Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2638

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2019
Datum publicatie
31-07-2019
Zaaknummer
201800045/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:13463, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 februari 2017 heeft het college aan Equ Vast Monumenten B.V. (thans: Woonholland Randstad I B.V.) omgevingsvergunning verleend voor het slopen van de bijgebouwen op de percelen Kerkstraat 20, 22, 22a, 22b en 22c te Wassenaar (hierna: de percelen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2020/19 met annotatie van A. Snijders
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800045/1/A1.

Datum uitspraak: 31 juli 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Wassenaar,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 november 2017 in zaak nr. 17/4925 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar.

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2017 heeft het college aan Equ Vast Monumenten B.V. (thans: Woonholland Randstad I B.V.) omgevingsvergunning verleend voor het slopen van de bijgebouwen op de percelen Kerkstraat 20, 22, 22a, 22b en 22c te Wassenaar (hierna: de percelen).

Bij besluit van 24 mei 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 november 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en Woonholland Randstad I B.V. hebben afzonderlijke schriftelijke uiteenzettingen gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. B. Benard, advocaat te Wassenaar, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.C.M. de Heij, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Woonholland Randstad I B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

1.    Het sloopplan voorziet in de sloop van bijgebouwen op de percelen Kerkstraat 20, 22, 22a en 22b te Wassenaar, die bestaan uit een overkapping op het achterterrein van de percelen met een oppervlakte van 355 m², een berging en oude funderingen. [appellant] huurt deze berging die naast zijn huis op het perceel aan de [locatie] staat.

2.    Het college heeft bij het in bezwaar gehandhaafd besluit van 14 februari 2017 omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen en renoveren van de drie woningen op de percelen en het bouwen van drie bergingen. [appellant] huurt en woont sinds 1 juni 2014 in één van de te renoveren woningen op het perceel aan de [locatie].

2.1.    Niet in geschil is dat de te slopen bouwwerken zich bevinden binnen een gebied dat is aangewezen als een beschermd stads- en dorpsgezicht. Gelet daarop heeft het college omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

    Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wabo luidt:

"Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in de aanvraag niet aannemelijk is gemaakt dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Volgens [appellant] wordt daarom niet voldaan aan de indieningsvereisten sloopvergunning als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Mor.

Verder heeft het college volgens [appellant] bij het verlenen van de gevraagde sloopvergunning ten onrechte zijn belangen, bestaande uit een ongewijzigde voortzetting van zijn huurovereenkomst, niet meegewogen, nu zich een mogelijke grond voordoet om de gevraagde sloopvergunning te weigeren als bedoeld in artikel 2.16 van de Wabo.

3.1.    Artikel 2.16 van de Wabo luidt:

"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder g of h, kan de omgevingsvergunning worden geweigerd indien naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd."

    Artikel 6.2, eerste lid, van de Regeling omgevingsrecht (hierna de Mor) luidt:

"In of bij de aanvraag om een vergunning voor het slopen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de wet maakt de aanvrager aannemelijk dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd."

3.2.    [appellant] betoogt tevergeefs dat in de aanvraag niet aannemelijk is gemaakt dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk zal worden gebouwd. Blijkens de gedingstukken voorziet het besluit van 24 mei 2017 in de sloop van aaneengesloten bebouwing die in de loop van de tijd is gebouwd op de achter de woningen gelegen tuinen.

Het college heeft aan Woonholland Randstad I B.V. bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 14 februari 2017 omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen en renoveren van de drie woningen op de percelen, het aanleggen van tuinen achter de woningen en het bouwen van drie bergingen in deze tuinen. Gelet op de van dit besluit deel uitmakende bouwtekeningen, bezien in samenhang met de van het besluit van 24 mei 2017 deel uitmakende slooptekeningen, zijn op de locatie van de te slopen bebouwing drie bergingen voorzien. Aldus is naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk gemaakt dat op de plaats van de te slopen bouwwerken andere bouwwerken zullen worden gebouwd als bedoeld in de artikelen 6.2, eerste lid, van de Mor en 2.16 van de Wabo.

    Dat de beoogde bergingen kleiner van omvang zijn dan de bebouwing waarvoor een sloopvergunning is gevraagd, waardoor op de locatie van de berging die [appellant] huurt geen bouwwerk is voorzien, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij is van belang dat in de toelichting bij artikel 6.2, eerste lid, van de Mor (Staatscourant 2010 nr. 5162) staat dat de bedoeling van de artikelen 6.2, eerste lid, van de Mor en 2.16 van de Wabo is het voorkomen van braakliggende terreinen alsmede het bewerkstelligen van de indiening van plannen voor de vervangende bebouwing waarin voldoende rekening wordt gehouden met de ruimtelijke kwaliteit van het beschermde stads- of dorpsgezicht. Gelet op voormeld besluit van 14 februari 2017 dat in rechte vast staat en waarbij de commissie Welstand en Cultureel Erfgoed van Wassenaar positief heeft geadviseerd, volstaat de omstandigheid dat op de locatie van de te slopen bebouwing, drie bergingen worden terug gebouwd.

3.3.    Het vorenstaande betekent dat [appellant] tevergeefs betoogt dat niet wordt voldaan aan de indieningsvereisten sloopvergunning als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Mor en dat zich geen grond voordoet om de gevraagde sloopvergunning te weigeren als bedoeld in artikel 2.16 van de Wabo. Nu deze weigeringsgrond niet aan de orde is, was het college gehouden om de gevraagde sloopvergunning te verlenen. De rechtbank heeft daarom met juistheid geoordeeld dat het college terecht geen rekening heeft gehouden met de door [appellant] naar voren gebrachte belangen.

4.    Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit van 24 mei 2017 in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). [appellant] voert daartoe aan dat als de door hem gehuurde berging wordt gesloopt, hij daarvan geen gebruik meer kan maken.

4.1.    Artikel 94 van de Grondwet luidt:

"Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties."

    Artikel 8, eerste lid, van het EVRM luidt:

"Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie."

4.2.    De Afdeling stelt voorop dat na de sloop van de door [appellant] gehuurde berging achter de door [appellant] gehuurde woning een nieuwe berging zal worden terug gebouwd die door hem kan worden gebruikt.

    Voor een geslaagd beroep op het recht op respect voor woning zoals neergelegd in artikel 8, eerste lid, van het EVRM, is vereist dat een ongerechtvaardigde inbreuk wordt gemaakt op dit recht. Dat [appellant] als gevolg van de beoogde sloop geen gebruik meer kan maken van de door hem gehuurde berging voor de opslag van spullen, levert naar het oordeel van de Afdeling niet zo’n inbreuk op. Daarbij is van belang dat volgens de van het besluit van 24 mei 2017 deel uitmakende slooptekening de te slopen berging niet toegankelijk is vanuit en als zodanig ook geen deel uitmaakt van de door [appellant] gehuurde woning.

    Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, griffier.

w.g. Drop    w.g. Van Leeuwen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2019

543.