Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2630

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2019
Datum publicatie
31-07-2019
Zaaknummer
201805033/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2018:1576, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 4, 6, 13 en 24 januari 2017 heeft het college besloten tot invordering van de beweerdelijk door [appellant A] en [appellant B], afzonderlijk, verbeurde dwangsommen van in totaal € 16.000,00 voor elk van hen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201805033/1/A1.

Datum uitspraak: 31 juli 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te IJhorst, gemeente Staphorst,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 8 mei 2018 in zaken nrs. 18/410, 18/411 en 18/670 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Staphorst.

Procesverloop

Bij besluiten van 4, 6, 13 en 24 januari 2017 heeft het college besloten tot invordering van de beweerdelijk door [appellant A] en [appellant B], afzonderlijk, verbeurde dwangsommen van in totaal € 16.000,00 voor elk van hen.

Bij besluit van 17 januari 2018 heeft het college de door [appellant A] en [appellant B] tegen die besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 mei 2018 heeft de rechtbank onder meer de door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2019, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. N.S. Commijs, advocaat te Zwolle, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.A. Brunner en J. van der Berg, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant A] en [appellant B] zijn de eigenaren van het perceel aan de [locatie] te IJhorst en hebben hierop zonder daartoe strekkende omgevingsvergunning een paardenstal gebouwd. Het college heeft bij besluiten van 23 november 2016 zowel [appellant A] als [appellant B] onder aanzegging van een dwangsom gelast de paardenstal voor 3 januari 2017 te verwijderen en verwijderd te houden, nadat zij tweemaal eerder aan besluiten met een soortgelijke strekking geen gevolg hadden gegeven. [appellant A] en [appellant B] hebben de paardenstal niet voor 3 januari 2017 verwijderd. Vaststaat dat zij elk hierdoor dwangsommen van € 1.000,00 per dag hebben verbeurd in de periode van 3 tot en met 18 januari 2017.

    De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die het college noopten af te zien van invordering.

    Het hoger beroep beperkt zich tot de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid mocht besluiten tot invordering van de verbeurde dwangsommen.

2.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college de verbeurde dwangsommen vanwege bijzondere omstandigheden niet in redelijkheid heeft kunnen invorderen. Hiertoe voeren zij aan dat zij met het college in overleg waren over het beëindigen van de situatie. Zij betogen dat zij door het initiatief te nemen voor dat overleg in voldoende mate hebben geprobeerd de verbeurte van dwangsommen te voorkomen. [appellant A] zou reeds vanaf half november 2016 getracht hebben om een afspraak te maken met het college voor overleg over de wijze van beëindiging van de situatie, waarbij hij heeft aangegeven dat zij bereid waren de paardenstal af te breken indien zij een omgevingsvergunning zouden krijgen om elders op het perceel een paardenstal te plaatsen. Pas op 3 januari 2017 heeft een dergelijk gesprek plaatsgevonden. Op 15 januari 2017 hebben zij een aanvraag om omgevingsvergunning gedaan voor de oprichting van een paardenstal op een andere plaats op het perceel. [appellant A] en [appellant B] wijzen erop dat het overleg met het college zeer constructief van aard was, aangezien dat ertoe heeft geleid dat het college bij besluit van 19 januari 2017 de gevraagde omgevingsvergunning heeft verleend en een nieuwe begunstigingstermijn heeft verbonden aan het handhavingsbesluit. Verder wijzen zij nog op een e-mailbericht van 18 januari 2017, waaruit dit ook zou blijken. Gezien deze omstandigheden had het college volgens [appellant A] en [appellant B] niet mogen besluiten tot invordering.

2.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:333), dient bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

2.2.    Teneinde de verbeurte van dwangsommen te voorkomen, dient binnen een gestelde begunstigingstermijn aan de last te worden voldaan. De omstandigheid dat [appellant A] en [appellant B] reeds voorafgaand aan het verstrijken van de aan het handhavingsbesluit verbonden begunstigingstermijn op 3 januari 2017 aan het college te kennen hebben gegeven bereid te zijn de paardenstal te verwijderen, indien op een andere plek op het perceel een paardenstal mag worden geplaatst, en zij daarover met het college in overleg zijn getreden, betreft niet een bijzondere omstandigheid die het college noopte tot het afzien van invordering. De wens van [appellant A] en [appellant B] om elders op het perceel een paardenstal op te richten en de eventuele bereidheid van het college daaraan mee te werken, staat als zodanig los van de vraag of de verbeurde dwangsommen die het gevolg zijn van het niet verwijderen van de zonder omgevingsvergunning gebouwde paardenstal in redelijkheid kunnen worden ingevorderd. De gevolgen van de keuze van [appellant A] en [appellant B] om eerst zekerheid te willen hebben over het toestaan van de nieuwe paardenstal, voordat de oude paardenstal werd verwijderd, blijven voor hun rekening. Dat [appellant A] en [appellant B] op 15 januari 2017 een omgevingsvergunning hebben aangevraagd voor een paardenstal op een andere plaats op het perceel, en het college op ambtelijk niveau in een e-mailbericht van 18 januari 2017 te kennen heeft gegeven daarmee te kunnen instemmen, en de gevraagde omgevingsvergunning op 19 januari 2017 ook heeft verleend, zijn, gelet op wat hiervoor staat, evenmin bijzondere omstandigheden.

    Voor zover [appellant A] en [appellant B] betogen dat zij erop mochten vertrouwen dat het college de verbeurde dwangsommen niet zou invorderen zolang zij in overleg waren, overweegt de Afdeling dat daarvoor geen aanknopingspunten bestaan. De bereidheid van het college tot het voeren van overleg over een mogelijke andere plaats voor een paardenstal op het perceel is daarvoor onvoldoende. Het college heeft op de hoorzitting in bezwaar te kennen gegeven, zo staat in het verslag daarvan, dat tijdens het op 3 januari 2017 gehouden gesprek van de zijde van het college duidelijk is gezegd dat dat gesprek de invordering niet stuitte. Geen aanleiding bestaat om aan de juistheid van deze stelling te twijfelen. In het e-mailbericht van 18 januari 2017 staat voorts slechts dat een besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning voor de nieuwe paardenstal de volgende dag zou worden genomen, tegelijkertijd met een besluit met betrekking tot een verlenging van de begunstigingstermijn van het handhavingsbesluit. Dat e-mailbericht bevat dus evenmin toezeggingen waaraan [appellant A] en [appellant B] het gerechtvaardigd vertrouwen konden ontlenen dat de verbeurde dwangsommen niet zouden worden ingevorderd. Dat het college bij besluit van 19 januari 2017 met ingang van die datum een nieuwe begunstigingstermijn aan het handhavingsbesluit heeft verbonden, is voor de invordering van de tussen 3 en 18 januari 2017 verbeurde dwangsommen, waar het hier om gaat, ook niet van betekenis.

    De rechtbank heeft terecht overwogen dat zich geen bijzondere omstandigheden voordeden, zodat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot invordering van de verbeurde dwangsommen.

    Het betoog faalt.

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Slump

voorzitter    De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2019

163-860.