Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2513

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2019
Datum publicatie
31-07-2019
Zaaknummer
201904568/1/V3 en 201904568/2/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 mei 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201904568/1/V3 en 201904568/2/V3.

Datum uitspraak: 24 juli 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vreemdelingenwet 2000, op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 12 juni 2019 in zaak nr. NL19.11353 in het geding tussen:

[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kind,

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 12 juni 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

Voorts heeft de staatssecretaris de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.N. Ali, advocaat te Almere, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De in de grief opgeworpen rechtsvraag over de opvang in Italië van gezinnen met minderjarige kinderen na overdracht krachtens de Dublinverordening (PB 2013, L 180) heeft de Afdeling bij uitspraak van 12 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1861, beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak, waarbij de Afdeling blijft, volgt dat de grief slaagt.

2.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 14 mei 2019 toetsen in het licht van de daartegen bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na wat hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

3.    De vreemdeling heeft in beroep betoogd dat zij tijdens haar eerdere verblijf in Italië problemen heeft ondervonden met het echtpaar waar zij verbleef. Zij kan zich daarover niet beklagen bij de Italiaanse autoriteiten omdat zij de taal niet machtig is. Verder betoogt zij dat zij in Italië geen medische behandeling zal krijgen voor haar lichamelijke klachten en de pijn aan haar been. De staatssecretaris had haar aanvraag daarom met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling moeten nemen, aldus de vreemdeling.

3.1.    Over de gestelde gebeurtenissen in Italië heeft de staatssecretaris zich in het besluit terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling zich bij voorkomende problemen tot de aangewezen (hogere) autoriteiten kan wenden, en dat zij met de enkele stelling dat dit zonder tolk of advocaat praktisch niet mogelijk is, niet aannemelijk heeft gemaakt dat dat niet kan. Over haar medische klachten heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet met stukken heeft gestaafd dat zij daarvoor onder behandeling staat of deze behoeft, en dat zij hiervoor ook in Italië kan worden behandeld. Gelet hierop heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat het voorgaande geen reden is om de asielaanvraag aan zich te trekken.

De beroepsgrond faalt.

4.    Het beroep is ongegrond. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 12 juni 2019 in zaak nr. NL19.11353;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, griffier.

w.g. Drop    w.g. Van Leeuwen

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2019

373-846.