Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:250

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
30-01-2019
Zaaknummer
201707514/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 4 november 2014 heeft het college aan [appellant A] een tegemoetkoming in planschade van € 1.600,00, exclusief wettelijke rente, toegekend voor het perceel gelegen aan de [locatie 1] te Utrecht, en zijn aanvraag om een tegemoetkoming in planschade voor het perceel, gelegen aan de [locatie 2] te Utrecht, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707514/1/A2.

Datum uitspraak: 30 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 augustus 2017 in zaken met nrs. 15/4253, 15/4255, 15/4274 en 15/4276 in het geding tussen onder meer:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 4 november 2014 heeft het college aan [appellant A] een tegemoetkoming in planschade van € 1.600,00, exclusief wettelijke rente, toegekend voor het perceel gelegen aan de [locatie 1] te Utrecht, en zijn aanvraag om een tegemoetkoming in planschade voor het perceel, gelegen aan de [locatie 2] te Utrecht, afgewezen.

Bij besluit van 4 november 2014 heeft het college aan [appellant B] een tegemoetkoming in planschade van € 1.500,00, exclusief wettelijke rente, toegekend voor het perceel gelegen aan de [locatie 3] te Utrecht.

Bij onderscheiden besluiten van 8 juli 2015 heeft het college de door [appellant A] en [appellant B] tegen de drie besluiten van 4 november 2014 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 augustus 2017 heeft de rechtbank de door [appellant A] en [appellant B] tegen die besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2019, waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door N. Verkerk en drs. B. van der Padt, vergezeld door drs. A.M.M. Baggen en M. Wieman, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant A] is eigenaar van het perceel met daarop gelegen woning aan de [locatie 1] en van het perceel met daarop gelegen woning aan de [locatie 2] te Utrecht. [locatie 2] werd verhuurd.

    [appellant B] is eigenaresse van het perceel met daarop gelegen woning aan de [locatie 3] te Utrecht.

    De Brucknerlaan ligt vlakbij de Dominee Martin Luther Kinglaan (hierna: de M.L. Kinglaan), ter hoogte van het 24-Oktoberplein. De M.L. Kinglaan bevindt zich aan de achterzijde van de woningen, in zuidoostelijke richting.

2.    Bij besluit van 2 februari 2006 heeft het college met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend van de bepalingen van het ter plaatse geldende planologische regime, te weten het Uitbreidingsplan Kanaleneiland en de Herziening uitbreidingsplan Den Hommel, ten behoeve van de realisatie van een fly-over en de reconstructie van het 24-Oktoberplein en de M.L. Kinglaan (hierna: het vrijstellingsbesluit).

3.    Op 25 april 2013 onderscheidenlijk 4 juli 2013 hebben [appellant A] en [appellant B] het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade die zij stellen te hebben geleden als gevolg van de inwerkingtreding van het vrijstellingsbesluit. Volgens hen heeft de realisatie van de fly-over geleid tot een verslechtering van het uitzicht vanuit hun woningen, meer inkijk, en daardoor verlies van privacy, en een toename van verkeer, met bijbehorende hinder in de vorm van luchtvervuiling en geluidsoverlast. [appellant A] stelt dat de woningen [locatie 1] en [locatie 2] elk € 30.000,00 à € 40.000,00 minder waard zijn geworden. [appellant B] stelt een schade van € 75.000,00 tot € 100.000,00 te hebben geleden. Volgens haar is haar woning onverkoopbaar geworden.     

