Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2643

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2019
Datum publicatie
31-07-2019
Zaaknummer
201900098/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2018:4737, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 augustus 2017 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201900098/1/A2.

Datum uitspraak: 31 juli 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], woonplaats onbekend,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 20 november 2018 in zaak nr. 18/917 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Raad voor Rechtsbijstand (lees: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2017 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 8 februari 2018 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 november 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juni 2019, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, werkzaam bij de raad, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De raad heeft in 2016 aan [appellant] toevoegingen verleend voor de rechtsbijstand in zijn asielprocedure. Hij heeft zich toen laten bijstaan door mr. A. Habib-Portier, advocaat te Leeuwarden. Na de afwijzing van zijn asielaanvraag is hij met onbekende bestemming vertrokken.

1.1.    [appellant] heeft op 19 januari 2017 een tweede asielaanvraag ingediend. De raad heeft aan hem voor de rechtsbijstand in zijn tweede asielprocedure een toevoeging verleend. [appellant] heeft zich laten bijstaan door mr. J.G. Brands, advocaat te Groningen. Na de afwijzing van zijn tweede asielaanvraag is hij weer met onbekende bestemming vertrokken. Hierna is in de tweede asielprocedure opnieuw een voornemen uitgebracht. In dat voornemen is naar voren gebracht dat de asielaanvraag van [appellant] buiten behandeling zal worden gesteld, omdat hij met onbekende bestemming is vertrokken. Dit voornemen is naar Habib-Portier gestuurd. Zij heeft namens [appellant] op 13 juli 2017 een aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand ingediend voor het indienen van een zienswijze op dat voornemen.

1.2.    Bij het besluit van 3 augustus 2017 heeft de raad die aanvraag afgewezen, omdat de aanvraag betrekking heeft op een rechtsbelang waarvoor reeds eerder aan [appellant] een toevoeging is verleend. Die toevoeging staat op naam van Brands. Habib-Portier kan de raad verzoeken die toevoeging op haar naam te laten zetten, aldus de raad in zijn besluit op bezwaar. Habib-Portier heeft namens [appellant] hiertegen beroep ingesteld.

Oordeel van de rechtbank

2.    De rechtbank heeft voorop gesteld dat [appellant] na de afwijzing van zijn tweede asielaanvraag met onbekende bestemming is vertrokken. Zij heeft overwogen dat daar uit blijkt dat [appellant] kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Hierdoor is er naar het oordeel van de rechtbank geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep zodat [appellant] geen procesbelang meer heeft bij deze procedure. Verder heeft de rechtbank met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD9408, geoordeeld dat ook Habib-Portier geen procesbelang heeft. Daarbij heeft zij verwezen naar het standpunt van de raad dat Habib-Portier nadrukkelijk namens [appellant], en niet mede namens zichzelf, beroep heeft ingesteld. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat het procesbelang voor zowel [appellant] als Habib-Portier ontbreekt. De rechtbank heeft mede van belang geacht dat Habib-Portier, na verleend uitstel, niet ter zitting is verschenen. Op grond van het voorgaande, heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Wettelijk kader

3.    Artikel 28, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) luidt:

"Het bestuur kan de toevoeging weigeren indien de aanvraag:

[…]

b. betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan de aanvrager aanspraak kan maken op rechtsbijstand op grond van een eerder afgegeven toevoeging;

[…]."

Hoger beroep

4.    In hoger beroep voert Habib-Portier namens [appellant] terecht aan dat de overwegingen van de rechtbank onduidelijk zijn. De rechtbank heeft ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen de vraag wie belanghebbende is en de vraag of er procesbelang is. De uitspraak van de Afdeling waar de rechtbank naar verwees betrof de vraag wie als belanghebbende moet worden aangemerkt. Daarnaast had de rechtbank alleen moeten ingaan op de vraag of Habib-Portier belanghebbende is bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 3 augustus 2017 als zij niet alleen namens [appellant], maar ook namens zichzelf beroep had ingesteld. Dit heeft zij niet gedaan. Zij heeft alleen namens [appellant] beroep ingesteld. De rechtbank is dan ook ten onrechte ingegaan op de vraag of Habib-Portier belanghebbende is.

5.    Habib-Portier voert namens [appellant] eveneens terecht aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het belang van [appellant] bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep is vervallen, omdat hij met onbekende bestemming is vertrokken. Hij komt immers juist op tegen de buitenbehandelingstelling van zijn asielverzoek op de grond dat hij met onbekende bestemming zou zijn vertrokken. Daarvoor vraagt hij toevoeging aan.

6.    Gelet op wat hiervoor onder 4 en 5 is overwogen, heeft de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

7.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling alsnog de bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden beoordelen.

Beroep

8.    Habib-Portier betoogt namens [appellant] dat de raad, gelet op de onzorgvuldige procedure, onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet opnieuw een toevoeging is verleend. Zij was in de eerste asielprocedure van [appellant] zijn gemachtigde. Daarom had de raad haar op de hoogte moeten brengen van zijn tweede asielaanvraag en had zij ook in zijn tweede asielprocedure meteen moeten worden toegevoegd. Ook had de raad haar niet eerst bij het besluit van 3 augustus 2017, maar eerder op de hoogte moeten brengen van de omstandigheid dat er al een toevoeging was verleend, aldus Habib-Portier namens [appellant].

8.1.    Dit betoog slaagt niet. Er is geen rechtsregel op grond waarvan de raad verplicht was Habib-Portier ook terzake van de tweede asielprocedure aan [appellant] toe te voegen, noch om haar van de tweede asielaanvraag op de hoogte te brengen. Uit hetgeen Habib-Portier naar voren brengt volgt verder niet dat de raad een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb.

9.    Het beroep tegen het in bezwaar gehandhaafde besluit van 3 augustus 2017 is ongegrond.

10.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 20 november 2018 in zaak nr. 18/917;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV.    veroordeelt het bestuur van de raad voor rechtsbijstand tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Sanchit-Premchand, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Sanchit-Premchand

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2019

343-691.