Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2520

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2019
Datum publicatie
24-07-2019
Zaaknummer
201806929/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 december 2017 heeft de burgemeester [appellant] op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) een huisverbod van 26 december 2017 tot 5 januari 2018 opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806929/1/A3.

Datum uitspraak: 24 juli 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 juli 2018 in zaak nr. C/09/545617 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Pijnacker-Nootdorp.

Procesverloop

Bij besluit van 26 december 2017 heeft de burgemeester [appellant] op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) een huisverbod van 26 december 2017 tot 5 januari 2018 opgelegd.

Bij besluit van 5 januari 2018 (hierna: het verlengingsbesluit) heeft de burgemeester het huisverbod verlengd tot 23 januari 2018.

Bij uitspraak van 12 juli 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen beide besluiten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.M.G. Hulsman, advocaat te Delft, en de burgemeester, vertegenwoordigd door A.M. Boerman en M. van Zeldert, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Voor het huisverbod van 26 december 2017 woonde [appellant] samen met zijn toenmalige [echtgenote] en hun destijds minderjarige [dochter] in de woning aan de [locatie] te Pijnacker. Thans zijn [appellant] en [echtgenote] gescheiden en woont [appellant] in [woonplaats]. Op 26 december 2017 heeft er in de middag in de woning een incident plaatsgevonden tussen enerzijds [appellant] en anderzijds [echtgenote] en [dochter].

    Bij het besluit van 26 december 2017 om 18:56 uur heeft de burgemeester [appellant] een huisverbod van tien dagen opgelegd. Het huisverbod houdt in dat [appellant] de woning onmiddellijk dient te verlaten en van 26 december 2017 om 18:56 uur tot 5 januari 2018 om 18:56 uur niet mag betreden. Aan het huisverbod heeft de burgemeester het Risico-taxatie instrument Huiselijk Geweld (hierna: RiHG) van 26 december 2017 ten grondslag gelegd dat ingevuld is door een hulpofficier van justitie. Het besluit vermeldt dat [appellant] [dochter] op 26 december 2017 heeft geslagen en haar met een stoel heeft bedreigd. In de afgelopen vier jaar zijn er binnen het gezin veel ruzies geweest over de opvoeding van [dochter]. [echtgenote] en [dochter] voelen zich niet veilig in de woning samen met [appellant]. Het huisverbod is wenselijk om de rust in de woning terug te laten keren. Het besluit vermeldt verder dat [appellant] in zijn nieuwe woning in [woonplaats] kan verblijven. Uit het proces-verbaal van verhoor volgt dat [appellant] op 26 december 2017 door de politie is verhoord en dat het verhoor omstreeks 20:41 uur is beëindigd. Bij het verlengingsbesluit heeft de burgemeester het huisverbod verlengd met achttien dagen tot 23 januari 2018 om 18:56 uur. Het verlengingsbesluit vermeldt dat [echtgenote] en [dochter] een herhaling van geweld vrezen en dat met [appellant] nog geen voldoende betrouwbare veiligheidsafspraken zijn gemaakt.

Hoger beroep

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn aanwezigheid in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van [echtgenote] en [dochter]. Daartoe stelt [appellant] dat de verklaringen van [echtgenote] en [dochter] dat hij tijdens een ruzie in de woning zou hebben gedreigd met geweld tegenstrijdig zijn. Bovendien is de verklaring van [dochter] dat zij naar de woonkamer is gekomen om haar moeder te beschermen tegenstrijdig met haar verklaring dat zij bang voor hem is. [appellant] heeft tijdens de ruzie juist de-escalerend gehandeld door zich in zijn kamer in de woning terug te trekken. [appellant] stelt dat het RiHG zodanig is opgesteld dat het met vooringenomenheid wordt ingevuld. De politie heeft hem ten onrechte als pleger aangemerkt nadat hij niet zou hebben meegewerkt aan zijn verhoor over de gestelde bedreiging. De politie heeft hem tijdens zijn verhoor onder druk gezet. Daardoor en omdat [appellant] in zijn land van herkomst traumatische ervaringen met de politie heeft opgedaan heeft hij niet adequaat gereageerd. Volgens [appellant] dienen [echtgenote] en [dochter] juist als plegers van het geweld te worden gezien en wilden zij hem wegpesten. Verder heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de inbreuk op zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) proportioneel en gerechtvaardigd is. Daarnaast heeft de rechtbank miskend dat het opleggen van een huisverbod niet nodig was, omdat hij in zijn nieuwe woning in [woonplaats] kon verblijven. Ook heeft de rechtbank miskend dat er ten tijde van de verlenging van het huisverbod geen dreiging van geweld was of een ernstig vermoeden daarvan. [appellant] heeft geen contact gezocht met [echtgenote] en [dochter] en hij is niet naar de woning gegaan. Hij heeft daarentegen meegewerkt aan hulpverlening. [appellant] heeft de Afdeling verzocht de burgemeester te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden als gevolg van het opleggen van het huisverbod en de verlenging van het huisverbod.

