelding opgenomen aanduiding "motorcrossterrein" is het bestaande gebruik daarvan in het plan toegelaten.

BMF wijst er terecht op dat in artikel 5, lid 5.1, eerste lid, onder a, van de verordening is bepaald dat een bestemmingsplan voor gronden die in het NNB liggen, strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van deze gebieden. Dit brengt met zich dat er geen nieuwe ontwikkelingen mogen worden opgenomen in een bestemmingsplan. Volgens de toelichting bij de verordening is in artikel 5, lid 5.1, eerste lid, onder c, van de verordening ook een algemene bepaling opgenomen ter bescherming van de gevestigde belangen en rechten. In deze bepaling is voorgeschreven dat de bestaande planologische gebruiksactiviteiten zijn toegelaten. Vervolgens volgt uit artikel 2, onder 3, dat waar in deze verordening gesproken wordt over een bestaande planologische gebruiksactiviteit, daaronder ook wordt verstaan datgene waarvan vaststaat dat handhaving wegens strijd met het geldende bestemmingsplan niet meer mogelijk is.

De raad heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 juli 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD8906, uiteengezet dat wat betreft het motorcrossterrein vaststaat dat handhaving wegens strijd met het geldende bestemmingsplan niet meer mogelijk is. BMF heeft de juistheid hiervan niet bestreden. In dit geval is sprake van een bestaande planologische gebruiksactiviteit als bedoeld in artikel 2, onder 3, van de verordening die op grond van artikel 5, lid 5.1, eerste lid, onder c, van de verordening is toegelaten. Het bestemmen van het motorcrossterrein verdraagt zich dus met artikel 5, lid 5.1, van de verordening.

Het betoog faalt.

Rechtszekerheid

16.    BMF betoogt verder dat diverse in het plan opgenomen bevoegdheden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit, onvoldoende duidelijk zijn. BMF stelt dat de betreffende bepalingen onvoldoende rechtszekerheid bieden, omdat op voorhand onduidelijk is wanneer aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. BMF licht in dit verband toe dat sommige van deze voorwaarden open begrippen bevatten, zoals "onevenredige aantasting", "aanvaardbaar woon- en leefklimaat" en "geschikt voor de beoogde functie".

16.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat deze bevoegdheden enkele zogenoemde ‘open normen’ bevatten. Die maken onderdeel uit van het toetsingskader bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bepaalde functies. De raad acht dat in dit geval aanvaardbaar. De raad wijst in dit verband op de aard van het plan, namelijk een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Volgens de raad is beoogd om door het gebruik van ‘open normen’ een planregeling vast te stellen die voldoende flexibiliteit biedt. Voorts heeft de raad gewenst een regeling vast te stellen waarbij aanpassingen kunnen worden doorgevoerd naar aanleiding van nieuwe wetenschappelijke inzichten en onderzoeken.

16.2.    Het plan is, zoals onder 16.1 vermeld, een zogenoemd ‘bestemmingsplan met verbrede reikwijdte’ als bedoeld in artikel 7c van het Besluit uitvoering Chw. Het is een experimenteel plan, waarin vooruit wordt gelopen op de ruimere en flexibelere mogelijkheden die de Omgevingswet zal bieden. Op grond van artikel 7c, lid 14, van het Besluit uitvoering Chw is in het plan een vergunningstelsel opgenomen voor het aanvangen of wijzigen van gebruik van gronden of bouwwerken. Als een vergunning voor zo’n zogenoemde ‘bestemmingsplanactiviteit’ wordt aangevraagd, moet het bevoegd gezag aan de hand van diverse in het plan opgenomen voorwaarden nagaan of de activiteit kan worden vergund, waarbij vergunning moet worden verleend als de conclusie is dat aan de voorwaarden wordt voldaan. Deze zogenoemde ‘beoordelingsregels’ bevatten open normen die bepalen dat een belangenafweging moet plaatsvinden of die beoordelingsruimte bieden dan wel een combinatie van beide.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan vanwege het gebruik van deze open normen niet had mogen vaststellen. De Afdeling acht het gebruik van dergelijke open normen passend bij het flexibele karakter van het plan. Bovendien brengt de gekozen plansystematiek met zich dat een nadere invulling van die open normen bij de toetsing van een aanvraag om omgevingsvergunning aan de orde kan komen. Het in het plan opnemen van een omgevingsvergunningstelsel voor deze bestemmingsplanactiviteiten, leidt immers tot zo’n nadere invulling op het moment van het beslissen op een aanvraag om omgevingsvergunning. Naar aanleiding van een beroep tegen die omgevingsvergunning kan de bestuursrechter de nadere invulling toetsen. Daarbij is de omstandigheid van belang dat een aanvrager van een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit mede ter onderbouwing van de invulling van open normen, gegevens en bescheiden moet overleggen over de gevolgen van het beoogde gebruik voor de fysieke leefomgeving. De Afdeling wijst op artikel 7c, leden 14 en 15, van het Besluit uitvoering Chw. De Afdeling merkt in dit verband ten slotte op dat de rechtspraak die zij over reguliere bestemmingsplannen onder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) heeft gevormd, namelijk dat een nader afwegingsmoment omtrent het toegestane grondgebruik in geval van een bestemming bij recht niet is toegestaan - vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3971 -, niet van toepassing is op een vergunningstelsel als in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte.

Het betoog faalt.

Het beroep voor het overige

17.    Waar BMF zich in het beroepschrift heeft beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van haar zienswijze en de zienswijze van de Bomenstichting, overweegt de Afdeling dat in de overwegingen van het besluit van 22 februari 2018 is ingegaan op deze zienswijzen. BMF heeft in het beroepschrift en ter zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de zienswijzen in dat besluit onjuist zou zijn.

In wat BMF voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Conclusie

18.    Gelet op het voorgaande is het beroep van BMF tegen het besluit van 22 februari 2018, voor zover ontvankelijk, gegrond.

18.1.    In hetgeen BMF heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 22 februari 2018, voor zover het betreft artikel 107, lid 1.2, van de planregels is genomen in strijd met artikel 2.7, eerste lid, in samenhang met artikel 2.8, derde lid, van de Wnb. Dit besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

18.2.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

De beroepen van [appellante sub 3] en [appellante sub 4]

Het besluit van 4 april 2019

19.    Over het betoog van [appellante sub 3] dat in het bestemmingsplan "Omgevingsplan Buitengebied 2016" ter plaatse van het voorerf van het perceel [locatie 1] ten onrechte niet de aanduiding "Bebouwd gebied" is opgenomen, merkt de Afdeling op dat de raad dit heeft gewijzigd en dat in het "Reparatieherziening Buitengebied 2016" daar wel die aanduiding is opgenomen.

[appellante sub 3] heeft ter zitting aangegeven dat hij kan instemmen met het besluit van 4 april 2019. Tegen het besluit van 4 april 2019 is dan ook geen beroep van rechtswege van [appellante sub 3] ontstaan.

Het besluit van 22 februari 2018

Omschakelmogelijkheden pelsdierhouderijen

20.    [appellante sub 3] en [appellante sub 4] betogen dat het plan onvoldoende mogelijkheden biedt voor wijziging van de bedrijfsvoering van de pelsdierhouderij die zij op de percelen [locatie 1] respectievelijk [locatie 2] exploiteren. [appellante sub 3] en [appellante sub 4] voeren aan dat artikel 107, lid 1.3, onder a, van de planregels in de weg staat aan een bedrijfsmatige exploitatie van een andere vorm van intensieve veehouderij na afloop van de uitfaseringsperiode zoals neergelegd in de Wet verbod pelsdierhouderij (hierna: de Wvp) op 1 januari 2024.

[appellante sub 3] en [appellante sub 4] brengen in dit verband naar voren dat in de Regeling veehouderij en geurhinder (hierna: de Rvg) voor nertsen geen geuremissiefactor is opgenomen, zodat niet kan worden getoetst of omschakeling naar een andere diersoort zal leiden tot een toename van de al bestaande geuremissie. [appellante sub 3] en [appellante sub 4] voeren daarnaast aan dat voor zover omschakeling naar een niet-agrarisch bedrijf is toegestaan, het plan hiervoor onvoldoende mogelijkheden biedt.

[appellante sub 3] en [appellante sub 4] voeren tot slot aan dat de raad, gezien de gegeven belangen en de specifieke situatie, niet heeft kunnen nalaten te voorzien in een maatbestemming voor hun bedrijven.

20.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan voldoende mogelijkheden biedt om de bestaande bedrijfsvoering te wijzigen wanneer de pelsdierhouderij niet meer is toegestaan. De raad wijst op de mogelijkheden voor omschakeling naar een akkerbouw- of melkveebedrijf, een agrarisch verwant bedrijf of een bedrijf in milieucategorie 1 of 2. Volgens de raad is het verder een bewuste keuze om niet te voorzien in de mogelijkheid van omschakeling naar een andere vorm van veehouderij. De raad acht een dergelijke ontwikkeling onwenselijk met het oog op de geurhinder- en gezondheidssituatie in het buitengebied.

20.2.    Aan de percelen [locatie 1] en [locatie 2] is de bestemming "Agrarisch bedrijf - Veehouderij" toegekend.

20.3.    Ingevolge artikel 2 van de Wvp is het houden, doden of doen doden van pelsdieren verboden vanaf 1 januari 2024. Pelsdierhouderijen kunnen hun huidige bedrijfsvoering dus niet voortzetten na deze datum.

Op grond van artikel 107, lid 1.3, onder a, van de planregels is een wijziging van bestaande diersoorten alleen toegestaan als die wijziging niet leidt tot een toename van de bestaande geuremissie. De Afdeling volgt de raad niet in het standpunt dat omdat voor nertsen geen geuremissiefactor is opgenomen in de Rvg, bij omschakeling naar een andere diersoort waarvoor wel een geuremissiefactor bestaat, te weten alle andere vormen van intensieve veehouderij, per definitie sprake zal zijn van een toename van de bestaande geuremissie. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat bij de vraag of sprake is van een toename van de geuremissie de in de Rvg opgenomen geuremissiefactoren niet zonder meer bepalend zijn. Dit vereiste volgt immers niet uit artikel 107, lid 1.3, onder a, van de planregels. De Afdeling acht ook van belang dat niet in geschil is dat pelsdierhouderijen feitelijk geuremissie veroorzaken en dat deze meetbaar is. Bij een wijziging van diersoorten kan dan ook worden berekend of feitelijk sprake is van een toename van de bestaande geuremissie. Gelet hierop komt de Afdeling tot de conclusie dat artikel 107, lid 1.3, onder a, van de planregels niet in de weg staat aan wijziging naar een andere vorm van intensieve veehouderij, zo lang die niet leidt tot een toename van de feitelijk bestaande - en legale - geuremissie. Dit betekent dat het plan wel voorziet in de door [appellante sub 3] en [appellante sub 4] primair gewenste omschakelmogelijkheden.

Waar [appellante sub 3] en [appellante sub 4] verder hebben betoogd dat het plan ten onrechte slechts voorziet in omschakeling naar een niet-agrarisch bedrijf in milieucategorie 1 of 2, heeft de raad ter zitting toegelicht dat hij in dit verband heeft aangesloten bij de mogelijkheden voor niet-agrarische functies uit de verordening. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Het plan biedt in zoverre voldoende mogelijkheden. Het plan voorziet in de vooral gewenste omschakelmogelijkheden naar andere vormen van intensieve veehouderij. Alles bij elkaar genomen heeft de raad daarom in redelijkheid kunnen afzien van het toekennen van een maatbestemming voor pelsdierhouderijen.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan onvoldoende mogelijkheden biedt voor wijziging van de bedrijfsvoering van de pelsdierhouderij die [appellante sub 3] en [appellante sub 4] exploiteren.

Het betoog faalt.

Mobiele mestinstallaties

21.    [appellante sub 4] betoogt dat het plan rechtsonzeker is, omdat onduidelijk is of de in artikel 107, lid 1.7, van de planregels vervatte voorwaarde van inpandig gebruik ook geldt bij gebruikmaking van een mobiele mestinstallatie.

