Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2527

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2019
Datum publicatie
24-07-2019
Zaaknummer
201808255/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 augustus 2017 heeft het college aan Downtown Property B.V. omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de bedrijfsruime op het perceel Lekstraat 85 te Den Haag in een logiesfunctie met 12 units, het inpandig veranderen van dat pand, het realiseren van een dakopbouw, het uitbreiden van de eerste verdieping aan de achterzijde, het wijzigen van de voor- en achtergevel en het maken van balkons aan de achtergevel van dat pand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201808255/1/A1.

Datum uitspraak: 24 juli 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B] en [appellant C], wonend te Den Haag (hierna: [appellant A] en anderen)

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 september 2018 in zaak nr. 18/1506 in het geding tussen:

[appellant A] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2017 heeft het college aan Downtown Property B.V. omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de bedrijfsruime op het perceel Lekstraat 85 te Den Haag in een logiesfunctie met 12 units, het inpandig veranderen van dat pand, het realiseren van een dakopbouw, het uitbreiden van de eerste verdieping aan de achterzijde, het wijzigen van de voor- en achtergevel en het maken van balkons aan de achtergevel van dat pand.

Bij besluit van 17 januari 2018 heeft het college het door [appellant A] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 september 2018 heeft de rechtbank het door [appellant A] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college en [appellant A] en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juli 2019, waar [appellant A] en anderen, bijgestaan door mr. E. Koornwinder, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd mr. S.J.C. Hocks, zijn verschenen. Ter zitting is tevens gehoord Downtown Property, vertegenwoordigd door [gemachtigde]. Aan de zijde van Downtown Property is tevens verschenen [eigenaar] van het pand.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het pand op het perceel is in gebruik als winkel/showroom en werkplaats. Downtown Property wil in het pand 12 units realiseren die verhuurd zullen worden aan expats en toeristen voor een periode van een week tot maximaal zes maanden.

    [appellant A] en anderen wonen in de directe omgeving van het pand en vrezen dat het gebruik van het pand voor een logiesfunctie hun woon- en leefklimaat zal aantasten.

2.    De relevante bepalingen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) en het bestemmingsplan zijn opgenomen in de bijlage die onderdeel is van deze uitspraak.

3.    Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Rivierenbuurt 2013" de bestemming "Wonen", met de functieaanduiding "detailhandel". Ingevolge artikel 18.3.1, aanhef en onder b, van de planregels is de maximale bouwhoogte aan de voorzijde van het perceel 10 m en aan de achterzijde van het perceel 4 m. Ingevolge artikel 18.3.1, aanhef en onder c, van de planregels mag ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - dakopbouw" op de plankaart een dakopbouw van maximaal 3,5 m hoogte gebouwd worden. Ingevolge artikel 23, onder b, van de planregels moet volgens de parkeernormen en kaart zoals opgenomen in de bijlage(n) van de regels ten behoeve van het parkeren of stallen van personenauto's ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

4.    De logiesfunctie is in strijd met de op het perceel rustende woonbestemming. Een dakopbouw is weliswaar toegestaan, maar omdat de beoogde dakopbouw voor de logiesfunctie wordt gebruikt, is het bouwen en gebruiken daarvan ook in strijd met de bestemming. Met de realisatie van het, bezien vanaf de straatzijde, rechter terras op de eerste verdieping aan de achterzijde van het pand wordt de ter plaatse geldende maximale bouwhoogte van 4 m overschreden. Omdat er op eigen terrein geen ruimte voor het parkeren en stallen van personenauto's wordt aangebracht, is het bouwplan op dit punt ook in strijd met het bestemmingsplan.

5.    Het college heeft toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor om de wijziging van het gebruik naar een logiesfunctie mogelijk te maken.

    Om realisering van de dakopbouw en het rechter terras op de eerste verdieping mogelijk te maken, heeft het college in het besluit van 3 augustus 2017 toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en eerste lid, van bijlage II van het Bor. Onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 16 januari 2018, waarin het verweerschrift van het college in bezwaar is ingelast, heeft het college in het besluit op bezwaar de afwijking van het bestemmingsplan voor het rechterterras op de eerste verdieping gebaseerd op artikel 4, aanhef en vierde lid, van bijlage II van het Bor.

    Om de strijd met de parkeernormen op te heffen, heeft het college toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1˚, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 25.2. aanhef en onder e, van de planregels.

