Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2526

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2019
Datum publicatie
24-07-2019
Zaaknummer
201802458/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 31 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3554, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin geconstateerde gebreken in het besluit van 18 december 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Engh-Laarderweg 150" te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201802458/2/R1.

Datum uitspraak: 24 juli 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Bussum, gemeente Gooise Meren,

en

de raad van de gemeente Gooise Meren,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 31 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3554, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin geconstateerde gebreken in het besluit van 18 december 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Engh-Laarderweg 150" te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij beschikking van 28 maart 2019 heeft de Afdeling de hersteltermijn verlengd tot 24 april 2019.

Bij besluit van 3 april 2019 heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld.

[appellant] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, zijn zienswijze over de wijze waarop de gebreken volgens de raad zijn hersteld naar voren gebracht.

In verband met de wijziging van de samenstelling van de zittingskamer zijn partijen gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord. De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft nadat de raad en [appellant] toestemming hebben gegeven om een nadere zitting achterwege te laten.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Over het besluit van 18 december 2017

1.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat aan het besluit van 18 december 2017 een aantal gebreken kleeft. In de eerste plaats is, onder 7.1, overwogen dat niet voldoende is gewaarborgd dat binnen het plandeel met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" een geluidwerende voorziening wordt aangelegd en in stand gehouden. Ten tweede is, onder 8.2, overwogen dat de raad niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom als gevolg van het gebruik van het plandeel met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van verkeer - standplaats" ten behoeve van standplaatsen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden is verzekerd.

2.    Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen is het beroep tegen het besluit van 18 december 2017 gegrond. Dit besluit dient wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te worden vernietigd, voor zover het ziet op het plandeel met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied", het plandeel met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van verkeer - standplaats" en artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder e, van de planregels.

Over het besluit van 3 april 2019

3.    Ter voldoening aan de opdracht in de tussenuitspraak heeft de raad het plan gewijzigd vastgesteld. Artikel 3, lid 3.3.3, is aan de planregels toegevoegd. Deze nieuwe bepaling luidt: "Het gebruik van de gronden en gebouwen binnen deze bestemming ten behoeve van detailhandel, waaronder een supermarkt, is uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat uiterlijk binnen één jaar na ingebruikname van betreffende gronden en/of gebouwen, op de grens van de bestemmingsvlakken 'Gemengd' en 'Verkeer - Verblijfsgebied', voor zover grenzend aan de percelen Lange Heul 10 t/m 28 (even), een geluidwerende voorziening met een hoogte van ten minste 2 meter aanwezig is danwel is opgericht en in stand wordt gehouden."

    Daarnaast heeft de raad het besluit van 18 december 2017 nader gemotiveerd. Daartoe zijn de paragrafen 4.10 en 4.11 van de plantoelichting aangepast. In paragraaf 4.11 staat dat standplaatsen voor ambulante handel een beperkte ruimtelijke impact op de omgeving hebben, nu de wagens of kramen waaruit verkoop plaatsvindt verplaatsbaar zijn en vaak slechts een dag of dagdeel per week op één locatie staan. Voorts vermeldt de plantoelichting dat een standplaats voor ambulante handel weliswaar niet expliciet voorkomt in de bedrijvenlijst van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009 (hierna: de VNG-brochure), maar de VNG-brochure wel de activiteiten 'detailhandel vlees, wild, gevogelte, met roken, koken, bakken', 'detailhandel brood en banket met bakken voor eigen winkel' en 'restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons, viskramen' kent. Voornoemde categorieën zijn wat betreft activiteiten en mogelijke hinder vergelijkbaar met de activiteiten die plaatsvinden in een wagen of kraam voor ambulante detailhandel, aldus de plantoelichting.

Het beroep van rechtswege van [appellant] tegen het besluit van 3 april 2019

4.    Het besluit van 3 april 2019 is een besluit tot wijziging van het oorspronkelijke bestreden besluit en is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb onderdeel van dit geding. Het beroep van [appellant] is van rechtswege gericht tegen het besluit van 3 april 2019. De Afdeling zal wat [appellant] in zijn zienswijze tegen dat besluit naar voren heeft gebracht, aanmerken als de gronden van zijn beroep van rechtswege.

Geluid

5.    [appellant] heeft over de voorwaardelijke verplichting in artikel 3, lid 3.3.3, van de planregels geen zienswijze naar voren gebracht. De Afdeling leidt daaruit af dat hij in zoverre geen bezwaren heeft tegen het besluit van 3 april 2019.