21.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat die bepaling niet van toepassing is bij het gebruik van mobiele mestinstallaties.

21.2.    In artikel 107, lid 1.7, van de planregels zijn regels opgenomen in verband met mest, waarbij is voorgeschreven dat mestbewerking uitsluitend inpandig is toegestaan. Voorts is in lid 1.8 van dat artikel een regeling opgenomen voor het gebruik van een mobiele mestinstallatie. De Afdeling overweegt dat uit lid 1.7 niet volgt dat mestbewerking alleen inpandig is toegestaan, behalve in het geval mobiele mestinstallaties als bedoeld in lid 1.8 worden gebruikt, wat de raad wel heeft beoogd. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Het betoog slaagt

Conclusie

22.    In hetgeen [appellante sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 22 februari 2018, voor zover het betreft artikel 107, lid 1.7, onder a, sub 1, is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en artikel 3:2 van de Awb.

22.1.    De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het besluit van 22 februari 2018 binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 21.2 alsnog het besluit van 22 februari 2018 te wijzigen door het vaststellen van een planregeling waaruit blijkt dat mestbewerking alleen inpandig is toegestaan, behalve in het geval mobiele mestinstallaties als bedoeld in artikel 107, lid 1.8, van de planregels worden gebruikt.

De raad behoeft geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb. Dit betekent dat niet eerst een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage hoeft te worden gelegd.

22.2.    Voor [appellante sub 4] zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten.

22.3.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 3] tegen het besluit van 22 februari 2018 ongegrond.

22.4.    Voor [appellante sub 3] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De beroepen van [appellante sub 5] en [appellant sub 6]

Het besluit van 4 april 2019

23.    Over het betoog van [appellant sub 6] dat in het bestemmingsplan "Omgevingsplan Buitengebied 2016" ter plaatse van de zeugenuitloop aan de westzijde van het perceel [locatie 3] ten onrechte niet de aanduiding "Bebouwd gebied" is opgenomen, merkt de Afdeling op dat de raad dit heeft gewijzigd en dat in het "Reparatieherziening Buitengebied 2016" wel die aanduiding is opgenomen.

[appellant sub 6] heeft ter zitting aangegeven dat hij in zoverre kan instemmen met het besluit van 4 april 2019. Tegen het besluit van 4 april 2019 is op dit onderdeel dan ook geen beroep van rechtswege van [appellant sub 6] ontstaan.

Het besluit van 22 februari 2018

Intrekking

24.    [appellante sub 5] en [appellant sub 6] hebben ter zitting hun beroepsgrond ingetrokken dat het plan leidt tot een beperking van de uitbreidingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven omdat dit voorziet in de aanwijzing van bedrijfswoningen als plattelandswoningen.

Wijziging bestaande aantal dierplaatsen

25.    [appellante sub 5] en [appellant sub 6] betogen dat het plan leidt tot een onaanvaardbare belemmering van de uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen. [appellante sub 5] en [appellant sub 6] voeren hierover aan dat uitbreiding van het bestaande aantal dierplaatsen ingevolge artikel 107, lid 1.3, onder a, van de planregels alleen is toegestaan indien die wijziging niet leidt tot een toename van de bestaande geuremissie.

25.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat met het plan is beoogd een verbetering van de geur- en gezondheidssituatie in het buitengebied te bereiken. Volgens de raad zijn daarom, naast enkele andere maatregelen, de uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen beperkt.

25.2.    In de plantoelichting is vermeld dat wordt gestreefd naar een verbetering van de geursituatie in het buitengebied. Het beleid bestaat uit drie pijlers, namelijk aanscherping van de regels voor achtergrondbelasting, het opnemen van de geurverordening in het plan en op bedrijfsniveau een geuremissiestandstill voor de diercategorieën waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld. De gemeente Boekel vindt dit van belang in verband met de gevolgen voor het woon- en leefklimaat en de daarmee samenhangende gezondheidseffecten. In het plan is wel de mogelijkheid opgenomen af te wijken van deze geuremissiestandstill, waarbij als voorwaarde geldt dat er per saldo sprake moet zijn van een afname van het aantal geurgehinderden in het buitengebied. Dat kan bijvoorbeeld worden bereikt door verplaatsing van emissiepunten of door sanering van een veehouderij elders, aldus de plantoelichting.

25.3.    Ingevolge artikel 107, lid 1.3, onder a, van de planregels zijn gelet op dat beleid zoals verwoord in de plantoelichting de uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen beperkt, in die zin dat wijziging van het bestaande aantal dierplaatsen alleen is toegestaan wanneer dat niet leidt tot een toename van de bestaande geuremissie. De Afdeling is van oordeel dat de raad deze planregel in redelijkheid heeft kunnen vaststellen, want de raad heeft het belang bij verbetering van de geur- en daarmee de gezondheidssituatie in het buitengebied zwaarder mogen laten wegen dan het belang van de veehouderijen bij uitbreidingsmogelijkheden. De raad heeft in dit verband acht mogen slaan op de omstandigheid dat sprake is van een overbelaste geursituatie in het buitengebied. Ook moet daarbij bedacht worden dat die bepaling niet in de weg staat aan uitbreiding van het aantal dierplaatsen als in samenhang daarmee een geurbeperkend stalsysteem wordt toegepast, zodat de bestaande geuremissie niet toeneemt. Verder heeft de raad van belang mogen achten dat in artikel 107, lid 1.4, van de planregels een afwijkingsbevoegdheid is opgenomen op basis waarvan onder voorwaarden een toename van de geuremissie kan worden vergund. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog faalt.

Bouwvlak

26.    [appellant sub 6] betoogt dat het bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie 3] ten onrechte is verkleind ten opzichte van het voorgaande plan. [appellant sub 6] voert hierover aan dat de raad bij de vaststelling van het plan ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn voornemen gebruik te maken van de op grond van het voorheen geldende plan bestaande uitbreidingsmogelijkheden voor zijn varkenshouderij.

26.1.    Vaststaat dat het bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie 3] is verkleind ten opzichte van het voorgaande plan tot een omvang van 1,5 ha. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het bouwvlak is verkleind omdat bij de vaststelling van het plan het uitgangspunt is gehanteerd dat een agrarisch bouwvlak een maximale omvang van 1,5 ha mag hebben. De Afdeling overweegt dat de raad hierbij evenwel niet in aanmerking heeft genomen dat er concrete uitbreidingsplannen voor het agrarisch bedrijf van [appellant sub 6] bestonden. In dit verband is van belang dat is gebleken dat op 7 juni 2017 een aanvraag om omgevingsvergunning voor het uitbreiden van de varkenshouderij aan de [locatie 3] is ingediend, die op 13 oktober 2017 is ingetrokken. Voorts is op 29 december 2017 een voornemen tot uitbreiding kenbaar gemaakt en is op 19 januari 2018 een hernieuwde aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het uitbreiden van de varkenshouderij ingediend. De raad heeft ter zitting weliswaar toegelicht dat in het plan is gekozen voor een andere systematiek voor het bepalen van de omvang van het bouwvlak dan in het voorheen geldende plan werd gehanteerd, maar heeft niet toegelicht op welke wijze hij de belangen van [appellant sub 6] bij deze uitbreidingsplannen in zijn afweging heeft betrokken. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de verkleining van het bouwvlak op het perceel [locatie 3] ten opzichte van het voorheen geldende plan, berust niet op een deugdelijke motivering.

Het betoog slaagt.

Conclusie

27.    In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 22 februari 2018, voor zover hiermee de aanduiding "Bebouwd gebied" is toegekend aan het perceel [locatie 3], is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

27.1.    De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het besluit van 22 februari 2018 binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 26.1 alsnog toereikend te motiveren waarom de verkleining van het bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie 3] ten opzichte van het voorgaande plan aanvaardbaar is, waarbij hij rekening dient te houden met de uitbreidingsplannen en belangen van [appellant sub 6], dan wel het besluit van 22 februari 2018 te wijzigen door vaststelling van een aangepast bouwvlak. De Afdeling gaat ervan uit dat de raad, indien hij tot de vaststelling van een gewijzigde planregeling overgaat, ook de zeugenuitloop aan de westzijde van het perceel [locatie 3] in het aangepaste bouwvlak opneemt.

Als de herstelpoging leidt tot een ander besluit hoeft de raad geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb. Dit betekent dat niet eerst een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage hoeft te worden gelegd.

27.2.    Voor [appellant sub 6] zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten.

27.3.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 5] tegen het besluit van 22 februari 2018 ongegrond.

27.4.    Voor [appellante sub 5] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Het beroep van [appellant sub 7] en anderen

Het besluit van 22 februari 2018

Intrekking

28.    [appellant sub 7] en anderen hebben ter zitting hun beroepsgrond ingetrokken dat bij de woningen [locatie 4] en [locatie 5] niet wordt voldaan aan de richtafstanden die op grond van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten moeten worden aangehouden voor de op de percelen [locatie 6] en [locatie 7] voorziene ontwikkelingen.

Verordening

29.    [appellant sub 7] en anderen betogen dat het plan in strijd is met artikel 7.10 van de verordening. Zij voeren hiertoe aan dat het plan op de percelen [locatie 6] en [locatie 7] voorziet in de vestiging van twee zelfstandige niet-agrarische bedrijven. Dit is niet toegestaan ter plaatse van de gronden die op de bij de verordening behorende kaart zijn aangemerkt als "Gemengd landelijk gebied".

29.1.    De raad stelt zich primair op het standpunt dat het relativiteitsbeginsel in de weg staat aan het slagen van dit betoog. De raad stelt zich inhoudelijk op het standpunt dat de gronden op de bij de verordening behorende kaart ook zijn voorzien van de aanduiding "Integratie stad-land". Artikel 9 van de verordening biedt op grond hiervan ruimere mogelijkheden voor het toestaan van nieuwe niet-agrarische functies.

29.2.    Aan het perceel [locatie 6] is de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" toegekend. Aan het perceel [locatie 7] is de bestemming "Bedrijf" toegekend.

29.3.    Aan deze percelen is in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2005" de bestemming "Agrarisch bouwblok" met de aanduiding "intensieve veehouderij" toegekend.

29.4.    De Afdeling stelt vast dat de percelen [locatie 6] en [locatie 7] op de bij de verordening behorende kaart als "Gemengd landelijk gebied" met de aanduiding "Integratie stad-land" zijn aangemerkt. Dit betekent dat naast artikel 7 van de verordening, ook artikel 9 van toepassing is.

29.5.    Wat betreft het verweer van de raad dat het relativiteitsbeginsel in de weg staat aan het slagen van dit betoog, overweegt de Afdeling het volgende.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

Het door [appellant sub 7] en anderen ingeroepen artikel 7 uit de verordening heeft een algemeen karakter en beoogt mede bescherming te bieden aan het belang bij het behoud en de bevordering van een goede ruimtelijke kwaliteit in het gemengd landelijk gebied. De percelen [locatie 6], [locatie 7] en de percelen van [appellant sub 7] en anderen liggen in dit gemengd landelijk gebied. De belangen van [appellant sub 7] en anderen zijn onder meer gelegen in het behoud van dit gebied en het belang dat hun percelen gevrijwaard blijven van de ruimtelijke invloed van de voorziene ontwikkelingsmogelijkheden in de naaste omgeving. In het licht daarvan kunnen [appellant sub 7] en anderen zich op het door hen genoemde artikel uit de verordening beroepen en vormt het relativiteitsvereiste geen aanleiding deze beroepsgrond niet te bespreken.

29.6.    Over het betoog van [appellant sub 7] en anderen dat het plan in strijd is met artikel 7.10 van de verordening, overweegt de Afdeling dat in artikel 9.1, derde lid, van de verordening is bepaald dat, voor zover een bestemmingsplan voorziet in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, artikel 2, vierde lid (zwaarste regiem geldt), niet van toepassing is. Als dus sprake is van zo’n stedelijke ontwikkeling is er geen strijd met artikel 7.10 van de verordening.

