Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:274

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
06-02-2019
Zaaknummer
201810293/1/A1 en 201810293/2/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 januari 2017 heeft het college omgevingsvergunning verleend aan het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2019/66 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201810293/1/A1 en 201810293/2/A1.

Datum uitspraak: 30 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Leerdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 november 2018 in zaken nrs. 17/4608 en 18/2108 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Leerdam (thans: het college van burgemeester en wethouders van Vijfheerenlanden; hierna: het college).

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2017 heeft het college omgevingsvergunning verleend aan het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland.

Bij besluit van 7 juli 2017 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 16 januari 2017 deels herroepen.

Bij uitspraak van 15 november 2018 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

[appellanten] hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 januari 2019 waar [appellanten], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door A. Poetai en A. den Braven, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het college van gedeputeerde staten van Utrecht, vertegenwoordigd door ing. W. Spekkink, gehoord.

Met toestemming van partijen heeft het college na de zitting stukken ingediend.

Overwegingen

1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    De verleende omgevingsvergunning ziet op het project "Groot onderhoud-N484-Leerdam-fase1". Dit project bestaat naast het onderhoud uit het verbreden van de hoofdrijbaan van de N484 en de noordelijke parallelweg tussen Schoonrewoerd en de grens met de bebouwde kom van Leerdam, het vervallen van het westelijke fietspad, het nemen van snelheidsbeperkende maatregelen op de parallelweg, het opheffen van de aansluiting tussen de parallelweg en de hoofdrijbaan nabij het fitnesscentrum, het doortrekken van de parallelweg naar de rotonde Techniekweg en het kappen van 78 bomen.

    Om het project mogelijk te maken is volgens het college een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, b en c van de Wet algemene omgevingsrecht vereist. De a-vergunning is nodig voor de damwand. Deze wordt gerealiseerd binnen de bestemming "Water" en "Waarde-Archeologische verwachtingswaarde middelhoog" die op grond van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Nieuw Schaik" op het perceel rusten. Hoewel op die laatste bestemming niet mag worden gebouwd op grond van artikel 16.2 van de planregels, is het project volgens het college niet in strijd met het bestemmingsplan. Dit omdat sprake is van een uitzonderingsregel zoals opgenomen in artikel 16.2.1, aanhef en onder c, van de planregels. Het project is wel in strijd met het bestemmingsplan "Geconsolideerde versie Buitengebied en herzieningen 2014". Op grond van dat bestemmingsplan rustten op de locatie tevens de bestemming "Verkeer" en de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 1". Het project is in strijd met de dubbelbestemming omdat het bouwwerk niet ter bescherming is van de te verwachten archeologische waarden. Gelet op artikel 24.2.1 van de planregels worden slechts bouwwerken toegelaten ter bescherming van de te verwachten archeologische waarden. Met toepassing van artikel 24.4. van de planregels heeft het college omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan.

    In het besluit op bezwaar heeft het college het besluit van 16 januari 2017 aangepast. Volgens het college gaat het om de uitzondering genoemd in artikel 16.2.1, aanhef en onder d, van de planregels en niet artikel 16.2.1, aanhef en onder c, van de planregels. Voorts heeft het college bepaald dat de maatregelen uit het geactualiseerde Programma van Eisen (versie 170506-Def), goedgekeurd op 29 mei 2017 (hierna: Programma van Eisen) als voorschrift van de omgevingsvergunning gelden.

    [appellanten] wonen aan de N484. Door gemeentelijke herindeling is thans het college van gedeputeerde staten van Utrecht verantwoordelijk voor het onderhoud van de N484.

3.    [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college met toepassing van artikel 24.4 van de planregels omgevingsvergunning kon verlenen. Volgens hen is niet aangetoond dat de archeologische waarden door het project niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Zij stellen dat een booronderzoek had moeten plaatsvinden in de ventweg. De bodemopbouw en de archeologische waarde ter plaatse van de ventweg kunnen sterk afwijken van het onderzochte deel.