Beoordeling van het hoger beroep

6.    [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de afdeling Stedenbouw en Planologie en de Welstandscommissie, die het college voorafgaand aan het nemen van het besluit van 3 augustus 2017 hebben geadviseerd, en de raad van de gemeente Den Haag niet juist zijn voorgelicht. Zij voeren daartoe aan dat deze afdelingen en de raad ervan uitgingen dat de aanvraag betrekking heeft op het wijzigen van een bedrijfspand en er dus niet van op de hoogte waren dat het pand een woonbestemming heeft.

6.1.    De afdeling Stedenbouw en Planologie heeft aanvankelijk, vanwege de aanwezigheid van een dakterras op de dakopbouw, een negatief advies over het bouwplan gegeven. Na aanpassing van het bouwplan heeft die afdeling positief geadviseerd. De afdeling was op de hoogte van de op het perceel rustende woonbestemming, aangezien in het eerste advies de toegelaten woonfunctie uitdrukkelijk is genoemd. Verder blijkt uit de stukken dat medewerkers van de afdeling Stedenbouw en Planologie aanwezig waren bij een bijeenkomst van het zogeheten Haags Initiatieven Team op 15 maart 2017, waar het bouwplan is besproken. Uit het verslag van die bijeenkomst blijkt dat tijdens de vergadering aan de orde is gekomen dat op het perceel een woonbestemming rust. In het negatieve advies van de afdeling Stedenbouw en Planologie wordt ook naar de bijeenkomst van 15 maart 2017 verwezen. Voor het oordeel dat de afdeling Stedenbouw en Planologie bij de beoordeling van het bouwplan een onjuiste voorstelling van zaken had, zoals [appellant A] en anderen stellen, bestaat dan ook geen grond.

    Daargelaten of de Welstandscommissie op de hoogte was van de op het perceel rustende woonbestemming, toetst deze commissie of een bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Het volgens het bestemmingsplan toegelaten gebruik of het feitelijke gebruik van het pand is daarbij niet relevant.

    Daargelaten of het college aan de raad de juiste informatie heeft verstrekt, geldt dat niet de raad, maar het college het bevoegde orgaan is om op de aanvraag te beslissen.

    Het betoog faalt.

7.    [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 4 van bijlage II van het Bor van het bestemmingsplan af te wijken. Zij voeren daartoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de eerste verdieping wordt vergroot en, aansluitend aan die uitbreiding, twee terrassen worden gerealiseerd. Hiermee wordt de maximaal toegestane bouwhoogte van 4 m overschreden. Zij voeren verder aan dat voor de uitbreiding van de eerste verdieping, de realisatie van de terrassen en de dakopbouw niet op de grondslag van artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor van het bestemmingsplan worden afgeweken, omdat de oppervlakte en het bouwvolume van het pand worden uitgebreid.

7.1.    Het realiseren van de uitbreiding van de eerste verdieping en het linker terras op de eerste verdieping is niet in strijd met de in artikel 18.3.1, aanhef en onder b, van de planregels opgenomen maximale bouwhoogte. Ter plaatse van de uitbreiding en dat terras geldt niet een maximale bouwhoogte van 4 m, maar van 10 m. Ter plaatse van een deel van het rechter terras geldt de maximale bouwhoogte van 4 m. De realisatie van dat terras is wel in strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft met toepassing van artikel 4, aanhef en vierde lid, van bijlage II van het Bor van het bestemmingsplan afgeweken. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college niet bevoegd was om op die grondslag voor het realiseren van het rechter terras van het bestemmingsplan af te wijken.

7.2.    De Afdeling overweegt voorts dat het college bevoegd was om voor het bouwplan op de grondslag van artikel 4, aanhef en eerste en vierde lid, van bijlage II van het Bor af te wijken van het bestemmingsplan en voor de wijziging van het gebruik van het pand voor een logiesfunctie op de grondslag van artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor af te wijken van het bestemmingsplan. De Afdeling wijst in dit verband op de Nota van toelichting bij het besluit tot wijziging van het Bor per 1 november 2014 (Stb. 2014, 333 p. 50-51) waarin, zoals de Afdeling ook heeft overwogen in de uitspraak van 22 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:744, is vermeld dat de verscheidende onderdelen van artikel 4 van bijlage II in één omgevingsvergunning gecombineerd kunnen worden toegepast. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

    Het betoog faalt.