Wil sprake zijn van zo’n ontwikkeling dan moet op grond van artikel 9.1 van de verordening voldaan zijn aan de daar gestelde voorwaarden. De raad heeft ter zitting uiteengezet dat volgens hem daaraan wordt voldaan. Het vereiste in de verordening dat een stedelijke ontwikkeling aansluit bij bestaand stedelijk gebied, houdt niet in dat de stedelijke ontwikkeling volledig op aangrenzende percelen moet zijn voorzien. Het begrip 'aansluiten' in de verordening heeft niet de betekenis van 'aangrenzend', wat ook de mogelijkheid biedt om een stedelijke ontwikkeling op enige afstand van bestaand stedelijk gebied te realiseren. De Afdeling verwijst hiervoor naar de uitspraak van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3524.

De percelen [locatie 6] en [locatie 7] liggen op een afstand van ongeveer 825 meter van gronden die in de verordening zijn aangeduid als "Bestaand stedelijk gebied". Hoewel dus niet is vereist dat de voorziene stedelijke ontwikkelingen op aangrenzende percelen moeten zijn voorzien, is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling zo groot dat niet kan worden volgehouden dat deze ontwikkelingen in aansluiting op bestaand stedelijk gebied worden gerealiseerd.

Het voorgaande leidt de Afdeling tot het oordeel dat het plan op dit punt in strijd is met artikel 9.1 van de verordening.

Dit betoog slaagt.

29.7.    Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van [appellant sub 7] en anderen geen bespreking.

Conclusie

30.    In hetgeen [appellant sub 7] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 22 februari 2018, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" ter plaatse van het perceel [locatie 6] en het plandeel met de bestemming "Bedrijf" ter plaatse van het perceel [locatie 7], is genomen in strijd met artikel 9.1 van de verordening.

30.1.    De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het besluit van 22 februari 2018 binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 29.6 het besluit van 22 februari 2018 te wijzigen, door vaststelling van een passende planregeling voor de percelen [locatie 6] en [locatie 7].

De raad hoeft hierbij geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb. Dit betekent dat niet eerst een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage hoeft te worden gelegd.

30.2.    Voor [appellant sub 7] en anderen zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten.

Het beroep van GGZ Oost-Brabant

Het besluit van 22 februari 2018

Gebruiksmogelijkheden

31.    GGZ Oost-Brabant kan zich niet verenigen met de mogelijkheden die het plan biedt voor haar terrein aan de Kluisstraat 2 (hierna: het terrein), waar de psychiatrische instelling Huize Padua is gevestigd.

GGZ Oost-Brabant betoogt dat het plan daar ten onrechte slechts één instelling toelaat, terwijl de raad te kennen heeft gegeven meerdere zorgverleners toe te staan. GGZ Oost-Brabant betoogt daarnaast dat het plan ten onrechte niet op enigerlei wijze ondergeschikte detailhandel en horeca, met een oppervlakte van meer dan 40 m², toestaat.

31.1.    Aan het perceel Kluisstraat 2 is de bestemming "Gezondheidszorg" toegekend.

31.2.    In de ‘Notitie aanpassingen Omgevingsplan - Huize Padua’, die onderdeel uitmaakt van de nota van zienswijzen die bij het besluit van 22 februari 2018 is vastgesteld, is vermeld dat het plan wordt aangepast in die zin dat op het terrein meerdere instellingen zijn toegestaan. Zoals ook ter zitting is gebleken heeft de raad hiermee beoogd te regelen dat ter plaatse meerdere zorgverleners een functie kunnen uitoefenen. De Afdeling is van oordeel dat dit niet volgt uit artikel 19, lid 19.1, onder a, van de planregels, nu een letterlijke lezing van de zinsnede "instelling voor gezondheidszorg" oplevert dat slechts één instelling is toegestaan. Het plan stemt daarom in zoverre niet overeen met het besluit tot vaststelling en met wat de raad heeft beoogd. Het besluit is niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Het betoog slaagt.

31.3.    De raad heeft vervolgens ter zitting toegelicht dat was beoogd om op het terrein bij omgevingsvergunning dan wel na melding, ondergeschikte detailhandel en horeca met een oppervlakte van meer dan 40 m² mogelijk te maken. Deze mogelijkheden zijn per abuis niet toegestaan binnen de bestemming "Gezondheidszorg". De raad heeft gesteld dat sprake is van een omissie. Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het besluit van 22 februari 2018 heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, is het besluit op dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Het betoog slaagt.

Platte daken

32.    GGZ Oost-Brabant betoogt dat het plan een ernstige beperking van de bouwmogelijkheden op het terrein met zich brengt, omdat voor nieuwe hoofdgebouwen geen platte daken meer zijn toegestaan. GGZ Oost-Brabant heeft in dit verband toegelicht dat voor patiënten een kleine woonruimte in één-laagse bebouwing volstaat, waarbij de verplichting tot het toevoegen van een schuin dak onnodige kosten met zich brengt.

32.1.    Niet in geschil is dat het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied 2005" voorzag in de mogelijkheid om hoofdgebouwen met platte daken te realiseren en dat dit ingevolge artikel 75, lid 75.2, onder b, van de planregels niet is toegestaan. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

Uit het verweerschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad in dit geval ertoe heeft besloten om deze bouwmogelijkheden te wijzigen ter bescherming van de op het terrein aanwezige monumentale en cultuurhistorische waarden. De raad heeft in dit verband toegelicht dat diverse gebouwen binnen Huize Padua rijksmonumenten zijn en dat hij de realisatie van nieuwe hoofdgebouwen met platte daken in de directe omgeving daarvan afbreuk vindt doen aan deze waarden.

De Afdeling is van oordeel dat de raad weliswaar heeft toegelicht waarom in het plan is gekozen voor een beperking van de mogelijkheden voor platte daken, maar dat hij niet heeft toegelicht op welke wijze hij de gegeven belangen van GGD Oost-Brabant in zijn afweging heeft betrokken. Gezien de toelichting van de raad ter zitting, kan hij in het bijzonder niet worden gevolgd wat betreft het opleggen van beperkingen aan platte daken op die locaties die op enige afstand liggen van de hiervoor bedoelde rijksmonumenten. Het bestreden besluit berust op dit punt niet op een deugdelijke motivering.

Het betoog slaagt.

Zonneweides en zonnepanelen

33.    GGZ Oost-Brabant betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid zonneweides te realiseren of op platte daken zonnepanelen te plaatsen.

33.1.    Wat betreft de mogelijkheid zonneweides te realiseren stelt de raad zich op het standpunt dat deze niet passend zijn ter plaatse van de open ruimtes op het terrein. In de ‘Notitie aanpassingen Omgevingsplan - Huize Padua’ is hierover toegelicht dat de bestaande kwaliteiten en waarden van Huize Padua bescherming verdienen. Bovendien is het mogelijk op andere wijzen duurzame energie op te wekken, zoals met kleine windmolens. Gelet op het vorenstaande acht de Afdeling het standpunt van de raad om deze voorzieningen niet mogelijk te maken ter plaatse van het terrein, niet onredelijk.

De raad heeft voorts ter zitting toegelicht dat was beoogd om ter plaatse van het terrein bij omgevingsvergunning het plaatsen van zonnepanelen mogelijk te maken. Het plan voorziet echter niet in deze mogelijkheid, omdat in artikel 98, onder ab, van de planregels per abuis de zinsnede "zonnepanelen" is opgenomen bij de bouwactiviteiten die niet zijn toegestaan. De raad heeft gesteld dat sprake is van een omissie. Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het besluit van 22 februari 2018 heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, is het besluit op dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Het betoog slaagt.

Omgevingswaarden

34.    GGZ Oost-Brabant betoogt dat de regeling voor uitbreiding of vervangende nieuwbouw van gebouwen op het terrein in artikel 83, onder f, sub 3, van de planregels rechtsonzeker is. Volgens GGZ Oost-Brabant zijn de omgevingswaarden die in dit verband in acht moeten worden genomen, niet kenbaar.

34.1.    Ingevolge artikel 83, onder f, sub 3, van de planregels is uitbreiding of vervangende nieuwbouw van gebouwen met een oppervlakte van meer dan 1.000 m² uitsluitend toegestaan indien de omgevingswaarden in beeld zijn gebracht en tevens is aangetoond dat de ontwikkeling past binnen de omgevingswaarden. De Afdeling acht deze omschrijving niet rechtsonzeker. Voor de kenbaarheid van die omgevingswaarden, heeft de raad erop gewezen dat die staan beschreven in de ‘Notitie aanpassingen Omgevingsplan - Huize Padua’ en dat dit de archeologische, cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke, historisch-geografische en historisch-stedenbouwkundige waarden van de gronden betreffen. Daarmee zijn deze waarden dus wel kenbaar.

Het betoog faalt.

‘Vitaal buitengebied Boekel’

35.    Het betoog van GGZ Oost-Brabant dat mogelijke verplichtingen op basis van het fonds ‘Vitaal buitengebied Boekel’ nadelig zijn voor haar, is niet nader onderbouwd en faalt alleen al daarom.

Het beroep voor het overige

36.    GGZ Oost-Brabant heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de ‘Notitie aanpassingen Omgevingsplan - Huize Padua’, die onderdeel uitmaakt van de nota van zienswijzen die bij het bestreden besluit is vastgesteld, is ingegaan op deze zienswijze. GGZ Oost-Brabant heeft in het beroepschrift en ter zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

37.    In hetgeen GGZ Oost-Brabant heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor de volgende oordelen over het besluit van 22 februari 2018.

Voor zover het betreft de zinsnede "instelling" in artikel 19, lid 19.1, onder a, van de planregels is dat besluit genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en 3:2 van de Awb.

Voor zover ter plaatse van het terrein niet bij omgevingsvergunning of na melding ondergeschikte detailhandel en horeca met een oppervlakte van meer dan 40 m² mogelijk zijn, is het besluit genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Voor zover het betreft artikel 75, lid 75.2, onder b, van de planregels, is het besluit genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Voor zover het betreft de zinsnede "zonnepanelen" in artikel 98, onder a en b, van de planregels is het besluit genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

37.1.    De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het besluit van 22 februari 2018 binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 31.2 alsnog het besluit van 22 februari 2018 te wijzigen door het vaststellen van een planregeling zodanig dat ter plaatse van het terrein meerdere (zorg)instellingen zijn toegestaan.

De raad dient daartoe voorts met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 31.3 alsnog het besluit van 22 februari 2018 te wijzigen door het vaststellen van een planregeling zodanig dat ter plaatse van het terrein, ondergeschikte detailhandel en horeca kan worden toegestaan, met een oppervlakte van meer dan 40 m².

De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 32.1 alsnog toereikend te motiveren waarom in het plan is gekozen voor een beperking van de mogelijkheden voor platte daken, in het bijzonder op die gronden die op afstand liggen van de rijksmonumenten binnen Huize Padua, dan wel het besluit van 22 februari 2018 te wijzigen door vaststelling van een passende planregeling voor dit onderdeel.

De raad dient daartoe ten slotte met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 33.1 alsnog het besluit van 22 februari 2018 te wijzigen door het vaststellen van een planregeling zodanig dat ter plaatse van het terrein bij omgevingsvergunning het plaatsen van zonnepanelen is toegestaan.

De raad behoeft geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb. Dit betekent dat niet eerst een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage hoeft te worden gelegd.

37.2.    Voor GGZ Oost-Brabant zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten.

Het beroep van [appellante sub 9]

Het besluit van 22 februari 2018

Gebruiksmogelijkheden

38.    [appellante sub 9] betoogt dat de raad ten onrechte de gebruiksmogelijkheden van het perceel Runstraat 13, waar zij een filiaal van Electro World exploiteert, heeft beperkt. [appellante sub 9] voert hierover aan dat het vorige bestemmingsplan een gebruik van het perceel voor detailhandel en een electro-technisch bedrijf toeliet, terwijl het plan detailhandel slechts ten behoeve van en in combinatie met een electro-technisch bedrijf toestaat. [appellante sub 9] voert aan dat de raad deze beperking ondeugdelijk heeft gemotiveerd en onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen bij het handhaven van de mogelijkheden die het vorige bestemmingsplan bood. In dit verband heeft [appellante sub 9] toegelicht dat als zij genoodzaakt zou zijn de werkplaats te sluiten, zij de electronicawinkel zou willen kunnen voortzetten. Dat deze situatie zich voordoet is niet ondenkbaar, aangezien consumenten tegenwoordig vaker nieuwe producten kopen, in plaats van oude producten laten repareren.