3.1.    Artikel 24.4 van de planregels luidt: "Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 24.2 voor het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden liggende andere bestemming(en), indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.[…]"

4.    In artikel 8:69a van de Awb is het relativiteitsvereiste neergelegd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dat artikel aan de vernietiging van het besluit wegens strijd met de in artikel 24.4 van de planregels neergelegde norm in de weg staat omdat deze norm niet strekt tot bescherming van de belangen van [appellanten]. Het gaat [appellanten] in deze procedure om het behoud van een goed woon- en leefklimaat. De in artikel 24.4 van de planregels neergelegde eis dat een archeologisch onderzoek is vereist, strekt evenwel tot bescherming en veiligstelling van de in de grond aanwezige of verwachte archeologische waarden. Gelet hierop staat artikel 8:69a van de Awb eraan in de weg dat de beroepsgrond over het ontbreken van voldoende archeologisch onderzoek kan leiden tot een vernietiging van het besluit. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn hun belangen ook niet verweven met de belangen tot bescherming waarvan de planregels strekken. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:116. De voorzieningenrechter ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking van deze grond.

    Het betoog faalt.

5.    [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning mocht verlenen. Volgens hen leidt het project tot een verkeersonveilige situatie omdat fietsers samen met het landbouwverkeer op de ventweg moeten rijden. In dit verband wijzen zij er op dat omwonenden een veiliger alternatief hebben voorgesteld. Anders dan het college stelt, is het verschil in kosten tussen het alternatieve plan en het gekozen project niet zo groot.

5.1.    Het project voorziet onder meer in de verbreding van de ventweg. De ventweg is voor de fietsers, het bestemmingsverkeer en het landbouwverkeer. Ter zitting heeft het college van gedeputeerde staten toegelicht dat het vast beleid is om het landbouwverkeer waar mogelijk niet op de hoofdrijbaan te laten rijden. Als er een parallelweg is, moet het landbouwverkeer daar rijden. Naar het oordeel van het college van gedeputeerde staten leidt het laten rijden van landbouwverkeer op de hoofdrijbaan tot een onveiliger situatie dan het laten rijden van het landbouwverkeer bij de fietsers. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt mocht stellen. Daarbij is van belang dat [appellanten] de juistheid hiervan niet hebben bestreden.

    Het betoog faalt in zoverre.

5.2.    Over het door omwonenden voorgestelde alternatief heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college dient te beslissen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning voor een project, zoals daarvoor vergunning is aangevraagd. Indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2830). De rechtbank heeft terecht overwogen dat het voorgestelde alternatief hier niet aan voldoet. Het college heeft onder verwijzing naar het rapport "Groot onderhoud N484" van Royal HaskoningDHV van 12 oktober 2015 uiteengezet dat het door de bewoners voorgestelde alternatief is onderzocht maar dat niet is gebleken van een gelijkwaardig resultaat met minder bezwaren. In het rapport staat onder meer dat het project beter scoort op de onderdelen geluidsoverlast, kosten, flora en fauna, behalen van de doelstelling planning groot onderhoud en ruimtelijke kwaliteit. In het rapport wordt het project aanbevolen omdat het voldoet aan de criteria verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling op de N484 en goedkoper is. Dat de kosten door het college verkeerd zouden zijn berekend maakt niet dat de conclusie van het rapport niet gevolgd kan worden. Dat het verschil in kosten zoals gesteld door [appellanten] kleiner is dan in het rapport is vermeld, maakt dat niet anders. In beide gevallen is het alternatief duurder dan het project. Bovendien zijn er ook andere punten waarop het onderhavige project beter scoort dan het alternatief. Het college heeft daarom het standpunt in kunnen nemen dat een gelijkwaardig resultaat derhalve niet wordt bereikt.

    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. de Koning, griffier.

w.g. Wortmann    w.g. De Koning

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2019

712.