Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2506

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
31-07-2019
Zaaknummer
201803930/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:5225, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 mei 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803930/1/V1.

Datum uitspraak: 23 juli 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 17 april 2018 in zaak nr. 17/16139 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 20 november 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 april 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Igdeli, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld.

Naar aanleiding van de bij uitspraak van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1609, door de Afdeling gestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie heeft de Afdeling partijen bericht dat de behandeling van deze zaak wordt aangehouden in afwachting van het antwoord van het Hof.

Bij arrest van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:877 (hierna: het arrest), heeft het Hof deze vragen beantwoord.

De vreemdeling heeft desgevraagd een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling is de gestelde echtgenote van referent. Aan referent is bij besluit van 13 januari 2016 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).

    Bij besluit van 8 mei 2017, gehandhaafd bij besluit van 20 november 2017, heeft de staatssecretaris de aanvraag van 12 mei 2016 om verlening van een mvv ten behoeve van nareis in het kader van gezinshereniging afgewezen, omdat deze niet was ingediend binnen de termijn van drie maanden, als genoemd in artikel 29, vierde lid, van de Vw 2000.

2.    In de derde grief klaagt de vreemdeling onder meer dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris haar bij de afwijzing van de aanvraag vanwege het niet verschoonbaar overschrijden van de termijn die gold voor de indiening daarvan, had moeten informeren over de gevolgen van dat afwijzende besluit en de maatregelen die zij zou moeten nemen om haar recht op gezinshereniging alsnog doeltreffend te doen gelden. Daartoe verwijst zij naar het arrest. De staatssecretaris heeft dit volgens de vreemdeling ten onrechte nagelaten.

2.1.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4275, volgt uit het arrest dat de staatssecretaris niet in strijd met artikel 12, eerste lid, derde alinea, van de Gezinsherenigingsrichtlijn (PB 2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71) handelt als hij een na de termijn van drie maanden ingediende eerste aanvraag om verlening van een mvv in het kader van nareis afwijst zonder een inhoudelijke beoordeling te maken, mits de termijnoverschrijding niet objectief verschoonbaar is en hij de desbetreffende vreemdelingen volledig heeft geïnformeerd over de gevolgen van zijn besluit en de maatregelen die zij moeten nemen om alsnog in aanmerking te komen voor gezinshereniging. Dit betekent dat de staatssecretaris deze informatie in de procedure over de aanvraag in het kader van het nareisbeleid, en uiterlijk op het moment dat hij de afwijzing in die procedure in een besluit op bezwaar handhaaft, moet geven.

    Gelet op de overweging onder 3. heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris de termijnoverschrijding in redelijkheid aan de vreemdeling heeft kunnen toeschrijven. De staatssecretaris heeft in het besluit van 8 mei 2017, waarin hij de aanvraag heeft afgewezen, en in het besluit van 20 november 2017, waarin hij de afwijzing heeft gehandhaafd, echter niets vermeld over de mogelijkheid om een mvv aan te vragen met het oog op gezinshereniging op grond van een verblijfsvergunning regulier.

    De Afdeling ziet aanleiding om dit gebrek krachtens artikel 6:22 van de Awb te passeren omdat aannemelijk is dat de vreemdeling niet is benadeeld doordat de staatssecretaris haar in het besluit van 20 november 2017 niet heeft gewezen op de mogelijkheid om een mvv met het oog op gezinshereniging op grond van een verblijfsvergunning regulier aan te vragen. De vreemdeling was ten tijde van het besluit van 20 november 2017 al op de hoogte van deze mogelijkheid. Zij heeft in bezwaar immers aangevoerd dat de gevolgen van het tegenwerpen van de driemaandentermijn voor haar onevenredig zijn omdat zij langdurig niet zal kunnen voldoen aan de vereisten die in een reguliere procedure gelden.

3.    Wat de vreemdeling overigens in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hoger beroep in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

4.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.792,00 (zegge: zeventienhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 421,00 (zegge: vierhonderdeenentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Verbeek

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2019

574.