38.1.    Volgens de raad was de planregeling van het voorheen geldende bestemmingsplan niet duidelijk. Nu is aansluiting gezocht bij het huidige gebruik van het perceel, aldus de raad.

38.2.    Aan het perceel Runstraat 13 is de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - detailhandel en electrotechnisch bedrijf" toegekend.

38.3.    Het perceel Runstraat 13 heeft op de plankaart van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2005" de bestemming "Niet-agrarisch bedrijf". Uit artikel 13, lid 13.1.1 in samenhang bezien met lid 13.1.2, van de planvoorschriften volgt dat op de gronden met de bestemming "Niet-agrarisch bedrijf" zijn toegestaan de bedrijven in de in lid 13.1.2 opgenomen ‘Staat van niet-agrarische bedrijven’, waarin voor het perceel Runstraat 13 ‘Electro-detailhandel’ is vermeld. Dit gebruik is niet nader gespecificeerd, in die zin dat de ene functie ondergeschikt is aan de andere of dat uitsluitend een combinatie van beide functies is toegestaan.

Gelet hierop was in het vorige bestemmingsplan het gebruik van het perceel Runstraat 13 voor zelfstandige detailhandel toegelaten.

Dat betekent dat het plan de gebruiksmogelijkheden van het perceel Runstraat 13 beperkt. Ingevolge artikel 16, lid 16.1, aanhef en onder a, van de planregels is op dit perceel immers slechts een detailhandelsbedrijf ten behoeve van en in combinatie met een electro-technisch bedrijf toegestaan. De raad heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom die beperking van de gebruiksmogelijkheden uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk is. Ook heeft de raad het belang van [appellante sub 9] bij het handhaven van de mogelijkheden die het voorheen geldende bestemmingsplan haar bood ten onrechte niet meegewogen in de besluitvorming.

Het betoog slaagt.

Buitenopslag

39.    [appellante sub 9] betoogt dat de regeling voor buitenopslag in artikel 10, lid 10.2, onder c, van de planregels leidt tot een rechtsonzekere situatie. [appellante sub 9] vreest dat op grond van deze bepaling de opslag van oude bruin- en witgoedapparaten niet langer buiten is toegelaten op het perceel Runstraat 13.

39.1.    Ingevolge artikel 10, lid 10.2, aanhef en onder c, van de planregels is buitenopslag op de gronden met de functie "Bedrijf" niet toegestaan, met uitzondering van opslag die naar de aard van het product buiten opgeslagen moet worden en/of de opslag van producten waarvan uit een oogpunt van redelijkheid geen binnenopslag verlangd kan worden. De Afdeling acht deze omschrijving niet rechtsonzeker. De raad heeft hierover ter zitting toegelicht dat de oude bruin- en witgoedapparaten waarop [appellante sub 9] doelt, zonder twijfel producten zijn die op basis van dit artikel buiten mogen worden opgeslagen, zodat [appellante sub 9] zijn huidige bedrijfsvoering op dit punt ongestoord kan voortzetten. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan voor [appellante sub 9] leidt tot een rechtsonzekere situatie.

Het betoog faalt.

Woning

40.    [appellante sub 9] betoogt dat de woning aan de [locatie 8] in het plan ten onrechte is bestemd als bedrijfswoning en niet als burgerwoning. Dat het toekennen van een woonbestemming geen belemmering vormt voor het naastgelegen bedrijf, volgt volgens [appellante sub 9] uit de "Ruimtelijke onderbouwing omzetten bedrijfswoning naar burgerwoning [locatie 8]. [appellante sub 9]" van 8 oktober 2018.

40.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het voornemen van [appellante sub 9] ten tijde van de vaststelling van het plan nog onvoldoende concreet was om op te nemen in het voorliggende plan. Aangezien de woning op korte afstand ligt van het bedrijf aan de Runstraat 13, stond niet vast dat afsplitsing van de woning uit ruimtelijk oogpunt mogelijk was. Voorts dateert de ruimtelijke onderbouwing waarnaar [appellante sub 9] verwijst, van na de datum van de vaststelling van het plan, aldus de raad.

40.2.    Ook aan het perceel [locatie 8] is in het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied 2005" de bestemming "Niet-agrarisch bedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 13, lid 13.2.2, onder b, van de voorschriften van dit bestemmingsplan, mag per bestemmingsvlak één bedrijfswoning worden opgericht.

40.3.    De Afdeling stelt vast dat de woning aan de [locatie 8] in het voorgaande bestemmingsplan was bestemd als bedrijfswoning bij het bedrijf aan de Runstraat 13 en dat dit in het plan ook het geval is. Door [appellante sub 9] zijn voor de vaststelling van het plan geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van de vaststelling van het plan al een concreet plan bestond om de woning als burgerwoning te gebruiken. Ook anderszins is niet aannemelijk gemaakt dat het voornemen zo concreet was dat dit zonder meer in het plan kon worden opgenomen. Weliswaar heeft [appellante sub 9] in zijn zienswijze de wens  uitgesproken dat de raad de woning als burgerwoning zou bestemmen, maar op dat moment was niet evident dat dit geen belemmering zou opleveren voor het naastgelegen bedrijf. Dat komt pas naar voren uit de ruimtelijke onderbouwing van na het bestreden besluit. Gelet op het vorenstaande hoefde de raad bij de vaststelling van het plan dan ook geen rekening te houden met de wens van [appellante sub 9].

Het betoog faalt.

Conclusie

41.    In hetgeen [appellante sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover hiermee de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - detailhandel en electrotechnisch bedrijf" is toegekend aan het perceel Runstraat 13, is genomen in strijd met de artikelen 3:46 en 3:2 van de Awb.

41.1.    De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 38.3 alsnog het belang van [appellante sub 9] bij behoud van de gebruiksmogelijkheden van het voorheen geldende bestemmingsplan voor haar perceel te betrekken in de belangenafweging en toereikend te motiveren waarom een beperking van de gebruiksmogelijkheden vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk is, dan wel het bestreden besluit te wijzigen.

De raad behoeft in het laatste geval geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb. Dit betekent dat niet eerst een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage hoeft te worden gelegd.

41.2.    Voor [appellante sub 9] zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten.

Het beroep van Molenbrand en Molenakker

Het besluit van 22 februari 2018

42.    Molenbrand exploiteert op de gronden aan de Molenbrand 5 en 9 te Boekel een varkenshouderij. Molenakker exploiteert op de gronden aan de Molenakker 5 te Boekel een varkenshouderij. Zij kunnen zich op de navolgende gronden niet verenigen met het plan.

Staldering

43.    Molenbrand en Molenakker betogen dat de stalderingsregeling in artikel 26.1 van de verordening, waaraan met de planregels toepassing is gegeven, niet noodzakelijk is met het oog op een goede ruimtelijke ordening als bedoeld in artikel 4.1 van de Wro. Artikel 26.1 van de verordening kan dan ook niet op deze bepaling in de Wro worden gebaseerd.

Daarover voeren zij aan dat een causaal verband ontbreekt tussen een planontwikkeling enerzijds en de in de stalderingsregeling vereiste sloop of herbestemming van een bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij anderzijds, omdat die sloop of herbestemming op een geheel andere locatie mag plaatsvinden dan de planontwikkeling. Zij stellen dat het op grond van artikel 107, lid 1.6, sub i, onder 1, van de planregels om het stalderingsgebied Overloon-Oss gaat en dat er daarom geen relatie bestaat tussen het plangebied en in het bijzonder de bedrijven van Molenbrand en Molenakker en een locatie in het stalderingsgebied. Volgens Molenbrand en Molenakker is ook de noodzaak van de stalderingsregeling niet onderbouwd.

43.1.    Waar Molenbrand en Molenakker stellen dat artikel 26.1 van de verordening, waaraan met artikel 107, lid 1.6, sub i, van de planregels toepassing is gegeven, niet op artikel 4.1, eerste lid, van de Wro kan worden gebaseerd en daardoor onverbindend is, verwijst de Afdeling naar wat zij hierover heeft overwogen onder 7.1 tot en met 7.5 van haar uitspraak van 7 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3609. Daarbij tekent de Afdeling aan dat het plangebied deel uitmaakt van het stalderingsgebied Overloon-Oss. Voor wat over de noodzaak is aangevoerd verwijst de Afdeling naar wat daarover is overwogen onder 7.6 van die uitspraak. De betogen van Molenbrand en Molenakker geven gelet op het voorgaande geen grond voor het oordeel dat artikel 26.1 van de verordening niet kan worden gebaseerd op artikel 4.1 van de Wro en daardoor onverbindend is. Ook falen de betogen van Molenbrand en Molenakker dat de noodzaak van staldering niet onderbouwd is.

Natura 2000-gebieden

44.    Waar Molenbrand en Molenakker zich keren tegen de regeling in artikel 107, lid 1.2, van de planregels, verwijst de Afdeling naar wat zij hierover overweegt onder 12.6 en 18.1 naar aanleiding van het beroep van BMF. Hoewel met dat oordeel Molenbrand en Molenakker inhoudelijk niet krijgen wat zij willen bereiken met hun beroep, is de juridische conclusie dat hun betoog slaagt.

45.    Waar Molenbrand en Molenakker zich keren tegen de regeling die is opgenomen in artikel 107, lid 1.3, onder a, van de planregels, verwijst de Afdeling naar wat zij hierover overweegt onder 25.3 naar aanleiding van het beroep van [appellante sub 5]. Waar Molenbrand en Molenakker in dit verband betogen dat de locaties Molenbrand 5 en 9 en Molenakker 5 ten onrechte niet in bijlage 13 bij het bestemmingsplan zijn opgenomen, overweegt de Afdeling dat deze bijlage betrekking heeft op bedrijven met nog niet benutte, maar wel verleende vergunningen voor de bouw en het gebruik van stallen. Dat is in het geval van Molenbrand en Molenakker niet aan de orde. Het betoog faalt.

Plattelandswoningen

46.    Molenbrand en Molenakker betogen zoals ook ter zitting is toegelicht dat het plan leidt tot een beperking van de uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen, omdat dit voorziet in de aanwijzing van bedrijfswoningen als plattelandswoningen en dat gevoelige objecten zijn.

46.1.    Vast is komen te staan dat in het plan alleen de bestaande plattelandswoningen zo zijn bestemd. Ook bevat het plan geen bevoegdheid op grond waarvan nieuwe plattelandswoningen kunnen worden aangewezen. In wat Molenbrand en Molenakker hebben aangevoerd ziet de Afdeling daarom geen grond voor het oordeel dat het plan in zoverre leidt tot een beperking van de uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen. Het betoog faalt.

Bouwplan Molenbrand

47.    Molenbrand kan zich niet verenigen met de gekoppelde bouwvlakken aan de Molenbrand 5 en 9 te Boekel, omdat deze niet de voersilo’s aan de westzijde van het bouwvlak nr. 9, een deel van de stallen en luchtwassers aan de zuidzijde van het bouwvlak nr. 9 en de mogelijkheid tot het vervangen van twee schuren aan de noordzijde van het bouwvlak aan nr. 9 bevatten dan wel mogelijk maken. Zij stelt dat zij hiervoor tijdig een conceptplan heeft ingediend en dat de raad voor de vaststelling van het plan alle relevante stukken in handen had om de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan te beoordelen. Bovendien zijn hierover eerder al procedures tot bij de Afdeling gevoerd. Zij stelt dat door het inleveren van ruimte binnen de huidige bouwvlakken de vorm van de gekoppelde bouwvlakken moet worden gewijzigd om het initiatief mogelijk te maken maar niet de omvang.