Geur

6.    [appellant] betoogt dat met de nadere motivering in paragraaf 4.10 en paragraaf 4.11 van de plantoelichting het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek met betrekking tot het plandeel met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van verkeer - standplaats" niet is hersteld. [appellant] stelt dat hij vreest voor geuroverlast als gevolg van de vestiging van patat-, loempia- of oliebolkramen. Daarom heeft de raad ten onrechte niet in de planregels geregeld dat het gebruik van een standplaats waarbij bakactiviteiten plaatsvinden, zoals bij patat-, loempia- of oliebolkramen, niet is toegestaan.

6.1.    De raad heeft wat betreft het aspect geur aansluiting gezocht bij de vergelijkbare activiteiten zoals genoemd in de VNG-brochure. De raad heeft toegelicht dat op basis daarvan een standplaats in milieucategorie 1 valt, waarbij in een rustige woonwijk een richtafstand van 10 m hoort. De Afdeling stelt vast dat de afstand van de grens van het plandeel met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" met de functieaanduiding "specifieke vorm van verkeer - standplaats" tot de gevel van de woning van [appellant] ongeveer 15 m bedraagt. Dit betekent dat wordt voldaan aan de aanbevolen richtafstand van 10 m voor het aspect geur uit de VNG-brochure. [appellant] heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan desondanks moet worden geoordeeld dat ter plaatse van zijn woning sprake zal zijn van een aantasting van zijn woon- en leefklimaat in de zin van geuroverlast. Gelet hierop heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet voor onaanvaardbare geurhinder behoeft te worden gevreesd ter plaatse van de woning van [appellant]. Op grond van artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder e, van de planregels zijn maximaal twee standplaatsen toegestaan. Voor een uitsluiting van het gebruik van standplaatsen ten behoeve van bakactiviteiten heeft de raad, gelet op het voorgaande, geen aanleiding hoeven zien.

    Het betoog faalt.

Privacy, overlast en lichthinder

7.    [appellant] voert aan dat als gevolg van de plandelen met de bestemming "Gemengd" en "Verkeer-Verblijfsgebied" zijn privacy wordt aangetast, overlast ontstaat door hangjongeren en hinder door inschijnende koplampen optreedt.

7.1.     Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat de plandelen met de bestemming "Gemengd" en "Verkeer-Verblijfsgebied" en de sloop van het pand direct grenzend aan zijn achtertuin leiden tot een aantasting van zijn privacy, overweegt de Afdeling als volgt. Gelet op de uitbreiding van de DEEN-supermarkt, de uitbreiding van de dagwinkels binnen het plandeel met de bestemming "Gemengd" en de realisatie van een parkeerterrein binnen het plandeel met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied", is het aannemelijk dat het plan in enige mate gevolgen zal hebben voor de privacy van [appellant]. Deze gevolgen zijn naar het oordeel van de Afdeling echter niet zodanig dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aantasting aanvaardbaar is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de thans voorgeschreven geluidwerende voorziening een hoogte kent van ten minste 2 m. Deze geluidwerende voorziening heeft daarmee eveneens een functie ter bescherming van de privacy. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "De Engh" op deze locatie reeds bouwmogelijkheden bestonden en de ontwikkeling is voorzien in een stedelijke omgeving.

    Wat betreft de overlast van hangjongeren overweegt de Afdeling dat, zoals zij reeds eerder heeft overwogen in haar uitspraken van 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:813, en van 20 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2026, de vrees voor overlast van hangjongeren, voor zover dat in strijd met de openbare orde gebeurt, een kwestie is van handhaving die in deze procedure niet aan de orde kan komen.

    Ten aanzien van de vrees voor lichthinder van inschijnende koplampen als gevolg van het voorziene parkeerterrein, overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" niet leidt tot onaanvaardbare lichthinder ter plaatse van de woning van [appellant]. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de geluidwerende voorziening eveneens voorkomt dat het licht van de koplampen rechtstreeks kan doordringen in de woning.

    Het betoog faalt.

Conclusie ten aanzien van het besluit van 3 april 2019

8.    Het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 3 april 2019 is ongegrond.

Proceskosten

9.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Gooise Meren van 18 december 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Engh-Laarderweg 150" gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Gooise Meren van 18 december 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Engh-Laarderweg 150", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied", het plandeel met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van verkeer - standplaats" en artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder e, van de planregels;

III.    verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Gooise Meren van 3 april 2019 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "De Engh-Laarderweg 150" ongegrond;

IV.    veroordeelt de raad van de gemeente Gooise Meren tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 768,00 (zegge: zevenhonderdachtenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V.    gelast dat de raad van de gemeente Gooise Meren aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

w.g. Helder    w.g. Van Loo

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2019

418-889.