Besluitvorming

4.    Het college heeft over de op de aanvragen te nemen besluiten advies gevraagd aan Ten Have Advies (hierna: Ten Have). Ten Have heeft in drie afzonderlijke adviezen van 24 september 2014 uiteengezet dat de gronden waar het vrijstellingsbesluit betrekking op heeft bestemd zijn voor ‘Openbare weg’ en ‘Openbaar groen’. Die gronden mochten onder het oude planologische regime niet worden bebouwd, maar er mochten wel werken worden uitgevoerd. Ook waren vergunningvrije bouwwerken toegestaan. Ten Have stelt verder vast dat de bestemmingen van de gronden een verhoging van het maaiveld mogelijk maakten en dat de M.L. Kinglaan bijvoorbeeld op een talud van maximaal 2,15 meter had kunnen worden aangelegd, mits daarvoor geen constructies nodig zouden zijn. Het vrijstellingsbesluit maakte de bouw van de fly-over tot een hoogte van maximaal 10,248 m, ter hoogte van het 24-Oktoberplein, mogelijk, evenals geluidwerende voorzieningen tot maximaal 2 meter en lichtmasten op de fly-over tot maximaal 9 meter boven de bovenkant van het wegdek. Ook werden lichtmasten van maximaal 17 meter op daarvoor aangegeven plaatsen mogelijk gemaakt en konden er hekwerken van maximaal 3 meter hoogte worden geplaatst na het vrijstellingsbesluit. Volgens Ten Have moet deze planologische wijziging voor [appellant A] en [appellant B] als minder gunstig worden aangemerkt.

    Ten Have heeft vervolgens voor een aantal aspecten, te weten verkeersintensiteit, fijnstof, geluidhinder, uitzichtverlies, inkijk, omgevingskarakteristiek en de situeringswaarde van de woningen, vastgesteld of de planologische wijziging tot een nadeliger situatie heeft geleid. Wat betreft de verkeersintensiteit, geluidhinder, uitzichtverlies en inkijk is volgens haar sprake van een beperkt nadelig effect. Daarbij heeft zij betrokken dat zonder het vrijstellingsbesluit het verkeer ook zou zijn toegenomen, waardoor die toename maar voor een klein deel het gevolg is van de planologische wijziging, en de M.L. Kinglaan ook al verhoogd op een talud had kunnen worden aangelegd, zodat het uitzichtverlies en de toename van inkijk als gevolg van de planologische wijziging eveneens als beperkt kunnen worden aangemerkt. Wat betreft fijnstof, de omgevingskarakteristiek en de situeringswaarde komt Ten Have tot de conclusie dat geen sprake is van een planologisch nadeliger situatie. Daarbij heeft zij betrokken dat er weliswaar meer emissie als gevolg van het vrijstellingsbesluit is, maar ook minder optrekkend en remmend verkeer, dat er vóór het vrijstellingsbesluit sprake was van een brede weg en dat de afstand tot en de hoogtemaat van de fly-over zodanig is dat de situeringswaarde van de woningen niet wordt aangetast.

    Hoewel de planologische wijziging aldus tot een beperkt planologisch nadeel heeft geleid, leidt dit volgens Ten Have bij [locatie 2] niet tot een waardevermindering. In het geval een woning wordt verhuurd, is voor de beoordeling of zich planschade voordoet namelijk van belang of de te genereren marktconforme huurinkomsten uit de onroerende zaak door de planologische wijziging negatief beïnvloed zullen worden. Volgens Ten Have is dat bij [locatie 2] niet het geval, nu niet is gebleken dat de woning leeg is komen te staan of minder huuropbrengsten heeft gegenereerd. Voor en na de planologische wijziging was de woning daarom hetzelfde waard, te weten € 260.000,00, aldus Ten Have.

    Bij de andere twee woningen uit het beperktere planologische nadeel zich volgens Ten Have wel in een lagere waarde. Volgens Ten Have is [locatie 1] (van [appellant A]) van € 295.000,00 naar € 287.500,00 in waarde gedaald en [locatie 3] (van [appellant B]) van € 300.000,00 naar € 292.500,00. Na aftrek van het normaal maatschappelijk risico, dat Ten Have in beide gevallen op het wettelijk forfait van 2% heeft gesteld, resteren daarom bedragen van € 1.600,00 onderscheidenlijk € 1.500,00 aan schade, aldus Ten Have.