47.1.    De raad heeft toegelicht dat ten behoeve van een uitbreiding van de veehouderij van Molenbrand in 2008 bouwvergunningen zijn verleend met een vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de toenmalige Wet op de Ruimtelijke Ordening. De bebouwing die daarbij is mogelijk gemaakt heeft als uitgangspunt gediend voor het vaststellen van de gekoppelde bouwvlakken aan de Molenbrand 5 en 9 van in totaal 2,19 hectare. Ook stelt de raad dat naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1402, waar Molenbrand op doelt, verhardingen aan de noordoostzijde van de stallen ten behoeve van een kavelpad zijn meegenomen en dat de gekoppelde bouwvlakken daarmee een oppervlakte van 2,28 hectare hebben gekregen.

47.2.    Vast staat dat de voersilo’s aan de westzijde van het bouwvlak nr. 9 en een deel van de stallen en de luchtwassers aan de zuidzijde van het bouwvlak nr. 9, die in afwijking van bouwvergunningen uit 2008 zijn opgericht, niet in het bouwvlak aan de Molenbrand 9 zijn ingepast. Ook biedt de noordzijde van het bouwvlak aan Molenbrand 9 niet voldoende ruimte om tot de gewenste vervanging en uitbreiding van twee bestaande schuren over te gaan.

47.3.    In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad moet bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

Als bepaalde onderzoeken of andere stukken ontbreken én de bewijslast daarbij rust op de initiatiefnemer, dan moet de gemeenteraad de initiatiefnemer daarop attenderen en meedelen wanneer de ontbrekende stukken aangeleverd moeten worden.

47.4.    Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat Molenbrand in maart 2017 een conceptplan met een voorstel over de vorm en omvang van de gekoppelde bouwvlakken heeft ingediend om te komen tot inpassing van de meergenoemde voersilo’s, een deel van de stallen, luchtwassers en de mogelijkheid tot het vervangen van twee schuren binnen het bouwvlak aan de Molenbrand 9. Ter zitting heeft de raad aangegeven dat op grond van het conceptplan van maart 2017 de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan niet kon worden vastgesteld, omdat onderzoeken ontbraken om vast te stellen of het ruimtelijke initiatief wat betreft geur aanvaardbaar is. Daarover is, aldus de raad, overleg gevoerd. De raad heeft geen termijn gesteld wanneer de ontbrekende stukken aangeleverd moesten worden. Ter zitting is komen vast te staan dat in juni 2017 door de adviseur van Molenbrand is aangekondigd dat de noodzakelijke stukken zullen worden opgesteld en overgelegd. Ook heeft de raad ter zitting bevestigd dat de noodzakelijke stukken in november 2017 zijn ingekomen bij de gemeente. Naar het oordeel van de Afdeling moet het in maart 2017 ingediende conceptplan worden aangemerkt als een initiatief van Molenbrand dat voldoende concreet en ook tijdig kenbaar is gemaakt bij de raad. Ook beschikte de raad vóór het vaststellen van het besluit van 22 februari 2018 over voldoende gegevens om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het concrete initiatief te kunnen beoordelen. Gelet hierop heeft de raad bij de vaststelling van het plan van 22 februari 2018 ten onrechte geen afweging gemaakt van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het conceptplan van maart 2017.

Conclusie

48.    In hetgeen omtrent de gronden van Molenbrand is aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 22 februari 2018, voor zover het betreft het vaststellen van de functievlakken en bouwvlakken met de bestemming "Agrarisch bedrijf-veehouderij" ter plaatse van de gronden aan de Molenbrand 5 en 9 te Boekel is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

48.1.    De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het besluit van 22 februari 2018 binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 47.4 te beoordelen of het in maart 2017 ingediende conceptplan met de in november 2017 overgelegde stukken ruimtelijk aanvaardbaar is en kan worden ingepast in het plan en dient zo nodig het besluit van 22 februari 2018 te wijzigen door vaststelling van een passende planregeling voor de percelen Molenbrand 5 en 9 te Boekel.

De raad behoeft geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb. Dit betekent dat niet eerst een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage hoeft te worden gelegd.

48.2.    Voor Molenbrand en Molenakker zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten.

Het beroep van [appellante sub 10]

Het besluit van 4 april 2019

49.    Het beroep van [appellante sub 10] is gericht tegen het plan voor het perceel [locatie 9] te Venhorst. [appellante sub 10] betoogt dat aan zijn gronden aan de [locatie 9] te Venhorst waar hij een bloemteeltkwekerij in kassen exploiteert ten onrechte de bestemming "Agrarisch bedrijf-(vollegronds)teeltbedrijf" met de aanduiding "Bouwen-ondersteunende kassen 1" is toegekend en niet een glastuinbouwbestemming. Hij stelt dat de toegekende bestemming niet in overeenstemming is met het bestaande en rechtens toegestane gebruik van de gronden voor een bloemteeltkwekerij in kassen. Op grond van de definitie van een agrarisch bedrijf-(vollegronds)teeltbedrijf moet het gaan om een bedrijf dat zich richt op het telen van gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt. [appellante sub 10] stelt dat dat in zijn geval niet aan de orde is omdat zijn bedrijf vrijwel uitsluitend uit kassen bestaat. Het gebruik van zijn gronden sluit dan ook aan bij de definitie van een glastuinbouwbedrijf. Daarnaast betoogt [appellante sub 10] dat de toegekende aanduiding die ter plaatse teeltondersteunende kassen met een oppervlakte tot 9.000 m2 mogelijk maakt zich niet verdraagt met de verordening omdat die bij (vollegronds) teeltbedrijven maximaal een oppervlak van 5.000 m2 kassen toestaat.

Ten slotte betoogt [appellante sub 10] dat de mogelijkheid van uitbreiding van hoge teeltondersteunende voorzieningen (hierna: hoge tov’s) zoals kassen ten onrechte niet in het plan is opgenomen. [appellante sub 10] wijst op een op 8 maart 2019 ingediend verzoek om tot een uitbreiding van de oppervlakte aan kassen tot 1,8 hectare te komen.

49.1.    De raad stelt dat een glastuinbouwbestemming niet mogelijk is omdat deze bestemming in het plan wordt gebruikt voor bedrijven die zijn gelegen in gebieden die in de verordening zijn aangewezen als doorgroeigebied voor glastuinbouw en kunnen uitbreiden tot 10 hectare. Dit bedrijf ligt niet in zo’n gebied. De raad heeft er voor gekozen om in het plan de glastuinbouwbedrijven te begrenzen tot de bestaande en vergunde omvang. De raad wenst mede op grond van de ruimtelijke uitstraling en ruimtelijke effecten van hoge tov’s en het terughoudende beleid van de provincie op dit punt in het plan niet de mogelijkheid op te nemen om hoge tov’s uit te breiden. De raad heeft er ten overvloede op gewezen dat hij in het verlengde van het bestemmingsplan bij het delegatiebesluit heeft besloten om voor bepaalde ontwikkelingen zoals het uitbreiden van hoge tov’s de bevoegdheid tot het herzien van het plan te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders.

49.2.    Aan de gronden aan de [locatie 9] is de bestemming "Agrarisch bedrijf-(vollegronds)teeltbedrijf" en de aanduiding "Bouwen-ondersteunende kassen 1" toegekend. Ingevolge artikel 82, onder b, van de planregels zijn op deze gronden teeltondersteunende kassen toegestaan tot 9.000 m2.

49.3.    De raad heeft zich ter zitting voor de toegekende bestemming en aanduiding, ook in het licht van wat [appellante sub 10] over de verordening naar voren heeft gebracht, op een ander standpunt gesteld dan hij in het besluit van 4 april 2019 heeft gedaan namelijk dat de toegekende bestemming en de aanduiding bij een glasomvang met een oppervlakte van 9000 m2 niet passend is. De raad stelt dat een bestemming voor een glastuinbouwbedrijf moet worden toegekend en acht dat ook plantechnisch mogelijk door in het plan een onderscheid aan te brengen tussen glastuinbouwbedrijven die in een doorgroeigebied voor glastuinbouw liggen en die daarin niet liggen. Omdat niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden daarvoor aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit voor zover een dergelijke regeling ontbreekt niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

49.4.    De Afdeling stelt vast dat er geen concreet initiatief van [appellante sub 10] ligt dat op een tijdig moment in de planprocedure bij het gemeentebestuur kenbaar is gemaakt waarmee de raad bij zijn besluitvorming rekening moest houden. Het verzoek van [appellante sub 10] van maart 2019 is niet tijdig kenbaar gemaakt bij de raad. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad onder de omstandigheden die hij heeft geschetst de keuze kunnen maken om in het plan geen uitbreidingsmogelijkheden voor hoge tov’s op te nemen. Het betoog faalt.

Overigens is voor bedrijven die in gebieden liggen met de bestemming "Agrarisch landschap" zoals het perceel van [appellante sub 10] in artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder b, van het delegatiebesluit bepaald dat functieverandering mogelijk is voor de aanleg of uitbreiding van hoge tov’s. In dat geval is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om een herziening vast te stellen. De raad heeft ter zitting toegelicht dat er aan de hand van een concreet initiatief langs deze weg mogelijkheden zijn voor het uitbreiden van hoge tov’s.

Conclusie

50.    In hetgeen [appellante sub 10] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 4 april 2019, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch bedrijf-(vollegronds)teeltbedrijf" en de aanduiding "Bouwen-ondersteunende kassen 1" ter plaatse van de gronden aan de [locatie 9], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

50.1.    De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het besluit van 4 april 2019 binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen onder 49.3 is overwogen het besluit van 4 april 2019 te wijzigen door vaststelling van een passende bestemming aan de gronden aan de [locatie 9] te Venhorst.

De raad behoeft geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb. Dit betekent dat niet eerst een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage hoeft te worden gelegd.

50.2.    Voor [appellante sub 10] zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten.

Het beroep van [appellante sub 12] en anderen

Het besluit van 22 februari 2018

51.    [appellante sub 12] en anderen betogen dat er door het meervoudig bestemmen van de gronden aan [locatie 10] te Boekel een onwerkbaar, onoverzichtelijk en rechtsonzeker plan ontstaat. Ook betogen zij dat aan deze gronden ten onrechte de bestemming "Groen" is toegekend. Zij stellen dat de bestemming "Landschapselement" in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2005" een omissie was die niet in overeenstemming was met het feitelijke gebruik. De gronden worden weliswaar nu gebruikt als fruitboomgaard en het plan maakt dit gebruik met de toegekende bestemming "Agrarisch gebruik" mogelijk, maar zij wensen in de toekomst ook de mogelijkheid te behouden om de akkerbouwactiviteiten weer te kunnen hervatten en dat maakt het plan niet mogelijk.

Daarnaast betogen [appellante sub 12] en anderen dat een onjuiste bestemming is toegekend aan de gronden die zij van de gemeente hebben verkregen ter compensatie van gronden die zij hebben moeten afstaan (hierna: de compensatiegronden). Aan deze gronden is onder meer de bestemming "Beekdal- en broekontginningenlandschap" toegekend. Nu deze gronden naast de gronden aan [locatie 10] liggen wenst [appellante sub 12] dat ook hier een fruitboomgaard en akkerbouw mogelijk worden gemaakt.

Ten slotte betogen [appellante sub 12] en anderen dat in de planregels is bepaald dat de aanleg van nieuwe fruitboomgaarden uitsluitend is toegestaan indien een minimale afstand van 50 meter vanaf de fruitbomen tot de functie wonen wordt aangehouden. Zij zijn het er niet mee eens dat de last alleen bij de bedrijven wordt neergelegd en dat er geen gelijkluidende voorwaarde wordt gesteld als het gaat om het bouwen of uitbreiden van woningen. In artikel 64, lid 64.1, onder c, van de planregels is bepaald dat vergroting van de oppervlakte in gebruik voor "Wonen" tot een oppervlakte van maximaal 1500 m2 is toegestaan, maar in de beoordelingsregels in artikel 64, lid 64.2, van de planregels is vervolgens niet de afstandseis van 50 meter genoemd.