2.1.    Artikel 1, aanhef en onder b, van de Wth luidt: "In deze wet wordt verstaan onder huisverbod: beschikking houdende een last tot het onmiddellijk verlaten van een bepaalde woning en een verbod tot het betreden van, zich ophouden bij of aanwezig zijn in die woning en een verbod om contact op te nemen met degenen die met de persoon tot wie de beschikking is gericht in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven."

    Artikel 2, eerste lid, luidt: "De burgemeester kan een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. […]"

    Artikel 6, tweede lid, luidt: "De rechter betrekt bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod."

    Artikel 9, eerste lid, luidt: "De burgemeester kan een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet. De artikelen 2, vierde lid, en 6 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing."

2.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in haar uitspraken van 22 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:749 en van 27 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3225), is het opleggen van een huisverbod een ingrijpend instrument waarvan de toepassing zeer grote gevolgen heeft voor het privéleven van betrokkenen. De bevoegdheid daartoe is beperkt tot situaties waarin voldoende grond aanwezig is om aan te nemen, althans ernstig te vermoeden, dat zich een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen voordoet. Indien dat het geval is, moet de burgemeester zorgvuldig overwegen of aanwending van de bevoegdheid aangewezen is. De rechter beoordeelt of de aangevoerde omstandigheden van dien aard waren, dat in het voorliggende geval een bevoegdheid tot oplegging van een huisverbod bestond. Indien dat het geval is, wordt de afweging van de burgemeester door de bestuursrechter terughoudend getoetst. Gelet op de aard van een huisverbod, dat altijd in spoedeisende situaties wordt opgelegd, is niet vereist dat de juistheid van de aan het huisverbod ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden onomstotelijk vaststaat. Voldoende is dat aannemelijk is dat die feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan en een ernstig en onmiddellijk gevaar, dan wel een ernstig vermoeden van een dergelijk gevaar, voor de in het besluit genoemde personen opleveren.

2.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1408) strekt het huisverbod blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wth ertoe in de gegeven noodsituatie escalatie te voorkomen en hulp te bieden. Het huisverbod moet worden gezien als een bestuurlijke maatregel, die kan worden ingezet wanneer zich geen strafbare feiten hebben voorgedaan, maar er situaties zijn ontstaan waarbij er acute en dringende behoefte bestaat aan het creëren van een afkoelingsperiode om escalatie te voorkomen (Kamerstukken II 2005/06, 30 657, nr. 3, blz. 2).

    Op 26 december 2017 heeft zich een incident in de woning voorgedaan waarvoor de politie [appellant] in de woning heeft aangehouden. Uit het proces-verbaal van aanhouding volgt dat [echtgenote] aan de verbalisant heeft verklaard dat zij ruzie had met [appellant]. [dochter] is tussen hen beiden gestapt waarna zij is weggeduwd door [appellant]. Volgens [echtgenote] is [dochter] bedreigd door [appellant] die een stoel heeft opgetild en de stoel in een bedreigende beweging boven zijn hoofd hield. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de politie van 26 december 2017 volgt dat [dochter] heeft verklaard dat zij in haar slaapkamer haar ouders ruzie hoorde maken. Toen zij in de woonkamer was, pakte haar vader een stoel, hield die stoel omhoog en wilde hij die stoel naar haar toe gooien. Haar moeder kon dat voorkomen. Verder heeft [dochter] verklaard dat haar vader haar heel hard op haar linker bovenbeen heeft gestompt en dat dat heel erg pijn deed. In het proces-verbaal van bevindingen staat verder dat de verbalisant geen zichtbaar letsel op het linker been van [dochter] heeft waargenomen. Er waren geen rode en of blauwe plekken op haar linker been te zien.

    De burgemeester heeft zich op het standpunt mogen stellen dat er een dringende behoefte bestond aan een afkoelingsperiode om escalatie te voorkomen en om de hulpverlening op te kunnen starten. Daarbij is van belang dat de verklaringen van [echtgenote] en [dochter] dat [appellant] [dochter] met een stoel heeft bedreigd elkaar ondersteunen. Door alleen te stellen dat [dochter] heeft verklaard bang voor [appellant] te zijn, heeft hij niet weerlegd dat zij naar de woonkamer is gekomen. Dat er geen letsel was te zien op het been van [dochter], laat onverlet dat de burgemeester aannemelijk heeft mogen achten dat [appellant] haar een stomp heeft gegeven, omdat [appellant] het incident in de woning ten tijde van het opleggen van het huisverbod niet heeft weersproken en hij niet concreet en gedetailleerd heeft verklaard wat zich in de woning heeft afgespeeld. Dat [appellant], naar eigen zeggen, niet in staat was adequaat te reageren tijdens zijn verhoor door de politie, is voor het besluit tot opleggen van het huisverbod niet van belang, omdat vaststaat dat het verhoor na het opleggen heeft plaatsgevonden. De burgemeester heeft bovendien onweersproken gesteld dat [appellant] voorafgaand aan het huisverbod in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze op het voornemen van een huisverbod naar voren te brengen en hij van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt. Verder is van belang dat niet in geschil is dat gedurende vier jaar voor het opleggen van het huisverbod [appellant] en [echtgenote] echtelijke ruzies hadden en dat zij een procedure tot echtscheiding in gang hadden gezet.

