Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:258

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
30-01-2019
Zaaknummer
201710297/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:13319, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juni 2016 heeft het college het verzoek van [appellante] om nadeelcompensatie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2019-0029
JOM 2019/352
JB 2019/45
BR 2019/31 met annotatie van J.S. Procee, L. Jager
Gst. 2019/98 met annotatie van M.H.W.C.M. Theunisse
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201710297/1/A2.

Datum uitspraak: 30 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 november 2017 in zaak nr. 17/1453 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2016 heeft het college het verzoek van [appellante] om nadeelcompensatie afgewezen.

Bij besluit van 26 januari 2017 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 november 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2019, waar [appellante], bijgestaan door mr. V.T. Verkroost, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.A. Wassenburg, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] heeft een verzoek om nadeelcompensatie ingediend bij het college voor een bedrag van € 68.750,- wegens de verwijdering van haar viskiosk op de Haagse Markt aan de Herman Costerstraat in Den Haag. Het college heeft het verzoek afgewezen omdat de viskiosk in het kader van een handhavingsactie (bestuursdwang) is verwijderd omdat [appellante] niet in het bezit was van een vergunning om de viskiosk op de openbare weg te plaatsen als bedoeld in artikel 2:10 van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (containervergunning). De financiële gevolgen van de verwijdering kunnen volgens het college niet op de gemeente worden verhaald.

Uitspraak van de rechtbank

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het schadeveroorzakende besluit ziet op het feit dat [appellante] een viskiosk exploiteerde zonder dat zij beschikte over een zogenoemde containervergunning en niet ziet op de omstandigheid dat is besloten tot herontwikkeling van de Haagse Markt. Volgens de rechtbank was het voor [appellante] voorzienbaar dat het college daartegen op een bepaald moment handhavend zou gaan optreden. Of uit het Programma van Eisen De Haagse Markt van 19 oktober 2009 (hierna: Programma van eisen) al bleek dat de viskiosk zou moeten worden verwijderd, kan volgens de rechtbank in het midden blijven omdat dat volgens de rechtbank niet afdoet aan het feit dat [appellante] niet beschikte over een containervergunning en het college daarom handhavend mocht optreden.

Hoger beroep

3.    [appellante] voert aan dat ook in een situatie dat handhavend wordt opgetreden als een vergunning ontbreekt, sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan aanleiding bestaat voor nadeelcompensatie. [appellante] wijst er daarbij op dat indien niet tot herinrichting van de Haagse Markt zou zijn besloten, het zeer twijfelachtig was of het college handhavend had opgetreden. Bovendien had er in dat geval concreet zicht op legalisatie bestaan omdat zij alsnog de noodzakelijke vergunning zou hebben aangevraagd en hoogstwaarschijnlijk had gekregen. Omdat was besloten tot herinrichting van de Haagse Markt bestond die mogelijkheid evenwel niet meer. Bovendien was het college er al lange tijd mee bekend dat de viskiosk daar onafgebroken en permanent aanwezig was en is nooit eerder handhavend opgetreden. Ook is zij nooit gewezen op het ontbreken van een vergunning, wat er ook toe heeft geleid dat zij niet in aanmerking kwam voor compensatie zoals die aan andere vergunninghouders op de Haagse Markt wel is aangeboden. Ook bestrijdt zij dat uit het Programma van eisen volgt dat er een concreet beleidsvoornemen van het college was tot verwijdering van de marktkramen. Ten tijde van de investeringsbeslissing kon zij hiermee bovendien geen rekening houden. Gelet op het vorenstaande kan volgens [appellante] niet worden gesproken van een normale maatschappelijke ontwikkeling waarvan de schade volledig voor haar rekening dient te blijven.

Oordeel van de Afdeling

4.    [appellante] heeft in haar verzoek om nadeelcompensatie gesteld dat de schade is ontstaan als gevolg van de herinrichting van de Haagse Markt. De rechtbank heeft hierover terecht geoordeeld dat dit onjuist is omdat het schadeveroorzakende besluit het besluit tot toepassing van bestuursdwang is. [appellante] exploiteerde een viskiosk zonder dat zij beschikte over de vereiste containervergunning. Voor het toekennen van schadevergoeding in de vorm van nadeelcompensatie wegens een onherroepelijk besluit kan aanleiding bestaan indien sprake is van een situatie van onevenredige, buiten het normaal maatschappelijk risico vallende en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende schade, die het gevolg is van een op de behartiging van het openbaar belang gericht rechtmatig optreden van een bestuursorgaan. Het moet dus gaan om een situatie waarop het algemeen rechtsbeginsel van gelijkheid voor de openbare lasten, het zogenoemde égalitébeginsel, ziet. Daarvan is in dit geval geen sprake omdat het gaat om schade die [appellante] ondervindt als gevolg van handhaving wegens een door haar overtreden norm, namelijk het exploiteren van een viskiosk zonder dat zij daarvoor in het bezit was van een containervergunning. De schade die zij door het handhavend optreden hiertegen heeft ondervonden, kan daarom niet worden verhaald op de gemeente.

    Overigens overweegt de Afdeling dat ook in het geval dat [appellante] het besluit tot handhavend optreden destijds met succes zou hebben aangevochten, geen aanleiding bestaat voor vergoeding van de door haar gestelde schade omdat de schade voorzienbaar was. Uit het Programma van eisen van 19 oktober 2019 volgt dat de gemeente Den Haag voornemens was het marktterrein van de Haagse Markt te herontwikkelen, waarbij in Deel 2, onder 6.1 specifiek is vermeld dat men wat betreft de vormgeving van de kramen en de verkoopplaatsen toe wil naar uniforme kramen in uitstraling, kleur en materiaalgebruik. Omdat [appellante] de viskiosk in 2012 heeft overgenomen bestond daardoor voor haar, als redelijk denkend en handelend koper, aanleiding om ten tijde van de investeringsbeslissing rekening te houden met de kans dat de situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Dat zij destijds geen kennis heeft gehad van het Programma van eisen, zoals zij ter zitting heeft gesteld, dient voor haar rekening en risico te blijven omdat van haar als redelijk denkend en handelend koper wordt verwacht dat zij onderzoek doet naar mogelijke negatieve ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op de exploitatie van de viskiosk.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.C.V. Fenwick, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Fenwick

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2019

608.