    Het college heeft deze adviezen van Ten Have aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd en aan [appellant A] en [appellant B] bedragen van € 1.600,00 respectievelijk € 1.500,00, beide exclusief wettelijke rente, aan tegemoetkoming toegekend. Het verzoek van [appellant A] dat betrekking heeft op [locatie 2] heeft het college afgewezen.

Beroep

5.    De rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de StAB) verzocht een planvergelijking te maken en te beoordelen of het vrijstellingsbesluit tot een planologisch nadeliger situatie heeft geleid. Voor zover dat het geval is, heeft zij de StAB verzocht een deskundige te benoemen voor het vaststellen van de schade.

6.    De StAB heeft op 29 november 2016 van haar bevindingen verslag uitgebracht. Zij komt tot de conclusie dat het vrijstellingsbesluit zowel wat betreft bebouwings- als wat betreft gebruiksmogelijkheden tot een voor [appellant A] en [appellant B] planologisch nadeliger situatie heeft geleid. Bij de uitbreiding van de bebouwingsmogelijkheden gaat het om de realisatie van de fly-over, die op een afstand van 62 meter van [locatie 1], een afstand van 60 meter van [locatie 2] en een afstand van 52 meter van [locatie 3] is gelegen. Uitgaande van een directe zichtlijn vanuit de woningen bedraagt de geschatte hoogte van de fly-over inclusief de zogenoemde barrier van 1,15 meter hoog, bezien vanuit [locatie 1] ruim 4,25 meter, bezien vanuit [locatie 2] ruim 3,85 meter en bezien vanuit [locatie 3] ruim 4,85 meter. In de oude situatie kon daarentegen een aarden wal van 2,15 meter hoog worden gerealiseerd. Bij de uitbreiding van de gebruiksmogelijkheden gaat het er volgens de StAB vooral om dat diverse gronden met een groenbestemming gebruikt mogen worden voor verkeersdoeleinden. Ook kan een invoegstrook ongeveer 1 meter dichterbij [locatie 1] en [locatie 2] worden gerealiseerd als gevolg van het vrijstellingsbesluit. Verder heeft de StAB in dit kader uiteengezet dat de verkeersafwikkeling in de oude situatie op gelijkvloerse wegen door middel van verkeersregelinstallaties plaatsvond. In de nieuwe situatie is daar nog steeds deels sprake van, maar vindt de verkeersafwikkeling ook ongelijkvloers plaats, waardoor er minder stagnatie optreedt. Ten slotte acht de StAB het niet onaannemelijk dat de realisering van de fly-over, in combinatie met de overige reconstructiewerkzaamheden op en rond het 24-Oktoberplein, een verkeersaantrekkende werking heeft.

    De StAB gaat vervolgens in op dezelfde schadefactoren als Ten Have, te weten verkeersintensiteit, fijnstof, geluidhinder, uitzichtverlies, inkijk, omgevingskarakteristiek en de situeringswaarde van de woningen. Wat betreft de verkeersintensiteit heeft zij de situatie met en zonder realisering van de fly-over vergeleken en geconstateerd dat weliswaar sprake is van een forse verkeerstoename, maar dat ook in een situatie zonder fly-over sprake was geweest van een forse autonome groei van het autoverkeer rondom het 24-Oktoberplein. Bovendien kan volgens de StAB hierbij de kanttekening worden geplaatst dat onder de oude situatie een verdubbeling van het aantal rijbanen van de M.L. Kinglaan was toegestaan. Ook dit zou tot een toename van het autoverkeer en daarmee de verkeersintensiteit hebben geleid, waardoor de verschillen tussen de verkeersintensiteiten in de oude en nieuwe situatie nog wat kleiner zouden zijn. Het planologische nadeel als gevolg van het vrijstellingsbesluit kan wat betreft de verkeersintensiteit dan ook als beperkt worden gekwalificeerd. Door de verkeersaantrekkende werking van de fly-over verslechtert verder de luchtkwaliteit iets en neemt de geluidhinder iets toe, maar dit leidt, mede gelet op de autonome situatie, tot een zeer geringe planologische verslechtering. Ook wat betreft de aantasting van het uitzicht is, uitgaande van de directe zichtlijn vanuit de woningen op de fly-over, de hoogte van het talud dat onder het oude regime was toegestaan en de afstand tussen de fly-over en de woningen, sprake van een beperkt planologisch nadeliger situatie, evenals wat betreft de inbreuk op de privacy en de aantasting van de omgevingskarakteristiek. De situeringswaarde van de woningen ten slotte wordt door de planologische ontwikkeling niet nadelig beïnvloed, aldus de StAB.

