Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2618

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2019
Datum publicatie
31-07-2019
Zaaknummer
201809142/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:9317, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 mei 2017 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een houten atelier op het perceel [locatie 1] te Roermond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2019-0143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201809142/1/A1.

Datum uitspraak: 31 juli 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Roermond,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 oktober 2018 in zaak nr. 18/314 in het geding tussen:

[partij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Roermond.

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2017 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een houten atelier op het perceel [locatie 1] te Roermond.

Bij besluit van 8 januari 2018 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dat besluit herroepen en de omgevingsvergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 4 oktober 2018 heeft de rechtbank het door [partij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 januari 2018 vernietigd, het besluit van 22 mei 2017 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 8 januari 2018.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

[partij] en het college hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante], het college en [partij] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft het hoger beroep ter zitting behandeld op 24 mei 2019, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Dignum en mr. J. Schrijnemeakers, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    [partij] woont op het perceel [locatie 1] te Roermond. De door haar aangevraagde omgevingsvergunning ziet op het oprichten van een atelier om keramiek in te maken.

    [appellante] exploiteert op het aangrenzende perceel [locatie 2] een paardenhouderij. Zij vreest dat het atelier van [partij] bescherming toekomt tegen geurhinder en dat de bouw van het atelier op korte afstand van de rijhal, waarin paardenstallen aanwezig zijn, haar bedrijfsvoering zal belemmeren.

2.    Bij besluit van 22 mei 2017 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend. Deze ziet op het gebruiken van bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). Volgens het college is de bouw van het atelier in strijd met het bestemmingsplan "Buitengebied Asenray", omdat het totale grondoppervlak van de bijgebouwen op het perceel meer dan 100 m2 bedraagt. Voor de activiteit bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is geen omgevingsvergunning vereist volgens het besluit van 22 mei 2017.

    Bij het besluit van 8 januari 2018 heeft het college de door [partij] gevraagde omgevingsvergunning voor het atelier alsnog geweigerd. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat ter plaatse van het aangevraagde atelier, op 31 meter afstand van de rijhal van [appellante], geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal ontstaan.

3.    In de aangevallen uitspraak komt de rechtbank tot de conclusie dat voor het atelier op grond van artikel 2, derde lid, onder f, onder 3o, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) geen omgevingsvergunning nodig is. Daarom heeft de rechtbank het besluit van 8 januari 2018 vernietigd en is het besluit van 22 april 2017 waarbij de omgevingsvergunning is verleend herroepen.

Wettelijk kader

4.    Artikel 2 van bijlage II bij het Bor

"Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:

[…],

f. de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan:

1o in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2 50 procent van dat bebouwingsgebied,

2o in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20 procent van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2,

3o in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10 procent van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van 150 m2."

Hoger beroep

5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het atelier omgevingsvergunningvrij is op grond van artikel 2, onder f, onder 3o, van bijlage II van het Bor. Daartoe voert zij aan dat de rechtbank is uitgegaan van een te klein oppervlak aan bijbehorende bouwwerken op het perceel van [partij]. Volgens [appellante] bedraagt de oppervlakte van de bestaande bebouwing inclusief het aanwezige tuinhuisje 140 m2 en bedraagt de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken na realisatie van het atelier 158 m2. In dit verband wijst [appellante] op een bouwvergunning van 28 februari 1969 voor de woning van [partij] waarbij de door de rechtbank als onderdeel van het hoofdgebouw aangemerkte carport niet is vergund en op een bouwvergunning van 22 november 1976 waarbij bouwvergunning is verleend voor deze carport. Volgens [appellante] is de rechtbank ten onrechte tot de conclusie gekomen dat de carport kan worden aangemerkt als onderdeel van het oorspronkelijke hoofdgebouw.

5.1.    De rechtbank heeft overwogen dat het bouwplan voor het atelier, gelet op artikel 2, derde lid, onder f, onder 3o, van Bijlage II van het Bor, bij een oppervlakte aan al dan niet vergunde bijbehorende bouwwerken van 128 m2 omgevingsvergunningvrij is.