8.    [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid van het bestemmingsplan heeft kunnen afwijken.

    Zij voeren daartoe aan dat het gebruik van het pand voor een logiesfunctie in strijd is met het geldende hotelbeleid, aangezien geen sprake is van een karaktervol pand of een locatie aan een plein en/of aanloopstraat en het perceel niet is gelegen in de binnenstad, hetgeen vereisten zijn in het beleid. Zij wijzen daarbij voorts op een brief van de wethouder van 23 mei 2017 over het beleid over onder meer tijdelijk verblijf op gronden met een woonbestemmingen. Zij voeren verder aan dat er strijd bestaat met de Huisvestingsverordening 2015-2019.

    Zij voeren verder aan dat zij overlast zullen ondervinden van het gebruik van het pand, waaronder de terrassen op de eerste verdieping. Volgens [appellant A] en anderen is een woonfunctie, die overeenkomstig het bestemmingsplan mogelijk is, niet te vergelijken met een logiesfunctie. Er zal sprake zijn van een constante wisseling van personen die zich niet betrokken voelen bij de omgeving. Het zal voornamelijk gaan om toeristen die een geheel ander dag- en nachtritme hebben dan 'reguliere' bewoners. Daarbij komt dat als het gebruik in overeenstemming met de bestemming gebruikt zou worden voor studentenhuisvesting er maximaal 12 studenten gehuisvest zouden worden, terwijl bij het voorgenomen gebruik is plaats is voor 28 personen.

    Zij voeren voorts aan dat het college waarde heeft gehecht aan een advies van de GGD waarin staat dat uit het oogpunt van een gezonde leefomgeving voor wonen niet geschikt is, terwijl in de buurt van het perceel allemaal woningen staan en in dezelfde straat bovendien een omgevingsvergunning is verleend voor 72 nieuwbouwwoningen.

8.1.    Het college heeft zich in het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat het gemeentelijk beleid erop is gericht om de logiesfunctie in de binnenstad en in de nabijheid van hotels te versterken. De locatie aan de Lekstraat past in dat beleid, aldus het college.

8.1.1.    Het door [appellant A] en anderen bedoelde hotelbeleid is de op 17 oktober 2013 door de raad vastgestelde de hotelstrategie Den Haag "Check in The Hague: Roomservice 2.0". Het college heeft ter zitting verklaard dat het dit beleid van de raad betrekt bij de beoordeling van aanvragen om omgevingsvergunning. Dat, naar [appellant A] en anderen aanvoeren, dit beleid niet op juiste wijze bekend is gemaakt, maakt, wat daar van zij, niet dat het college aan dat beleid geen betekenis heeft mogen hechten.

    In het hoofdstuk 'Beleid en ambitie voor de komende periode' wordt ingegaan op drie aspecten, namelijk clustering in toeristische gebieden, transformatie en het toevoegen van kwaliteit.

    Over de clustering in toeristische gebieden is onder meer vermeld:

"Uiteraard zijn er strategische locaties binnen de toeristische kerngebieden Binnenstad en Scheveningen, waar de gemeente de vestiging van een hotel actief wil stimuleren. Denk bijvoorbeeld aan karaktervolle panden, locaties aan pleinen en/of aanloopstraten. In de Binnenstad gaat het ook om de stationsomgevingen van Den Haag Centraal en Den Haag HS. Investeringen in hotelvastgoed leiden op die locaties vaker tot investeringen in gerelateerde sectoren. De gemeente wijst potentieel geïnteresseerde partijen actief op deze locaties. Het hotelaccount-management speelt hierbij een belangrijke rol. Transformatie naar een hotel kan de aanjager zijn voor de verdere ruimtelijk-economische ontwikkeling van het gebied (clustering, functiemenging, dubbelgebruik, combinatiebezoek, flexibiliteit in gebruik). De gemeente zal in deze gevallen het ruimtelijke beleid in de volle breedte toepassen. Concreet betekent dit (binnen de vigerende kaders): ruimte geven in bestemmingsplannen, functiewijzigingen mogelijk maken, passende grondprijzen vragen en gedifferentieerde parkeernormen hanteren."