    De taxateur van de StAB heeft de waardedaling van de [locatie 1] op € 7.375,00, de waardedaling van de [locatie 2] op nihil en de waardedaling van de [locatie 3] op € 7.250,00 begroot. Uitgaande van een normaal maatschappelijk risico van 2%, gaat het dan om een tegemoetkoming in planschade aan [appellant A] van € 1.475,00 en aan [appellant B] van € 1.500,00.

7.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het door de StAB verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is geweest en dat de StAB voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op basis van welke gegevens zij tot haar conclusies is gekomen. Hetgeen [appellant A] en [appellant B] hiertegen hebben aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven voor een ander oordeel. Zij heeft hun beroepen daarom ongegrond verklaard.

Hoger beroep

8.    [appellant A] en [appellant B] kunnen zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en hebben hoger beroep ingesteld. Hun gronden richten zich tegen de door de StAB uitgevoerde planvergelijking en taxatie. Het betoog dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op hun stelling dat automobilisten en hun bijrijders wel degelijk over de barrier van de fly-over kunnen kijken, waardoor zij bij hen naar binnen kunnen kijken en hun privacy nadelig wordt beïnvloed, hebben zij ter zitting bij de Afdeling ingetrokken.

-    Planvergelijking

9.    [appellant A] en [appellant B] betogen allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat er bij de planvergelijking ten onrechte van uit is gegaan dat het verhoogd aanleggen van de M.L. Kinglaan mogelijk was zonder dat de langs die weg gelegen voet- en fietspaden in de bestemming ‘Openbaar groen’ zouden komen te liggen. Bovendien is het zo volstrekt zinloos en irrationeel om de M.L. Kinglaan verhoogd aan te leggen dat dit met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten.

9.1.    Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts in geval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

    Vergelijk de overzichtsuitspraak planschade van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582.

9.2.    Ten Have was in haar adviezen tot de conclusie gekomen dat de M.L. Kinglaan onder het oude planologische regime door middel van een aarden wal tot een hoogte van 2,15 meter verhoogd had kunnen worden. Zij heeft deze conclusie gebaseerd op een onderzoek van ingenieursbureau Arcadis, waaruit blijkt dat in geval de weg zou worden verhoogd, ook het fiets- en voetpad zouden worden verhoogd.

    De StAB heeft de conclusie van Ten Have over de mogelijkheid de weg te verhogen onderschreven. Daarbij heeft zij betrokken dat de M.L. Kinglaan voor het gedeelte dat aansluit op de Meernbrug thans ook al een verhoogde ligging heeft. De StAB acht wel onmogelijk dat de verhoogde ligging had kunnen doorlopen tot aan het 24-Oktoberplein, omdat dan ook het gehele plein opgehoogd had moeten worden om alle aansluitingen met het verkeer in stand te laten.

9.3.    Hieruit volgt dat de verhoging van de M.L. Kinglaan ter hoogte van de woningen van [appellant A] en [appellant B] door middel van een aarden wal niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kon worden uitgesloten. Dat de ophoging van die weg niet mogelijk was zonder dat de langs die weg gelegen voet- en fietspaden in de bestemming ‘Openbaar groen’ zouden komen te liggen, hebben [appellant A] en [appellant B] niet onderbouwd. Dit volgt ook niet uit het onderzoek van ingenieursbureau Arcadis, nu daarin slechts van een verhoging, en niet van een verplaatsing, van het fiets- en voetpad blijkt.

