Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2522

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2019
Datum publicatie
24-07-2019
Zaaknummer
201806271/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 augustus 2017 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor onder meer het veranderen van de inrichting aan de [locatie 1] te Ter Aar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2019/277 met annotatie van Meijden, D. van der
JM 2019/111 met annotatie van Bokelaar, P.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806271/1/A1.

Datum uitspraak: 24 juli 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 juni 2018 in zaak nr. 17/6551 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop.

Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2017 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor onder meer het veranderen van de inrichting aan de [locatie 1] te Ter Aar.

Bij uitspraak van 12 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juli 2019, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. C.J.R. Binsbergen, advocaat te Alphen aan den Rijn, en ing. H.P.L. Beijersbergen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [belanghebbende] exploiteert aan de [locatie 1] een pluimveehouderij met meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee. Tot de inrichting behoren drie pluimveestallen. Bij twee van die stallen is een mestopslagplaats aanwezig. De bij het besluit van 10 augustus 2017 vergunde verandering van de inrichting betreft deze twee mestopslagplaatsen. Vergunning is verleend voor het wijzigen van de mestopslagplaats bij stal 3 in een afgesloten mestopslagloods voor langdurige opslag van mest. Verder is vergunning verleend voor een afgesloten mestopslagloods voor langdurige opslag van mest bij stal 4. De op die locatie aanwezige mestopslagplaats was voorheen zonder vergunning in werking.

    [appellant] woont nabij de pluimveehouderij, aan de [locatie 2]. Hij kan zich niet verenigen met de vergunningverlening in verband met de emissie van ammoniak en de risico’s voor de gezondheid.

2.    Behalve voor de activiteit ‘veranderen van een inrichting’, heeft het college bij het besluit van 10 augustus 2017 voor het overkappen van de mestopslagplaatsen ook vergunning verleend voor de activiteit ‘bouwen’. Het geschil heeft echter geen betrekking op die activiteit.

Regelgeving

3.    De relevante regelgeving is opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Het geding

4.    De verleende omgevingsvergunning heeft betrekking op de langdurige opslag van mest in de twee mestopslagloodsen. In hoger beroep is de uitspraak van de rechtbank over deze omgevingsvergunning voorwerp van het geding. De Afdeling dient de juistheid van die uitspraak te beoordelen, voor zover daartegen gronden zijn aangevoerd. De door [appellant] opgeworpen kwesties die niet de verleende omgevingsvergunning en de rechtbankuitspraak betreffen, laat de Afdeling daarom buiten beschouwing.

Ammoniak

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de ammoniakuitstoot door de langdurige opslag van mest met 50% toeneemt en dat daarom niet de best beschikbare technieken (hierna: bbt) worden toegepast. Volgens [appellant] is het aanbrengen van luchtwassers in de mestopslagloodsen de best beschikbare techniek om deze emissie te beperken en had het college die techniek moeten voorschrijven.

5.1.    Uit artikel 3.65, achtste lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer volgt dat het langdurig opslaan van pluimveemest moet plaatsvinden boven een vloeistofkerende voorziening in een afgesloten ruimte met voldoende ventilatie. Ook in de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij (PB 2017, L 43) staat dat pluimveemest tijdens de opslag moet worden afgedekt. 

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2736, worden in een veehouderij de bbt ter voorkoming of beperking van ammoniakemissie toegepast, wanneer de maximale emissiewaarden, bedoeld in het Besluit emissiearme huisvesting, niet worden overschreden. Niet in geschil is dat de pluimveehouderij aan de maximale emissiewaarden voldoet.

    De Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij van 25 juni 2007 is opgenomen in de bijlage behorende bij artikel 9.2 van de Regeling omgevingsrecht. De Beleidslijn heeft betrekking op de ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij uit te voeren omgevingstoetsing. Die toetsing kan ertoe leiden dat in verband met lokale milieuomstandigheden strengere emissie-eisen aan de vergunning moeten worden verbonden dan de eisen die volgen uit de toepassing van de bbt. De Beleidslijn is echter alleen van toepassing indien de pluimveehouderij uitbreidt in aantal dieren. Aangezien de vergunningaanvraag niet een uitbreiding van het aantal dieren betreft, kan in dit geval volgens de Beleidslijn worden volstaan met het toepassen van de bbt.

5.2.    Zoals de rechtbank heeft overwogen, zou het voorschrijven van luchtwassers neerkomen op het stellen van hogere eisen dan de bbt. Voor het oordeel dat in dit geval niet met het toepassen van de bbt kon worden volstaan, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien. De Afdeling wijst er daarbij op dat uit het vereiste dat in de inrichting de bbt worden toegepast niet volgt dat alle mogelijke maatregelen moeten worden getroffen die bijdragen aan een reductie van de ammoniakemissie.

5.3.    Het betoog faalt.

6.    Ter zitting heeft [appellant] gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, die gaat over de toepassing van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Voor zover [appellant] betoogt dat uit die uitspraak volgt dat het PAS aan verlening van de omgevingsvergunning in de weg staat, slaagt dat betoog niet. Het PAS heeft betrekking op de stikstofproblematiek in Natura 2000-gebieden. Bij vergunningverlening krachtens de Wet natuurbescherming werd volgens de uitspraak van 29 mei 2019 ten onrechte toepassing gegeven aan het PAS. Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland heeft bij besluit van 10 maart 2017 een vergunning krachtens de Wet natuurbescherming verleend voor de pluimveehouderij met de twee mestopslagloodsen. Die vergunning, die inmiddels onherroepelijk is, en het PAS liggen nu niet ter beoordeling voor.