    Over transformatie is vermeld:

"Vanuit een ruimtelijke optiek is het wenselijk dat initiatiefnemers waar mogelijk kiezen voor transformatie van bestaande, eventueel leegstaande bebouwing. Een specifieke categorie initiatieven betreft de omzetting van kantoren naar een hotel(bestemming). Vanuit het kantorenbeleid is deze omzetting in een aantal gevallen wenselijk. Toch zal de gemeente vanuit het functioneren van de hotelmarkt ook hier selectief mee omgaan. Ook hier ligt de nadruk op transformatie in de toeristische kerngebieden."

    Over de ambitie om kwaliteit toe te voegen is onder meer het volgende vermeld:

"Er is in de stad behoefte aan logiesaccommodaties die huiselijkheid en eigen stijl uitstralen ('boutique hotels'), bijzondere (thematische) hotels die een specifiek segment en doelgroep van de markt bedienen en hotelkamers met extra voorzieningen voor een wat langer verblijf (short-stay). De kernwoorden voor groei de komende tijd: kleinschalige formules, specifieke doelgroepen, onderscheidende concepten, gastvrijheid."

8.1.2.    Het college heeft zich in beroep en hoger beroep in reactie op het betoog van [appellant A] en anderen op het standpunt gesteld dat het volgens het hotelbeleid niet hoeft te gaan om een karaktervol pand of een locatie aan een plein en/of aanloopstraat. Van belang is dat het perceel is gelegen op nog geen 600 m afstand van het Centraal Station van Den Haag en het daarmee binnen het gebied 'Binnenstad' valt. Het college heeft er verder op gewezen dat het hier gaat om een de transformatie van een gebouw. Daarnaast is er volgens het college sprake van een bijzondere vorm van logies, die afwijkt van de meeste hotels. De kamers zijn in beginsel bedoeld voor mensen die daar voor een iets langere periode verblijven. Er wordt een aparte doelgroep aangesproken. Het plan voldoet aan het Haagse hotelbeleid, aldus het college.

    Gelet op deze door het college gegeven motivering, ziet de Afdeling in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan past in het hotelbeleid. De door [appellant A] en anderen vermelde brief van de wethouder van 23 mei 2017 geeft geen grond voor een ander oordeel. Hoewel uit die brief blijkt dat het college terughoudend is in het onttrekken van woningen aan de woningvoorraad voor gebruik als logies, betekent dit niet dat het beleid dit uitsluit. Het is aan het college om in een individueel geval te motiveren of het wel of niet van het bestemmingsplan wil afwijken.

8.1.3.    Wat betreft het betoog van [appellant A] en anderen over Huisvestingsverordening heeft de rechtbank terecht overwogen dat een toetsing daaraan in deze procedure niet aan de orde is. Deze toetst dient te worden verricht in een procedure inzake een op grond van de Huisvestingsverordening aan te vragen onttrekkingsvergunning. De Afdeling gaat daarom voorbij aan hetgeen [appellant A] en anderen hebben aangevoerd over de Huisvestingsverordening en de op 17 juni 2019 verleende onttrekkingsvergunning.

8.2.    Het college heeft zich in het besluit op bezwaar verder op het standpunt gesteld dat enige overlast nooit is uit te sluiten. Er is ook overlast te verwachten van bepaalde vormen van gebruik die binnen het geldende bestemmingsplan zonder meer zijn toegestaan, zoals studentenhuisvesting. De vrees van [appellant A] en anderen is daarom geen reden om de vergunning te weigeren, aldus het college.

8.2.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant A] en anderen geen omstandigheden hebben aangevoerd die tot de conclusie leiden dat het college niet in redelijkheid hun belangen minder zwaar heeft kunnen laten wegen dan het belang van Downtown Property. Op het perceel zijn in de bestaande situatie verschillende vormen van woongebruik toegestaan, waaronder studentenhuisvesting, die overlast zouden kunnen veroorzaken. Dat, zoals [appellant A] en anderen aanvoeren, er een verschil bestaat tussen het gebruik van het pand voor wonen en het gebruik voor een logiesfunctie heeft het college, zoals het ter zitting heeft bevestigd, onderkend. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat dit verschil zodanig is dat de vergunning had moeten worden geweigerd.