51.1.    De raad stelt dat met het vaststellen en goedkeuren van het bestemmingsplan "Buitengebied 2005" aan de gronden de bestemming "Landschapselement" is toegekend. Deze bestemming is voortgezet met het toekennen van de bestemming "Groen" omdat niet is gebleken dat dit gebruik is beëindigd. Ook liggen de gronden in een gebied met de bestemming "Woonwerklandschap met buurtschappen" die agrarisch grondgebruik mogelijk maakt en is met de bestemming "Agrarisch gebruik" het gebruik als fruitboomgaard mogelijk gemaakt.

Wat de compensatiegronden betreft stelt de raad dat met de bestemming "Woonwerklandschap met buurtschappen" agrarisch grondgebruik is toegestaan.

Over de spuitzone stelt de raad dat met de beoordelingsregels in artikel 64, lid 64.2, onder k, van de planregels voldoende is geborgd dat de spuitzone van 50 meter ook in het geval van het bouwen of uitbreiden van woningen geldt.

51.2.    Aan de gronden aan het Goor 4 zijn onder meer de bestemmingen "Woonwerklandschap met buurtschappen", "Groen" en "Agrarisch gebruik" toegekend. Aan de compensatiegronden zijn de bestemmingen "Woonwerklandschap met buurtschappen" en "Beekdal- en broekontginningenlandschap" toegekend.

51.3.    De toegepaste plantechniek op grond van artikel 7c van het Besluit uitvoering Chw leidt tot een plan met meer "lagen", wat begrijpelijkerwijs bij eerste beschouwing vraagtekens oproept wat er nu precies mogelijk wordt gemaakt. Dat er verschillende bestemmingen aan de gronden zijn toegekend, betekent niet dat de regeling voor de gronden rechtsonzeker is. Via de verbeelding kunnen alle geldende bestemmingen worden geraadpleegd die voor de gronden gelden. Ook is op de verbeelding zichtbaar welke regels voor welke gronden gelden. Het betoog faalt.

51.4.    Niet in geschil is dat het bestaande gebruik van de gronden aan [locatie 10] te Boekel als fruitboomgaard kan worden voortgezet. Over het betoog dat een agrarische bestemming had moeten worden toegekend die in de toekomst ook akkerbouw mogelijk maakt, overweegt de Afdeling als volgt. Op grond van artikel 1, lid 1.2.1, onder c, van de planregels is agrarisch grondgebruik toegestaan. Daaronder is ook akkerbouw begrepen. Dat akkerbouw niet is opgesomd in het artikel betekent niet dat akkerbouw daarmee niet mogelijk is. Het gaat niet om een limitatieve opsomming.

De raad heeft ter zitting ook erkend dat akkerbouw op grond van artikel 1, lid 1.2.1, onder c, van de planregels mogelijk is. Het betoog faalt.

51.5.    Over de compensatiegronden stelt de Afdeling vast dat gelet op artikel 1, lid 1.2.1, onder c, van de planregels het realiseren van een fruitboomgaard mogelijk is zo lang een minimale afstand van 50 meter vanaf de fruitbomen tot de functie wonen wordt aangehouden. Niet in geschil is dat aan deze afstand wordt voldaan. Op grond van artikel 1, lid 1.2.1, onder c, van de planregels is ook hier agrarisch grondgebruik zoals akkerbouw toegestaan. Het betoog faalt.

51.6.    Over het betoog dat betrekking heeft op de spuitzone overweegt de Afdeling als volgt. In de beoordelingsregels die zijn opgenomen in artikel 64, lid 64.2, van de planregels is niet opgenomen dat de vergroting van de oppervlakte in gebruik voor wonen tot een oppervlakte van maximaal 1500 m2 uitsluitend is toegestaan indien een minimale afstand van 50 meter tot een fruitboomgaard wordt aangehouden vanaf de functie wonen tot de fruitbomen. De raad heeft dit wel beoogd te regelen in artikel 64, lid 64.2, onder k, van de planregels. De Afdeling acht het niet duidelijk of de open norm in artikel 64, lid 64.2, onder k, van de planregels dat het initiatief niet leidt tot onaanvaardbare negatieve gezondheidseffecten zo zal worden ingevuld dat een minimale afstand van 50 meter in acht moet worden genomen tussen de functie wonen en fruitbomen behorende bij een fruitboomgaard. De beoordelingsregels moeten op dit punt dan ook worden aangevuld. Het betoog slaagt.

Conclusie

52.    In hetgeen [appellante sub 12] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 22 februari 2018, voor zover het betreft het niet opnemen in artikel 64, lid 64.2, onder k, van de planregels van een minimale in acht te nemen afstand van 50 meter tussen de functie wonen en fruitbomen behorende bij een fruitboomgaard, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

52.1.    De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het besluit van 22 februari 2018 binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen onder 49.6 is overwogen het besluit van 22 februari 2018 te wijzigen, door vaststelling van een passende regeling in artikel 64, lid 64.2, onder k, van de planregels.

De raad behoeft geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb. Dit betekent dat niet eerst een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage hoeft te worden gelegd.

52.2.    Voor [appellante sub 12] en anderen zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten.

Het beroep van [appellante sub 13]

Het besluit van 22 februari 2018

53.    [appellante sub 13], die een bedrijf exploiteert aan de [locatie 11] te Venhorst, betoogt dat ten onrechte zonder onderzoek en belangenafweging het bouwvlak aan de [locatie 11] is verkleind van 3,6 hectare naar 2,7 hectare. Zij stelt dat dit leidt tot waardevermindering van de gronden en dat dit onnodig beperkend is voor haar toekomstige bedrijfsvoering.

[appellante sub 13] betoogt dat het helofytenfilter op de gronden ten dienste staat van het bedrijf en niet zozeer van het agrarisch landschap. Zij stelt dat om die reden dit filter binnen het vlak met de bestemming "Agrarisch technisch hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven" moet worden opgenomen.

[appellante sub 13] betoogt dat op haar gronden ten onrechte alleen een varkenstransportbedrijf mogelijk is gemaakt. Zij stelt dat dit de bedrijfsvoering beperkt. Ook wordt hiermee flexibiliteit uit het plan gehaald waardoor voor zelfs relatief ondergeschikte wijzigingen een afwijking moet worden aangevraagd. Dit acht zij ongewenst.

53.1.    De raad stelt dat onbebouwde delen van de gronden aan de achterzijde van het bedrijf buiten het bouwvlak zijn gehouden. De toegestane oppervlakte is niet kleiner dan onder het voorgaande bestemmingsplan kon worden bebouwd, omdat het college van gedeputeerde staten aan een deel van de oppervlakte van het bouwvlak goedkeuring heeft onthouden en daartegen geen beroep is ingesteld. Daar waar de gronden niet zijn bebouwd en op grond van het voorgaande bestemmingsplan geen bouwruimte meer is, is aan de gronden de bestemming "Agrarisch landschap" toegekend. Daarbij komt dat de vorige eigenaar - ook nog eigenaar ten tijde van het vaststellen van het plan - nooit een concreet verzoek tot uitbreiding van het bouwvlak heeft voorgelegd, aldus de raad.

Over het helofytenfilter stelt de raad dat dit weliswaar ten dienste staat van het bedrijf maar ook ten dienste van andere voorzieningen zoals teeltondersteunende voorzieningen. Er is geen noodzaak om de voorziening in het bouw- en functievlak met de bestemming "Agrarisch technisch hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven" op te nemen en dit vlak te vergroten. De raad wenst hier niet aan mee te werken omdat ter plaatse van het helofytenfilter nieuwe vervangende en ongewenste voorzieningen kunnen ontstaan die zijn toegestaan binnen het bouwvlak en functievlak met de bestemming "Agrarisch technisch hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven".

De raad wenst niet mee te werken aan ruimere mogelijkheden dan het bestaande gebruik als varkenstransportbedrijf. Het gaat al om een bedrijf dat groter is dan normaal toelaatbaar en voorkomen moet worden dat ter plaatse andere, meer onwenselijke, functies ontstaan, aldus de raad.

53.2.    Aan de gronden van [appellante sub 13] aan de [locatie 11] is overwegend de bestemming "Agrarisch technisch hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven" toegekend. Ter plaatse van het helofytenfilter geldt de bestemming "Agrarisch landschap".

53.3.    De eigendom van de gronden aan de [locatie 11] is inmiddels, na het vaststellen van het besluit van 22 februari 2018, overgedragen door Animo Agribusiness aan [appellante sub 13]. Het bouw- en functievlak met de bestemming "Agrarisch technisch hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven" dat rust op de gronden aan de [locatie 11] heeft een omvang van 2,7 hectare. Aan het plan ligt het uitgangspunt van zuinig ruimtegebruik ten grondslag. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in dat kader in redelijkheid een bouwvlak kunnen vaststellen dat strak rond de bestaande en vergunde bebouwing is gesitueerd en dat gelet op een onthouding van goedkeuring door het college van gedeputeerde staten ook al op grond van het voorgaande bestemmingsplan gold. Er lagen geen concrete initiatieven van de vorige of huidige eigenaar voor waarmee de raad bij zijn besluitvorming rekening moest houden. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de gronden aan de [locatie 11] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Het betoog faalt.

53.4.    Op grond van artikel 3, lid 3.2, van de planregels is een helofytenfilter toegestaan op gronden met de bestemming "Agrarisch landschap". De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat om te voorkomen dat ter plaatse van het helofytenfilter nieuwe (vervangende) en ongewenste voorzieningen kunnen ontstaan het bouwvlak en functievlak met de bestemming "Bedrijf- agrarisch technisch of agrarisch verwant bedrijf" niet diende te worden uitgebreid tot deze gronden. Het betoog faalt.

53.5.    Op grond van de tabel behorende bij artikel 12 van de planregels is op het adres [locatie 11] als toelaatbare bedrijfsactiviteit een Varkensstransportbedrijf opgenomen. Dit is het onder het voorgaande plan bestaande en toegestane gebruik. De raad wenst dat dat gebruik wordt voortgezet; nieuwe ontwikkelingen zijn gelet op het uitgangspunt van zuinig ruimtegebruik niet wenselijk. Er lagen geen concrete initiatieven van de vorige of huidige eigenaar voor waarmee de raad bij zijn besluitvorming rekening moest houden. Bovendien is bij de voorbereiding van het plan nadrukkelijk gevraagd om behoud van het varkenstransportbedrijf. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen aanleiding bestond om ten tijde van het vaststellen van het plan een ruimer gebruik toe te staan. Het betoog faalt.

Conclusie

54.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 13] tegen het besluit van 22 februari 2018 ongegrond.

54.1.    Voor [appellante sub 13] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Het beroep van de Gasunie

Het besluit van 4 april 2019

Intrekking

55.    De Gasunie heeft de beroepsgrond over de rangorde van de dubbelbestemming "Leiding-Gas" ter bescherming van gastransportleidingen en andere aan de gronden toegekende bestemmingen ingetrokken.

Overige beroepsgronden

55.1.    Over de betogen van de Gasunie gericht tegen de regels in het bestemmingsplan "Omgevingsplan Buitengebied 2016" over de voorwaarden en indieningsvereisten in geval van functieverandering met melding in het beekdal met aangrenzend open gebied en in het agrarische landschap en op het afwijken van bouwregels in open gebied, stelt de Afdeling vast dat de raad de artikelen 64, lid 64.2, onder g en h, en 66, lid 66.2, onder g en h, en artikel 75, onder f, onder ak, van de planregels (oorspronkelijk: de artikelen 63, lid 63.2, 65, lid 65.2 en 74, onder f, onder kk) heeft gewijzigd.