5.2.    Het college heeft zich in de schriftelijke uiteenzetting op het standpunt gesteld dat het atelier niet omgevingsvergunningvrij is, omdat na realisatie van het atelier sprake is van 203 m2 aan bijbehorende bouwwerken.

    Volgens [partij] is er 128 m2 aan bijbehorende bouwwerken aanwezig op het perceel na realisatie van het atelier.

5.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2122) is het oorspronkelijk hoofdgebouw volgens de nota van toelichting bij het Bor (Stb. 2010, 143, blz. 136) in de zin van deze regeling het hoofdgebouw zoals dat ten tijde van de afronding van de bouwwerkzaamheden, overeenkomstig de voor het hoofdgebouw verleende vergunning, is opgeleverd. Uit de nota van toelichting volgt verder dat van het hoofdgebouw te onderscheiden aan- en uitbouwen, die als functioneel onderdeel van het hoofdgebouw op basis van de vergunning tegelijkertijd zijn meegebouwd, worden geacht deel uit te maken van het oorspronkelijk hoofdgebouw. Volgens de nota van toelichting moet het dan wel gaan om aan- of uitbouwen waarin gebruik wordt gerealiseerd dat gelet op de bestemming het belangrijkst is. In bouwkundige zin van het hoofdgebouw te onderscheiden aangebouwde bouwwerken waarin slechts ondergeschikte functies plaatsvinden - zoals aangebouwde garage/berging - maken volgens de nota van toelichting (blz. 137) geen deel uit van het hoofdgebouw en derhalve ook niet van het oorspronkelijk hoofdgebouw.

5.4.    Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo geen omgevingsvergunning is vereist. Ook is niet in geschil dat de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan 150 m2 mag bedragen gelet op artikel 2, onder f, onder 3o, van bijlage II van het Bor. Voor zover [partij] betoogt dat zij vindt dat de discussie over het aantal aanwezige vierkante meters aan bebouwing zonder opgaaf van redenen te laat is opgevoerd en tijdens de beroepsprocedure niet is ingebracht, faalt dit betoog reeds omdat de Afdeling dient te beoordelen of het bouwwerk omgevingsvergunningvrij kan worden opgericht.

    Uit de pas in hoger beroep overgelegde bouwvergunning van 28 februari 1969 blijkt dat de woning in dat besluit is vergund zonder overkapping en dat het college vervolgens bij besluit van 22 november 1976 bouwvergunning heeft verleend voor de bouw van de overkapping. De rechtbank heeft gelet hierop ten onrechte overwogen dat de overkapping met een oppervlakte van ongeveer 75 m2 onderdeel uitmaakt van het oorspronkelijke hoofdgebouw. Dit betekent dat meer dan 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken op het perceel is gebouwd en dat om die reden het atelier niet omgevingsvergunningvrij kan worden opgericht. De stelling dat de overkapping wel onderdeel uitmaakt van het hoofdgebouw, omdat het hoofdgebouw reeds is gebouwd in 1920 heeft [partij] niet onderbouwd. Ter zitting heeft zij toegelicht dat voor haar niet bekend is hoe het bouwwerk er toen uitzag. Er zijn dan ook geen aanknopingspunten om haar in deze stelling te volgen.

    Het betoog slaagt.

6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 8 januari 2018 bespreken in het licht van hetgeen daartegen in beroep is aangevoerd, voor zover die gronden na hetgeen hiervoor is overwogen nog bespreking behoeven.

Beroep [partij]

7.    [partij] betoogt dat het bouwen van het atelier niet in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, omdat het totaal aan bijgebouwen als bedoeld in het bestemmingsplan niet meer bedraagt dan 100 m2. Volgens [partij] tellen in dit verband de carport van 42,75 m2 aan de rechterzijde van haar woning en de overkapping van 75 m2 aan de linkerzijde van haar woning niet mee, omdat de overkapping en carport niet geheel met wanden omsloten ruimtes zijn. In dit kader verwijst [partij] naar een uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2755.