8.3.    Het college heeft zich in het besluit op bezwaar voorts op het standpunt gesteld dat, omdat er al vele jaren niet meer in het pand wordt gewoond, er minder gewicht wordt toegekend aan het niet realiseren van de woonfunctie die in het bestemmingsplan is opgenomen. In het besluit is voorts vermeld dat daarbij ook de kwaliteit van de leefomgeving (verkeerslawaai en luchtverontreiniging) van belang wordt geacht.

8.3.1.    In het door [appellant A] en anderen bedoelde advies van de GGD is onder meer vermeld dat de Lekstraat uit oogpunt van een gezonde leefomgeving als woonlocatie minder geschikt is.

8.3.2.    Het college heeft in redelijkheid minder gewicht kunnen toekennen aan het belang van het behoud van de woonfunctie dan aan het belang van Downtown Property bij realisering van het bouwplan. Daarbij heeft het naar het oordeel van de Afdeling kunnen betrekken dat in het pand al meer dan tien jaar niet wordt gewoond. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college daarbij niet ook het advies van de GGD heeft kunnen betrekken. Dat er in de omgeving van het pand woningen staan en nieuwe woningen zullen worden gebouwd en, naar [appellant A] en anderen stellen, de bewoners geen gezonde leefomgeving hebben, maakt dat niet anders.

8.4.    Gelet op het voorgaande heeft het college in zoverre in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo van het bestemmingsplan af te wijken.

    Het betoog faalt.

9.    Het betoog van [appellant A] en anderen dat de rechtbank heeft miskend dat het college in een ander geval, aan de Scheepmakersstraat, geen medewerking heeft willen verlenen aan de wijziging van het gebruik van wonen naar logies, en het daarom ook in het onderhavige geval medewerking moet weigeren, faalt. Van gelijke gevallen is geen sprake, reeds omdat in dat geval in het pand in de bestaande situatie feitelijk sprake was van bewoning. Het college heeft in dat geval meer gewicht toegekend aan het behoud van de wooneenheden in dat pand dan aan het belang van de aanvrager bij het realiseren van een logiesfunctie.

10.    [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen afwijken van de in het bestemmingsplan opgenomen eis dat er op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid is. Zij voeren daartoe aan dat het college ten onrechte de norm voor een hotel heeft gebruikt. Zij voeren verder aan dat het college bij de beoordeling van de vraag of die parkeerplaatsen in de omgeving kunnen worden opgevangen ten onrechte is uitgegaan van gedateerde gegevens over de parkeerdruk in de wijk.

10.1.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de parkeerbehoefte voor het bouwplan (afgerond) vier parkeerplaatsen is. Omdat het gemeentelijk parkeerbeleid geen norm voor een logiesfunctie kent, heeft het aangesloten bij de norm voor een hotel. De benodigde vier parkeerplaatsen zijn niet beschikbaar op eigen terrein. Volgens het parkeerbeleid kunnen, indien de parkeerdruk van een project onder de 80% ligt, de benodigde parkeerplaatsen aan de openbare weg worden toegewezen, aldus het college. In dit geval is de parkeerdruk in de omgeving, zoals blijkt uit tellingen uit 2015, 40%. Het college heeft om die reden aanleiding gezien van artikel 23, onder b, van de planregels af te wijken.

10.2.    Bij de beoordeling van de vraag of het bouwplan voldoet aan artikel 23, onder b, van de planregels heeft het college toepassing gegeven aan de door de raad op 10 november 2011 vastgestelde en op 3 maart 2016 gewijzigde nota Parkeernormen Den Haag.

    In het beleid wordt uitgegaan van een parkeernorm voor een hotel in de binnenstad van 0,25 parkeerplaats per kamer (voor de gasten) en 0,1 parkeerplaats per 100 m² bvo (voor het personeel).

    In het beleid is verder vermeld dat in beginsel de parkeerbehoefte op eigen terrein moet worden opgelost. Onder bepaalde omstandigheden wordt toegestaan dat parkeerplaatsen op de openbare straat benut worden om te voorzien in de parkeerbehoefte. Dat is afhankelijk van de parkeerdruk in de omgeving volgens de meest recente meting en van de toe- of afname in de parkeerdruk als gevolg van de ontwikkeling. Wanneer de parkeerdruk in de bestaande situatie onder de 80% ligt, mag de openbare straat worden benut om de parkeerbehoefte te faciliteren. In het beleid staat verder dat de gegevens ten behoeve van de bepaling van de parkeerdruk in de omgeving van een bouwplan niet meer dan vijf jaar oud mogen zijn, gerekend vanaf de datum van de aanvraag. Het zorgvuldigheid- en motiveringsbeginsel vergen dan een nadere motivering waarom van die gegevens gebruik wordt gemaakt. Daarvoor kan aanleiding bestaan als belanghebbenden stellen dat sprake is van gewijzigde omstandigheden of omdat de gemeente het zelf nodig vindt het gebruik te motiveren omdat de gegevens in tijd sterk verouderd zijn.