55.2.    Over het betoog van de Gasunie dat ten onrechte in artikel 63, lid 63.2 en 65, lid 65.2 van de planregels bij het bestemmingsplan "Omgevingsplan Buitengebied 2016" een regeling voor beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten in de regels voor functieverandering met melding ontbreekt, stelt de Afdeling vast dat de raad deze planregels heeft gewijzigd en dat in de "Reparatieherziening Buitengebied 2016" in de hernummerde artikelen 64, lid 64.2, onder g en h, en 66, lid 66.2, onder g en h, een regeling voor beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten voor functieverandering met melding is opgenomen.

Over het betoog van de Gasunie dat in artikel 74, onder f, onder kk, van de planregels bij het bestemmingsplan "Omgevingsplan Buitengebied 2016" ten onrechte niet de zinsnede "de grootste waarde van ofwel de bladworpafstand bij nominaal toerental ofwel de afstand gelijk aan" is opgenomen, stelt de Afdeling vast dat de raad deze planregel heeft gewijzigd en dat in het hernummerde artikel 75, onder f, onder ak, dat is vastgesteld bij het besluit van 4 april 2019 deze zinsnede is toegevoegd.

Op deze punten is dan ook geen beroep van rechtswege ontstaan.

55.3.    De Gasunie betoogt dat ten onrechte niet de aanduiding "veiligheidszone- bedrijven" rondom het aanwezige gasdrukmeet- en regelstation is opgenomen. Via de planregels bestaat de mogelijkheid in dit gebied de bestemming zo te veranderen dat er beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten binnen de wettelijke veiligheidsafstanden gerealiseerd kunnen worden.

55.4.    De Afdeling stelt vast dat in de artikelen 64 en 65 van de planregels voor zover bestreden en van belang functieveranderingen mogelijk zijn gemaakt op gronden met de bestemmingen "Wonen" of "Agrarisch bedrijf". Het in het plangebied gelegen gasdrukmeet- en regelstation is gesitueerd aan de Erpseweg 22 te Boekel. De dichtstbijzijnde bestemming "Agrarisch bedrijf" ligt op ongeveer 275 meter en de dichtstbijzijnde bestemming "Wonen" op meer dan 300 meter van het gasdrukmeet- en regelstation. Ook de andere vermelde bestemmingen bevinden zich niet in de omgeving. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen noodzaak is om een veiligheidszone van 15 meter op te nemen voor de betreffende gronden. Het betoog faalt.

Conclusie

56.    Gelet op het voorgaande is het beroep van de Gasunie tegen het besluit van 4 april 2019 ongegrond.

Het besluit van 22 februari 2018

57.    Omdat blijkens wat hiervoor is overwogen het beroep van de Gasunie tegen het besluit van 4 april 2019 niet leidt tot een vernietiging van dat besluit, wordt dat besluit voor zover het gaat om de door haar bestreden plandelen onherroepelijk. Hieruit volgt dat aan het besluit van 22 februari 2018 in zoverre geen betekenis meer toekomt. Onder deze omstandigheden en nu niet is gebleken van enig belang bij een beoordeling van het beroep tegen het besluit van 22 februari 2018 ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat [appellante sub 13] geen procesbelang meer heeft. In verband hiermee moet haar beroep tegen het besluit van 22 februari 2018 niet-ontvankelijk worden verklaard.

57.1.    Voor de Gasunie bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Het beroep van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant

Het besluit van 4 april 2019

58.    Het beroep van het college van gedeputeerde staten is gericht tegen het opnemen van de zinsnede ‘alsmede de mest die op een andere productielocatie van hetzelfde bedrijf is geproduceerd’ die is opgenomen in artikel 6, lid 6.2, aanhef en onder a, van de planregels. De raad heeft bij het besluit van 4 april 2019 in artikel 6, lid 6.2, aanhef en onder a, van de planregels die zinsnede geschrapt en is hiermee tegemoet gekomen aan het beroep. Tegen het besluit van 4 april 2019 is dan ook geen beroep van rechtswege van het college van gedeputeerde staten ontstaan.

Het besluit van 22 februari 2018

58.1.    Onder deze omstandigheid en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten geen belang meer heeft bij een inhoudelijke bespreking van zijn beroep tegen het besluit van 22 februari 2018. In verband hiermee moet zijn beroep tegen het besluit van 22 februari 2018 niet-ontvankelijk worden verklaard.

58.2.    Van proceskosten van het college van gedeputeerde staten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

Het besluit van 22 februari 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Omgevingsplan Buitengebied 2016"

Einduitspraak

I.    verklaart de beroepen van Brabantse Milieufederatie, voor zover gericht tegen artikel 122 van de planregels, Bomenstichting, Gasunie Transport Services B.V. en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van Brabantse Milieufederatie, voor zover ontvankelijk, gegrond;

III.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Boekel van 22 februari 2018, voor zover het betreft artikel 107, lid 1.2, van de planregels;

IV.    verklaart de beroepen van [appellante sub 3], [appellante sub 5] en [appellante sub 13] ongegrond;

V.    veroordeelt de raad van de gemeente Boekel tot vergoeding van bij Brabantse Milieufederatie in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 39,90 (zegge: negenendertig euro en negentig cent);

VI.    gelast dat de raad van de gemeente Boekel aan Brabantse Milieufederatie het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 338,00 (zegge: driehonderdachtëndertig euro) vergoedt;

Tussenuitspraak

VII.    draagt de raad van de gemeente Boekel naar aanleiding van de beroepen van [appellante sub 4], [appellant sub 6], [appellant sub 7] en anderen, Stichting Geestelijke Gezondheidszorg Oost-Brabant, [appellante sub 9] en anderen, Molenbrand C.V. en Molenakker C.V., [appellante sub 10] en [appellante sub 12] en anderen op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak:

- de onder 22.1, 27.1, 30.1, 37.1, 41.1, 48.1, 50.1, 52.1 genoemde gebreken te herstellen met inachtneming van hetgeen over die gebreken in deze uitspraak is overwogen, en

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mee te delen en het gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen;

Het besluit van 4 april 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Reparatieherziening Buitengebied 2016"

Einduitspraak

VIII.    verklaart de beroepen van Brabantse Milieufederatie, Bomenstichting en Gasunie Transport Services B.V. ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.J.M. Schoonbrood, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Schoonbrood

Voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2019

224-694.

 

BIJLAGE

 

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:69a

De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Wet natuurbescherming

Artikel 1.1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder houtopstand:

zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die:

a. een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of

b. bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen.

Artikel 2.7

1. Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8, […]

2. Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.

Artikel 2.8

1. Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.

2. In afwijking van het eerste lid hoeft geen passende beoordeling te worden gemaakt, ingeval het plan of het project een herhaling of voortzetting is van een ander plan, onderscheidenlijk project, of deel uitmaakt van een ander plan, voor zover voor dat andere plan of project een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project.

3. Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Artikel 4.2

1. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten.

2. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen over de melding, bedoeld in het eerste lid. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op:

a. de gegevens die bij de melding worden verstrekt,

b. de termijn waarbinnen de melding wordt gedaan, en

c. de wijze waarop de melding wordt gedaan.

3. Gedeputeerde staten kunnen het vellen van houtopstanden telkens voor ten hoogste vijf jaar verbieden ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.

Verordening ruimte Noord-Brabant

Artikel 2 Werking van deze verordening

[…]

3. Waar in deze verordening gesproken wordt over een bestaand bouwperceel, bestaande bebouwing, een bestaande planologische gebruiksactiviteit of een bestaande omvang, wordt daaronder verstaan:

[…]

b. datgene waarvan vaststaat dat handhaving wegens strijdigheid met het geldende bestemmingsplan niet meer mogelijk is.

[…]

4. In geval meerdere bepalingen van deze verordening gelijktijdig van toepassing zijn op een aangeduid gebied of in het geval dat er meerdere bepalingen van toepassing zijn binnen één bouwperceel, geldt de meest beperkende bepaling tenzij in deze verordening uitdrukkelijk anders is bepaald.

Artikel 5.1 Bescherming Natuur Netwerk Brabant

1. Een bestemmingsplan gelegen in het Natuur Netwerk Brabant:

a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden;

b. stelt regels ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en houdt daarbij rekening met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken;

c. bepaalt dat zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, de bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteiten zijn toegelaten.

[…].

Artikel 7.10 Niet-agrarische functies

1. Een bestemmingsplan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied kan voorzien in een vestiging van een niet-agrarische functie, anders dan bepaald in de artikelen 7.7 tot en met 7.9, mits:

[…]

e. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot twee of meer zelfstandige bedrijven;

[…].

Artikel 9.1 Integratie stad - land

1. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, onder a (verbod op nieuwvestiging) en artikel 4.2 (stedelijke ontwikkeling) kan een bestemmingsplan, ter plaatse van de aanduiding ‘Integratie stad-land’ voorzien in een stedelijke ontwikkeling mits:

a. deze in samenhang en evenredigheid geschiedt met een groene en blauwe landschapsontwikkeling binnen de aanduiding ‘Integratie stad-land’ of de naaste omgeving;

b. deze geen betrekking heeft op een te ontwikkelen of een uit te breiden middelzwaar- en zwaar bedrijventerrein.

2. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid strekt ertoe dat:

a. de stedelijke ontwikkeling aansluit bij het bestaand stedelijk gebied of plaatsvindt in een nieuw cluster van stedelijke bebouwing;

[…]

3. Voor zover een bestemmingsplan voorziet in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, is artikel 2, vierde lid (zwaarste regime geldt) niet van toepassing en heeft het tweede lid, onder b, voorrang op de beschermingsregels die elders in deze verordening zijn opgenomen, behoudens in geval dat artikel 5 (NNB) van toepassing is.

Voorschriften bij het bestemmingsplan "Buitengebied 2005"

Artikel 13 Niet-agrarisch bedrijf

13.1.1 Doeleinden van de bestemming

De als zodanig op plankaart 2 aangegeven gronden zijn bestemd voor

niet-agrarische bedrijven, conform de Staat van niet-agrarische bedrijven (13.1.2)

[…]

13.1.2 Staat van niet-agrarische bedrijven

Op de gronden op plankaart 2 aangegeven als "Niet-agrarisch bedrijf" zijn overeenkomstig de aanduiding uitsluitend toegestaan de bedrijven genoemd in de volgende Staat van niet-agrarische bedrijven, waarin voor Runstraat 13 ‘Electro-detailhandel’ met een maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen van 1.450 m² is vermeld.

Planregels bij het bestemmingsplan "Omgevingsplan Buitengebied 2016"

Artikel 1 Woonwerklandschap met buurtschappen

1.2 Toelaatbaar gebruik

1.2.1 Huidige en rechtstreeks toelaatbare gebruik

In het woonwerklandshap zijn toegestaan:

a. (…)

b. (…)

c. agrarisch grondgebruik waaronder in ieder geval ook wordt verstaan:

1. lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen met dien verstande dat deze voorzieningen niet zijn toegestaan op de gronden met de functie Groen; 2. hobbymatig agrarisch grondgebruik, dierenweide;

3. beweiding door manegepaarden;

4. met dien verstande dat de aanleg van nieuwe fruitboomgaarden uitsluitend is toegestaan indien een minimale afstand van 50 meter vanaf de fruitbomen tot de functie Wonen wordt aangehouden.

(…)

Artikel 3 Agrarisch landschap

3.2 Toelaatbaar gebruik

Huidige en rechtstreeks toelaatbare gebruik

In het agrarisch landschap zijn toegestaan:

a. (…)

b. het bestaande en toelaatbare gebruik zoals aangeduid op de verbeelding en in dit plan, met bijbehorende voorzieningen zoals groen, natuurlijke waterzuivering en nutsvoorzieningen.

(…)

Artikel 6 Agrarisch bedrijf - veehouderij

6.1 Toelaatbaar gebruik

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

a. veehouderijen bij wijze van hoofd- of nevengebruik;

b. alsmede (vollegronds)teeltbedrijf of overig agrarisch bedrijf;

c. en/of bestaande paardenhouderij dan bestaande paardrijactiviteiten bij wijze van nevenactiviteit;

d. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering tenzij in het plan anders is aangeduid;

e. met bijbehorende voorzieningen zoals groen, water, nutsvoorzieningen en toegangswegen.