9.4.    Het betoog faalt.

10.    [appellant A] en [appellant B] betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat het vrijstellingsbesluit tot gevolg heeft gehad dat zoveel groen heeft moeten plaatsmaken voor verkeer dat het nu niet meer mogelijk is op diezelfde plek het verlies van (192) bomen zodanig te compenseren door nieuwe aanplant dat het groene uitzicht vanuit de woningen van [appellant A] en [appellant B] weer terug kan komen.

10.1.    De StAB heeft in haar verslag uiteengezet dat het vrijstellingsbesluit het mogelijk heeft gemaakt dat diverse gronden met een groenbestemming gebruikt mogen worden (en door realisering van het project ook daadwerkelijk gebruikt worden) voor verkeersdoeleinden. Daarbij heeft zij uitdrukkelijk gewezen op de invoegstrook ten noorden van de fly-over op de M.L. Kinglaan, bestemd voor het verkeer vanaf de Pijperlaan, en de uitvoegstrook ten zuiden van de fly-over op de M.L. Kinglaan. Volgens de StAB is de invoegstrook 1 meter dichterbij de woningen komen te liggen dan vóór het vrijstellingsbesluit op basis van de bestemming ‘Openbare weg’ mogelijk was.

    Hieruit volgt dat de StAB bij de planvergelijking heeft betrokken dat, vooral door realisering van de invoegstrook, een klein deel van de gronden met een groenbestemming niet meer voor groen kan worden gebruikt. De StAB heeft dit gewijzigde gebruik ook aangemerkt als een voor [appellant A] en [appellant B] nadeliger situatie en heeft voorts in reactie op de zienswijze van [appellant A] en [appellant B] op dit punt te kennen gegeven dat op de gronden met groenbestemming de aanplant van bomen nog steeds mogelijk is. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat geen aanleiding bestaat deze conclusies van de StAB als onjuist te beschouwen.

    Het betoog faalt.

11.    [appellant A] en [appellant B] betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat voor de vergelijking van de verkeersintensiteit vóór en na de planologische wijziging bij de situatie na die wijziging ten onrechte wordt uitgegaan van een reële prognose. Volgens hen is het principieel onjuist om voor de verkeersintensiteit een uitzondering te maken op de regel dat van de maximale benutting moet worden uitgegaan en is het bovendien onmogelijk om voor een snel groeiende stad als Utrecht een reële prognose te maken. De prognoses van de intensiteit op de hoofdwegen worden regelmatig herzien en tussen de verschillende prognoses zitten grote verschillen. Voorts hebben zij de rechtbank erop gewezen dat de prognoses destijds met een bepaald doel waren opgesteld, namelijk dat er per saldo geen verslechtering van de luchtkwaliteit zou optreden, en daarom omstreden waren. De rechtbank heeft hier onvoldoende gewicht aan toegekend, aldus [appellant A] en [appellant B].

11.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 11 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1097), dient in het kader van het onderzoek, of en zo ja, in hoeverre een nieuw planologische regime, dat de aanleg van een weg mogelijk maakt, tot een planologische verslechtering leidt die schade tot gevolg heeft, ten aanzien van de geluidsoverlast en aantasting van de luchtkwaliteit een vergelijking te worden gemaakt tussen de maximale gebruiksmogelijkheden onder het oude en die onder het nieuwe planologische regime.