10.3.    In het beleid staat geen parkeernorm voor een logiesfunctie. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid aansluiting heeft kunnen zoeken bij de in het beleid opgenomen parkeernorm voor een hotel. De Afdeling betrekt daarbij dat de norm voor een hotel, naast de parkeerbehoefte voor de gasten, ook de parkeerbehoefte voor het personeel, bevat. In het pand is echter geen personeel aanwezig. Ter zitting heeft Downtown Property voorts aangegeven dat zij een garage heeft gehuurd, waarvan de gebruikers van de units zo nodig gebruik kunnen maken.

    Er bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat het college bij de beoordeling of de benodigde parkeerplaatsen aan de openbare weg kunnen worden toegewezen niet van parkeertellingen uit 2015 heeft kunnen uitgaan. Volgens het beleid mogen gegevens ten behoeve van de bepaling van de parkeerdruk in de omgeving van een bouwplan niet meer dan vijf jaar oud zijn, gerekend vanaf de datum van de aanvraag, tenzij, kort gezegd, sprake is van gewijzigde omstandigheden. De tellingen waren ten tijde van het indienen van de aanvraag in mei 2017 nog geen vijf jaar oud. Zoals de rechtbank heeft overwogen, hebben [appellant A] en anderen niet onderbouwd gesteld dat de parkeerdruk sindsdien is gewijzigd en de tellingen om die reden niet meer gebruikt mochten worden.

    Het betoog faalt.

11.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Van Ravels    w.g. Pieters

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2019

473.

 

BIJLAGE

 

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

[…],

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

[…].

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

1˚met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2˚ in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

[…].

Besluit omgevingsrecht

Artikel 4

Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:

    a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw     van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,

    b. de oppervlakte niet meer dan 150 m2;

[…];

4. een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw;

[…];

9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;

Bestemmingsplan "Rivierenbuurt 2013"

Artikel 18.1

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, een en ander met de daarbij behorende hoofdgebouwen, aan- en bijgebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, wegen, groen, water en overige voorzieningen.

Artikel 18.2

Daar waar op de kaart door middel van een functieaanduiding is aangegeven dat een afwijkende bestemming is toegestaan, zijn op deze gronden tevens gebouwen ten behoeve van deze bestemming, aan- en bijgebouwen en in deze bestemming passende andere bouwwerken toegestaan:

a. ter plaatse van de functieaanduiding "dh" is detailhandel, toegestaan;

[…].

Artikel 18.3.1

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

a. de hoofdgebouwen moeten zich bevinden binnen het op de plankaart aangegeven bebouwingsvlak;

b. de goot- en/of bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan op de plankaart staat aangegeven;

c. in uitzondering hierop mag ter plaatse van de "specifieke bouwaanduiding - dakopbouw" [sba-dob] een dakopbouw van maximaal 3,5 m hoogte gebouwd worden;

[…].

Artikel 23

a. […];

b. Indien de ligging, de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet volgens de parkeernormen en kaart zoals opgenomen in de bijlage(n) van de regels ten behoeve van het parkeren of stallen van personenauto's, fietsen en bromfietsen alsook voor het laden of lossen van goederen, ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort;

c. […].

Artikel 25.2

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bepalingen van het plan ten behoeve van:

[…];

e. parkeernormen die gehanteerd worden voor het parkeren of stallen van auto's, fietsen, bromfietsen en voor het laden en lossen van goederen, indien:

1. op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien;

2. nadere besluitvorming ten aanzien van het parkeerbeleid en/of parkeernormen aanleiding geeft om af te wijken van de in de bijlage van de regels opgenomen parkeernormen;

3. het voldoen aan de parkeernormen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, tot welke bijzondere omstandigheden in elk geval worden gerekend een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte gebruikers of bezoekers van het gebouw;

[…].