Artikel 10 Bedrijf

10.1 Toelaatbaar gebruik

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

a. bedrijf overeenkomstig categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;

b. ondergeschikte detailhandel;

c. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering tenzij in het plan anders is aangeduid;

[…]

10.2 Specifieke regels voor gebruik

Voor het in lid 10.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

[…]

c. buitenopslag is niet toegestaan met uitzondering van opslag die naar de aard van het product buiten opgeslagen moet worden en/of de opslag van producten waarvan uit oogpunt van redelijkheid geen binnenopslag verlangd kan worden.

Artikel 12 Bedrijf agrarisch-technisch of agrarisch verwant bedrijf

12.1 Toelaatbaar gebruik

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

a. agrarisch technische hulpbedrijven of agrarisch verwante bedrijven overeenkomstig de categorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, zoals in de onderstaande tabel aangegeven:

(…)

Adres: [locatie 11], toelaatbare bedrijfsactiviteit: Varkensstransportbedrijf, maximale milieucategorie: 3.2.

b. ondergeschikte detailhandel;

c. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering tenzij in het plan anders is aangeduid;

d. met bijbehorende voorzieningen zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en toegangswegen.

Artikel 16 Detailhandel en electro-technisch bedrijf

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

a. detailhandelsbedrijf ten behoeve van en in combinatie met een electro-technisch bedrijf.

Artikel 19 Gezondheidszorg

19.1 Toelaatbaar gebruik

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

a. instelling voor gezondheidszorg met bijbehorende functies zoals verpleeg- en woonfunctie, medische- en therapeutische functies, administratieve en algemeen ondersteunende functies;

[…].

Artikel 22 Agrarisch gebruik

22.1 Toelaatbaar gebruik

Op deze locatie is tevens agrarisch gebruik van de fruitboomgaard toegestaan.

Artikel 32 Motorcrossterrein

32.1 Toelaatbaar gebruik

Op deze locatie is tevens het gebruik van gronden als motorcrossterrein toegestaan.

Artikel 45 Verblijfsrecreatie

45.1 Toelaatbaar gebruik

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

a. verblijfsrecreatie op de wijze en in de omvang zoals aangegeven in de bijbehorende tabel, waarbij op het adres [locatie 6] een groepsaccomodatie van maximaal 300 m² is toegestaan.

Artikel 64 Functieverandering met afwijking in beekdal met aangrenzend open agrarisch gebied

64.2 Beoordelingsregels afwijking

Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels:

(…)

beoordelingsregels bij woonfuncties:

j. (…)

k. een aanvaardbaar en gezond woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd waarbij in ieder geval gemotiveerd wordt:

1. dat het initiatief niet leidt tot onaanvaardbare negatieve gezondheidseffecten, en;

2. welke maatregelen redelijkerwijs kunnen worden gevraagd en worden genomen om negatieve gezondheidseffecten te beperken of te voorkomen.

(…)

Artikel 75 Bebouwd gebied

75.1 Toegelaten bebouwing bebouwd gebied

Ten behoeve van de toegelaten functies zijn toegestaan:

a. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarvoor de maatvoeringen gelden zoals weergegeven in regels en/of op de verbeelding;

b. voor zover de oppervlakte, dakhelling, goothoogte of bouwhoogte of de afstand ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerp van dit plan meer of minder dan bepaald onder a bedraagt geldt de bestaande oppervlakte, dakhelling, goothoogte of bouwhoogte of de afstand als maximum of minimum.

75.2 Specifieke regels voor bebouwing in bebouwd gebied

Voor de ten behoeve van de toegelaten functies toegelaten bebouwing geldt het volgende:

[…]

b. de dakhelling van gebouwen bedraagt ten minste 12˚ en ten hoogste 60˚, met dien verstande dat deze minimale en maximale dakhelling niet geldt voor:

1. functioneel en visueel ondergeschikte bouwdelen (aanbouwen of aangebouwde bijgebouwen, ondergeschikte elementen zoals luchtkanalen en luchtwassers) bij bedrijfsgebouwen,

[…].

Artikel 107 Specifieke regels voor veehouderij

1.3 Regels in verband met geur

Wijziging van het bestaande aantal dierplaatsen, bestaande diersoorten en/of stalsystemen is niet toegestaan, met dien verstande dat dit wel is toegestaan:

a. indien wijziging niet leidt tot een toename van de bestaande geuremissie;

en voorts met dien verstande dat:

b. voor de locaties genoemd in bijlage 13 Afwijkende geuremissie de genoemde dierplaatsen, diersoorten en stalsystemen als bestaande dierplaatsen, diersoorten en stalsystemen worden aangemerkt en zijn toegestaan.

1.4 Afwijking en bijbehorende beoordelingsregel

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 107.1.3 en een toename van geuremissie als gevolg van wijziging van aanwezige dierplaatsen, diersoorten en/of stalsystemen toestaan indien per saldo sprake is van een afname van het aantal geurgehinderden in de gemeente Boekel.

1.6 Afwijking en bijbehorende beoordelingsregel

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 107.1.5 onder b en een toename van de oppervlakte van dierenverblijven toestaan. Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels:

(…)

i. uitbreiding van de oppervlakte van dierverblijven van een hokdierenhouderij alleen is toegestaan indien als bewijs - uitgegeven door of namens gedeputeerde staten van Noord-Brabant - is overlegd dat:

1. binnen het stalderingsgebied Overloon-Oss een bestaand dierenverblijf van een hokdierenhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd; onder 'bestaand dierenverblijf' wordt in dit geval verstaan een feitelijk aanwezig, legaal opgericht dierenverblijf dat op grond van een omgevingsvergunning milieu (ex artikel 2.1.1.e Wabo) of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets (ex artikel 2.1.i Wabo) of melding (ex artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer) op 17 maart 2017 en de daaraan voorafgaande drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig is gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren;

2. de oppervlakte van de sanering onder 1 tenminste 110 % bedraagt van de oppervlakte die in gebruik wordt genomen;

3. de sanering zoals bedoeld onder 1 plaatsvindt in directe samenhang met het oprichten en in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling.

1.7 Regels in verband met mest

Voor het gebruik van de gronden geldt voorts nog het volgende:

a. het is verboden mest te bewerken met uitzondering van de bewerking van de ter plaatse geproduceerde mest waarbij voorts nog geldt:

1. mestbewerking is uitsluitend inpandig toegestaan;

[…].

1.8 Regels voor mobiele mestinstallaties

Het is verboden mobiele mestinstallaties te gebruiken zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders. Hierbij gelden de volgende voorwaarden en indieningsvereisten:

a. het gebruik blijft beperkt tot de functievlakken "Agrarisch bedrijf - veehouderij";

b. de startdatum wordt gemeld;

c. de melding wordt uiterlijk twee dagen voor de start van de mestafscheiding gedaan;

d. buitenopslag van dikke fractie is tot ten hoogste drie dagen na de start van de mestafscheiding toegestaan.

Planregels bij het bestemmingsplan "Reparatieherziening Buitengebied 2016"

Artikel 6 Agrarisch bedrijf - veehouderij

6.2 Specifieke regels voor het gebruik

Voor het in lid 6.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

a. uitsluitend de bewerking van de ter plaatse geproduceerde mest is toegestaan;

b. (…)

Artikel 64 Functieverandering met melding in beekdal met aangrenzend open agrarisch gebied

64.2 Voorwaarden en indieningsvereisten:

(…)

g. er worden geen nieuwe kwetsbare objecten of nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen de functievlakken Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanningsverbinding of binnen 10-6-contouren van deze leidingen gerealiseerd;

h. voor ontwikkelingen binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico vindt een verantwoording van het groepsrisico plaats.

Artikel 66 Functieverandering met melding in het agrarisch landschap

66.2 Voorwaarden en indieningsvereisten:

(…)

g. er worden geen nieuwe kwetsbare objecten of nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen de functievlakken Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanningsverbinding of binnen 10-6-contouren van deze leidingen gerealiseerd;

h. voor ontwikkelingen binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico vindt een verantwoording van het groepsrisico plaats.

Artikel 75 Afwijken van bouwregels in open gebied

voor het bepaalde onder f:

(…)

ak. de afstand van een windturbine tot de functie Leiding - Gas bedraagt ten minste de grootste waarde van ofwel de bladworpafstand bij nominaal toerental ofwel de afstand gelijk aan de masthoogte van de windturbine + 1/3 van de wieklengte;

(…)

Artikel 82 Bouwen - ondersteunende kassen

a. (…)

b. regel specifiek voor bestaande teeltondersteunende kassen, aangeduid met "Bouwen - ondersteundende kassen 1", en in afwijking van het bepaalde onder a:

1. op de gronden in gebruik voor Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf zijn teeltondersteunende kassen toegestaan tot 9.000 m2;

2. teeltondersteunende kassen zijn niet toegestaan in het Natuur Netwerk Brabant;

3. de goot- en bouwhoogte van teeltondersteunende kassen mag ten hoogste 6 meter respectievelijk 10 meter bedragen; voor zover de goothoogte of bouwhoogte ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerp van dit plan meer bedraagt geldt de bestaande goothoogte of bouwhoogte als maximum.

Artikel 124 Het bewaren van houtopstanden

124.1 Vellen van houtopstanden

Het is verboden houtopstanden te vellen of te doen vellen voor zover het gaat om:

a. monumentale en waardevolle bomen die voorkomen op de lijst ´Beschermde bomen Boekel 2017´;

b. gemeentelijke of provinciale bomen die voorkomen op de lijst ´Beschermde bomen Boekel 2017´ en een omtrek van de stam hebben van meer dan 95 cm op een hoogte van 1,30 m boven het maaiveld;

dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

124.2 Afwijking en beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning om van het gestelde verbod in artikel 124.1 af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) wordt verleend indien de werken en werkzaamheden geen onevenredige nadelige invloed hebben op:

a. de natuurwaarde van de houtopstand en/of;

b. de landschappelijke waarde van de houtopstand en/of;

c. de beeldbepalende waarde van de houtopstand en/of;

d. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand en/of;

e. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand;

met dien verstande dat indien de omgevingsvergunning betrekking heeft op:

f. laanbeplanting zoals aangegeven op de lijst ´Beschermde bomen Boekel 2017´en voorkomend op de gronden aangeduid met Cultuurhistorisch vlak - Huize Padua en:

g. door het vellen over een afstand van meer dan 50 m wordt onderbroken en/of;

h. waarbij meer dan 10 % van het totaal aantal bomen van de laanbeplanting wordt geveld;

omgevingsvergunning in principe wordt geweigerd tenzij natuurwaarden, cultuurhistorische waarde en/of leefbaarheid van de laanbeplanting niet worden geschaad.

124.3 Vellen met melding

Het is verboden houtopstanden in bosgebieden die voorkomen op de lijst ´Beschermde bomen Boekel 2017´ te vellen zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders

124.4 Indieningsvereiste en procedureregel melding

Voor het doen van een melding geldt de volgende indieningsvereiste en procedureregel:

a. de melding gaat vergezeld van:

b. een situatietekening met daarop de te vellen bomen;

c. indien van toepassing - toestemming van de gemeente of eigenaar van het perceel waarop de kap plaatsvindt;

d. indien de oppervlakte bos afneemt - een herbeplantingsplan met daarop in ieder geval de locatie, de soort en de omtrek van de te planten boom of bomen;

e. de melding dient minimaal 4 weken voor aanvang van de kap digitaal of schriftelijk te zijn ingediend."

124.5 Maatwerkregel

Burgemeester en wethouders kunnen:

a. bij afwijking als bedoeld in lid 124.2 maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden gericht op herplant, of;

b. bij melding als bedoeld in lid 124.3 en waarbij de oppervlakte van het betreffende bosgebied afneemt, maatwerkvoorschriften vaststellen gericht op herplant."

Artikel 129 Begrippen

129.64 houtopstand

hakhout, een houtwal of een of meer bomen.

129.114 vellen van houtopstand

rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.