    De Afdeling is van oordeel dat de burgemeester bevoegd was om het huisverbod op te leggen om de volgende redenen. De burgemeester mocht belang hechten aan de achtergrond van het incident, te weten eerdere echtelijke ruzies en de in gang gezette echtscheiding. Ook mocht de burgemeester meewegen dat het geweld in de woning was gericht tegen de toentertijd minderjarige [dochter] en dat [appellant] een stoel heeft gebruikt om haar te bedreigen. De burgemeester mocht er rekening mee houden dat de situatie opnieuw kon escaleren, ook al had [appellant] zich direct na het incident teruggetrokken in de slaapkamer. Dat [appellant] in zijn nieuwe woning in [woonplaats] kon verblijven, maakt niet dat de burgemeester het huisverbod niet meer nodig mocht vinden. [appellant] heeft namelijk verklaard dat zijn woning nog niet als vervangende woonruimte kon dienen, omdat hij nog aan het inrichten was. Bovendien diende het huisverbod ook als een contactverbod met [echtgenote] en [dochter].

    De Afdeling heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de burgemeester moest uitgaan van de mogelijkheid dat niet [appellant], maar [echtgenote] en [dochter] als plegers van het geweld moesten worden gezien. [appellant] heeft dat niet aannemelijk gemaakt. De Afdeling weegt daarbij mee dat [appellant] vóór het opleggen van het huisverbod niets heeft verklaard, en bij het verhoor door de politie dit alternatieve scenario niet heeft genoemd.

2.4.    Artikel 8 van het EVRM luidt:

"1. Een ieder heeft recht op respect voor […] zijn familie- en gezinsleven […].

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen."

    Gelet op wat hiervoor is overwogen, mocht de burgemeester de oplegging van het huisverbod noodzakelijk achten om strafbare feiten in de vorm van huiselijk geweld te voorkomen en om de gezondheid en lichamelijke integriteit van [echtgenote] en [dochter] te beschermen. De oplegging van het huisverbod levert daarom geen strijd op met artikel 8 van het EVRM.

2.5.    Het betoog faalt.

Verlenging huisverbod

2.6.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 6 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2384) en de burgemeester terecht aanvoert, blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6 van de Wth (Kamerstukken II 2005/06, 30 657, nr. 3, blz. 25) dat als de uithuisgeplaatste na de oplegging of verlenging van het huisverbod een aanbod tot hulpverlening heeft aanvaard, dit een indicatie is dat de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan mogelijk niet langer bestaat. Bij de beoordeling of die dreiging of het vermoeden daarvan daadwerkelijk niet langer bestaat, is van belang of de uithuisgeplaatste inmiddels een reële aanvang met de hulpverlening heeft gemaakt en de verwachting gerechtvaardigd is dat hij aan de hulpverlening blijft meewerken. Uit het zorgadvies van 4 januari 2017 volgt dat [appellant] weliswaar hulpverlening heeft aanvaard, maar dat het in dat kader niet mogelijk is gebleken om adequate veiligheidsafspraken met hem te maken. Daarnaast heeft [appellant] de ernst van de ruzies binnen het gezin ontkend. Onder deze omstandigheden heeft de burgemeester in de hulpverlening terecht geen grond gezien om van de verlenging van het huisverbod af te zien.

2.7.    Ten tijde van de verlenging verbleef [appellant] in zijn nieuwe woning. In het zorgadvies, dat aan het verlengingsbesluit ten grondslag is gelegd, staat dat [appellant] heeft verklaard dat hij, nu hij en [echtgenote] nog niet zijn gescheiden, kan terugkeren in de woning zolang hij daar maar niet slaapt. Gezien die verklaring en omdat er geen adequate veiligheidsafspraken zijn gemaakt, heeft de burgemeester het huisverbod mogen verlengen.

2.8.    Het betoog faalt.

Slotsom

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3.1.    Omdat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen omstandigheden voordoen op grond waarvan een veroordeling tot vergoeding van geleden schade kan worden uitgesproken, zal het verzoek van [appellant] daartoe reeds daarom worden afgewezen.

3.2.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.S. Man, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Man

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2019

629.