7.1.    De planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied Asenray"

Artikel 1.4 aan- en/of uitbouw luidt:

"een aan een hoofdgebouw vast gebouwd bouwwerk, dat architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, maar dat in functioneel opzicht deel uitmaakt van het hoofdgebouw; voor de toepassing van deze regels wordt een aan- of uitbouw gelijkgesteld met een aan het hoofdgebouw aangebouwd bijgebouw."

Artikel 1.20 bijgebouw luidt:

"een gebouw dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en dat ten dienste staat van dat hoofdgebouw."

Artikel 1.31 gebouw luidt:

"elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt."

Artikel 30.2 Bouwregels

"30.2.2 Bijgebouwen

a. bijgebouwen worden tenminste 3 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw geplaatst, tenzij het een aan de wegzijde gelegen open stallingsruimte voor personenauto’s betreft;

b. het totale grondoppervlak van bijgebouwen bedraagt per bouwperceel voor woondoeleinden maximaal 100 m2, waarbij het bepaalde in 30.2.1 onder h van overeenkomstige toepassing is;

c. de maximale goothoogte van bijgebouwen met een kap bedraagt 2,70 meter en de maximale bouwhoogte van bijgebouwen met een kap bedraagt 5 meter;

d. de maximale bouwhoogte van bijgebouwen zonder kap bedraagt 3 meter;

e. de goothoogte van bijgebouwen aansluitend aan het hoofdgebouw, bedraagt ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw."

7.2.    Het college heeft zich ter zitting van de Afdeling onder verwijzing naar artikel 1.4 van de planregels op het standpunt gesteld dat niet van belang is of de overkappingen aan de linker- en rechterzijde van het hoofdgebouw kunnen worden aangemerkt als een bijgebouw als bedoeld in artikel 1.20 van de planregels. Tussen partijen is niet in geschil dat deze overkappingen aanbouwen zijn als bedoeld in artikel 1.4 van de planregels. Het college heeft zich gelet op de tekst van artikel 1.4 van de planregels terecht op het standpunt gesteld dat de overkappingen dienen te worden meegerekend bij de beantwoording van de vraag of wordt voldaan aan artikel 30.2.2, onder b, van de planregels. Door [partij] is dit bovendien niet gemotiveerd weersproken. Dit betekent dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met artikel 30.2.2, onder b, van de planregels, omdat met het aangevraagde atelier en de bestaande bebouwing op het perceel, te weten, de garage, de serre, het tuinhuisje, het bestaande atelier, de carport en de overkapping meer dan 100 m2 aan bijgebouwen op het bouwperceel aanwezig is.

    Het betoog faalt.

8.    [partij] betoogt dat het college in het besluit op bezwaar een te zwaar gewicht heeft toegekend aan de gevolgen van de bij besluit van 12 december 2017 aan [appellante] verleende omgevingsvergunning voor een rijhal. Volgens [partij] had het college juist vanwege de bij besluit van 22 mei 2017 aan haar verleende omgevingsvergunning geen omgevingsvergunning voor de rijhal kunnen verlenen aan [appellante].

8.1.    In hetgeen door [partij] is aangevoerd in beroep ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de afstand van de staldeur tot het atelier van 31,50 m in het aangevraagde atelier mogelijk geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd ten gevolge van geurhinder van de nabijgelegen stal. De enkele omstandigheid dat de omgevingsvergunning voor de rijhal ten tijde van het besluit van 8 januari 2018 nog niet onherroepelijk was laat onverlet dat het bestemmingsplan een rijhal ter plaatse mogelijk maakt, zodat met het realiseren van een rijhal rekening kan worden gehouden bij de beantwoording van de vraag of het college medewerking wenst te verlenen aan de door [partij] gevraagde afwijking van het bestemmingsplan.

    Het betoog faalt.

9.    Het beroep van [partij] is gelet op het voorgaande ongegrond.

Slot en conclusie

10.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [partij] tegen het besluit van 8 januari 2018 van het college alsnog ongegrond verklaren.

11.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 oktober 2018 in zaak nr. 18/314;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Roermond tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 253,00 (zegge: tweehonderddrieënvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. R.W.L. Koopmans en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Vermeulen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2019

700.