Gezondheidsrisico’s

7.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet voldoende is ingegaan op de risico’s voor de gezondheid en heeft nagelaten om het college op te dragen meer aandacht aan die risico’s te besteden.

7.1.    De rechtbank heeft overwogen dat het college in het bestreden besluit voldoende is ingegaan op het aspect gezondheid en de verschillende gezondheidsrisico’s. Zo heeft het college naar aanleiding van de zienswijzen de GGD gevraagd advies uit te brengen over de gezondheidseffecten in de omgeving. De rechtbank wijst erop dat het college met betrekking tot de gezondheidsaspecten een aantal extra voorschriften aan de verleende omgevingsvergunning heeft verbonden. Deze zien op de opslag en behandeling van pluimveemest.

7.2.    De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college het aspect volksgezondheid op onjuiste of ontoereikende wijze heeft beoordeeld. [appellant] heeft niet met algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten aannemelijk gemaakt dat het langdurig opslaan van pluimveemest in de mestopslagloodsen tot zodanige gezondheidsrisico’s leidt, dat het college de vergunning had moeten weigeren of daaraan nadere voorschriften had moeten verbinden.

7.3.    Het betoog faalt.

Deskundige

8.    Anders dan [appellant] betoogt, bestaat ten slotte geen grond voor het oordeel dat de rechtbank gebruik had moeten maken van haar bevoegdheid om een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek.

Conclusie

9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier.

w.g. Drop    w.g. Visser

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2019

148.

 

BIJLAGE

 

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 1.1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

beste beschikbare technieken: voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu meest doeltreffende technieken om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu, die een inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken, die - kosten en baten in aanmerking genomen - economisch en technisch haalbaar in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort, kunnen worden toegepast, en die voor degene die de inrichting drijft, redelijkerwijs in Nederland of daarbuiten te verkrijgen zijn;

[…].

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

[…],

e. […],

2°. het veranderen of veranderen van de werking

[…]

van een inrichting […],

[…].

Artikel 2.14

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e:

[…]

c. neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht:

1°. dat in de inrichting […] ten minste de voor de inrichting […] in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast;

[…].

6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de voor een inrichting […] in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden bepaald. Daarbij kan worden bepaald dat de gestelde regels slechts gelden in gevallen die behoren tot een daarbij aangewezen categorie.

[…].

Wet ammoniak en veehouderij

Artikel 3

1. Bij beslissingen inzake de omgevingsvergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij betrekt het bevoegd gezag de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7.

[…]

3. Het eerste lid geldt evenmin voor het weigeren van de omgevingsvergunning op de grond dat door verlening daarvan niet aan artikel 2.14, eerste lid, onder c, onder 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan worden voldaan en voor voorschriften die met toepassing van het bepaalde krachtens artikel 2.22, derde lid, van die wet of artikel 1.3c of 8.40 van de Wet milieubeheer worden gesteld om te bereiken dat in de veehouderij tenminste de voor de veehouderij in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. […]. Voor zover de voorschriften betrekking hebben op IPPC-installatie wordt de vergunning eveneens geweigerd indien niet kan worden voldaan aan voorschriften die vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de installatie of vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden moeten worden gesteld, maar die niet met toepassing van de in aanmerking komende beste beschikbare technieken kunnen worden gerealiseerd.

Besluit emissiearme huisvesting

Artikel 5

1. Degene die een inrichting drijft waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, past in een dierenverblijf voor […], de hoofdcategorie kippen en  […] geen huisvestingssystemen toe met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak die voor een tot die hoofdcategorieën behorende diercategorie is vermeld in bijlage 1, […].

Besluit omgevingsrecht

Artikel 1.1 Definities

1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

BBT-conclusies: document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde lid en zevende lid, van de EU-richtlijn industriële emissies;

[…].

Artikel 5.4 Bepalen van de beste beschikbare technieken

1. Het bevoegd gezag houdt bij de bepaling van de voor een inrichting of met betrekking tot een lozing in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met BBT-conclusies en bij ministeriële regeling aangewezen informatiedocumenten over beste beschikbare technieken.

[…].

Regeling omgevingsrecht

Art. 9.2

Het bevoegd gezag, […], houdt bij de bepaling van de voor de inrichting […] in aanmerking komende beste beschikbare technieken […] rekening met de relevante BBT-conclusies en Nederlandse informatiedocumenten over beste beschikbare technieken, die zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage.

Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 3.48

Bij het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico alsmede ten behoeve van het voorkomen van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam, voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Activiteitenregeling milieubeheer

Artikel 3.65

[…]

8. Indien pluimveemest op een locatie gedurende een half jaar of langer wordt opgeslagen, vindt het opslaan plaats boven een vloeistofkerende voorziening in een afgesloten ruimte met voldoende ventilatie. […].