Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2610

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2019
Datum publicatie
31-07-2019
Zaaknummer
201808712/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:8849, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 december 2017 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd ten aanzien van gebouwen en bouwwerken op de percelen, kadastraal bekend gemeente Gennep, sectie […], nummers […], […] en […] (hierna in enkelvoud: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201808712/1/A1.

Datum uitspraak: 31 juli 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Gennep,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 20 september 2018 in zaak nrs. 18/1529 en 18/1843 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Gennep.

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2017 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd ten aanzien van gebouwen en bouwwerken op de percelen, kadastraal bekend gemeente Gennep, sectie […], nummers […], […] en […] (hierna in enkelvoud: het perceel).

Bij besluit van 11 juni 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 september 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juli 2019, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], is verschenen. Verder is [belanghebbende] ter zitting gehoord.

Overwegingen

1.    [appellant] heeft de hogerberoepsgrond over de begunstigingstermijn ter zitting ingetrokken.

2.    De opgelegde last onder dwangsom houdt in dat [appellant] vóór 29 mei 2018 alle zonder omgevingsvergunning opgerichte gebouwen en bouwwerken op het perceel moet (laten) verwijderen. Het gaat om een schuilhut voor schapen (schapenhok), een kippenhokje en voederhok, een blokhut en een oude overkapping ten behoeve van een houtopslag en een kleine werkplaats. De hoogte van de dwangsom bedraagt € 6.000,- ineens. Bij het besluit op bezwaar heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot 1 oktober 2018. Bij een controle op 22 oktober 2018 is gebleken dat alle gebouwen en bouwwerken zijn verwijderd. Niet in geschil is dat de dwangsom niet is verbeurd.

3.    Het college heeft bij besluit van 9 november 2018 het besluit van 21 november 2017 ingetrokken omdat aan de last onder dwangsom is voldaan. Anders dan het college stelt betekent dit niet dat [appellant] geen procesbelang meer heeft. [appellant] heeft naar aanleiding van de opgelegde last de gebouwen en bouwwerken verwijderd en wenst mede met het oog op een mogelijke schadeprocedure een oordeel over de rechtmatigheid van het opleggen van de last. Reeds hierom heeft hij procesbelang.

4.    Vaststaat dat de gebouwen en bouwwerken op het perceel zonder vereiste vergunning zijn opgericht, zodat sprake is van een overtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het college was dus bevoegd om daartegen handhavend op te treden.

    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het college van handhaving had moeten afzien. [appellant] wijst hierbij op de toelichting bij het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Gennep". In paragraaf 9.1 staat dat in een aantal gevallen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, op grond waarvan moet worden afgezien van handhavend optreden. Een van die gevallen is dat vanwege het tijdsverloop handhavend optreden onredelijk zou zijn. [appellant] stelt dat hij telkens heeft gewezen op het feit dat de illegale bebouwing al lang aanwezig is en dat de gemeente hiermee ook bekend was. Gelet hierop had niet kunnen worden volstaan met een verwijzing naar de jurisprudentie waarin een beginselplicht tot handhaving is neergelegd, maar had een belangenafweging moeten worden gemaakt die is gericht op zijn specifieke situatie en omstandigheden. In dat verband wijst hij erop dat hij geen overlast heeft veroorzaakt, het perceel goed bijhield en bereid was om met het college afspraken te maken over een uitsterfconstructie. Verder voert [appellant] aan dat volgens de toelichting bij het bestemmingsplan (paragraaf 9.3) handhavingsbesluiten zullen worden getoetst aan het gemeentelijke handhavingsbeleid. Dit is echter niet mogelijk omdat een handhavingsbeleid ontbreekt. Volgens [appellant] heeft het college onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval niet kon worden afgezien van handhaving.

5.1.    Het enkele tijdsverloop voorafgaand aan het besluit tot handhaving kan in dit geval niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt, op grond waarvan reeds daarom van handhavend optreden moet worden afgezien. Weliswaar is in de toelichting van het bestemmingsplan "Gennep buitengebied" vermeld dat vanwege tijdsverloop handhaving onredelijk kan zijn, maar die vermelding kan niet worden aangemerkt als een toezegging van het tot handhaving bevoegd gezag, op grond waarvan [appellant] erop mocht vertrouwen dat in dit geval niet handhavend wordt opgetreden. De toelichting kan evenmin worden beschouwd als een voor het college bindend toetsingskader voor het nemen van handhavingsbesluiten. [appellant] kan zich dus niet met succes beroepen op de toelichting van het bestemmingsplan.

    Het ontbreken van een handhavingsbeleid doet voorts niet af aan de bevoegdheid van het college om ter zake handhavend op te treden. Verder bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat handhaving in dit geval onevenredig is. Zoals de rechtbank heeft overwogen is er geen sprake van een overtreding van geringe aard en ernst. Dat, naar [appellant] stelt, geen overlast wordt veroorzaakt, het perceel niet wordt verwaarloosd en bereidheid tot overleg bestaat, maakt niet dat handhaving onevenredig is in verhouding met algemeen belang dat daarmee is gediend. In het dwangsombesluit is op de belangenafweging ingegaan. Voor het oordeel dat het besluit van 11 juni 2018 onvoldoende is gemotiveerd, bestaat geen aanleiding. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het college niet handhavend mocht optreden.

    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.

w.g. Van Ravels    w.g. Van der Maesen de Sombreff

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2019

190-929.