    Het bestuursorgaan dat bevoegd is op een verzoek om planschadevergoeding te besluiten dient bij het beoordelen van de maximale gebruiksmogelijkheden onder het nieuwe planologische regime op de peildatum uit te gaan van een reële prognose van het maximaal aantal te verwachten motorvoertuigen per rijstrook en per tijdseenheid en de daarmee gemoeide geluidsoverlast en aantasting van de luchtkwaliteit, met inachtneming van de op die dag bestaande inzichten. Aan de hand daarvan dient te worden onderzocht of die geluidsoverlast en aantasting van de luchtkwaliteit zodanig zijn, dat het nieuwe regime tot een planologische verslechtering met een daaruit voortvloeiende waardevermindering van de woning heeft geleid.

    Nu hieruit volgt dat de reële prognose gebruikt wordt om de maximale invulling van de gebruiksmogelijkheden onder het nieuwe regime vast te kunnen stellen, volgt de Afdeling [appellant A] en [appellant B] niet in hun stelling dat in het kader van de situatie vóór en na de planologische wijziging van andere uitgangspunten wordt uitgegaan.

    In zoverre faalt het betoog.

11.2.    De StAB heeft terecht uiteen gezet dat het vrijstellingsbesluit strikt genomen geen nieuwe weg mogelijk maakt, maar een reeds bestaand kruispunt met aanloopwegen heeft gewijzigd in de zin dat het ongelijkvloers is geworden. Nu dit net als bij de aanleg van een nieuwe weg (mogelijk) invloed heeft op de verkeersaantrekkende werking daarvan, heeft de StAB terecht aansluiting gezocht bij het hiervoor onder 11.1 weergegeven en voor de aanleg van een nieuwe weg geldende uitgangspunt dat voor de maximale invulling van de gebruiksmogelijkheden onder het nieuwe planologische regime moet worden uitgegaan van een reële prognose.

    Dat prognoses regelmatig worden herzien is, anders dan [appellant A] en [appellant B] stellen, in dit kader niet van belang nu het alleen gaat om de reële prognose ten tijde van de peildatum. Gelet hierop heeft de StAB dan ook terecht de prognoses uit een luchtkwaliteitsonderzoek en een akoestisch onderzoek, die kort na de inwerkingtreding van het vrijstellingsbesluit in 2007 zijn opgesteld en die overigens grotendeels overeenkomen met de prognoses uit 2005, als uitgangspunt genomen. Hun stelling dat die met een bepaald doel zouden zijn opgesteld en de prognoses daarom onjuist zouden zijn, hebben [appellant A] en [appellant B] niet met objectieve gegevens onderbouwd.

    Ook in zoverre faalt het betoog.

-    Taxatie

12.    [appellant A] en [appellant B] betogen ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat aan de taxatie een onjuiste planvergelijking ten grondslag ligt en dat onvoldoende duidelijk is hoe de taxateur aan de waardebepaling komt. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte bij haar oordeel betrokken dat zij geen deskundig tegenrapport hebben overgelegd. Om aannemelijk te maken dat twijfel aan de juistheid van het taxatierapport bestaat is het voldoende gefundeerde kritiek op dit rapport te uiten en hoeven zij niet een kostbaar tegenrapport over te leggen, aldus [appellant A] en [appellant B].

12.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de overzichtsuitspraak planschade van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582) mag een bestuursrechter in beginsel afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. Dat is slechts anders indien dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd.

    Zoals de Afdeling eveneens in voormelde uitspraak van 28 september 2016 heeft overwogen, kan de bestuursrechter een taxatie slechts terughoudend toetsen. Daarbij is van belang dat de waardering van onroerende zaken niet slechts door het toepassen van een taxatiemethode plaatsvindt, maar daarbij ook de kennis, ervaring en intuïtie van de desbetreffende deskundige een rol spelen.

12.2.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat niet is gebleken dat de in opdracht van de StAB uitgevoerde taxaties, die deel uitmaken van het StAB-verslag, onzorgvuldig tot stand zijn gekomen of dat daaraan anderszins ernstige gebreken kleven. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat aan die taxaties geen onjuiste planvergelijking ten grondslag ligt. Nu de taxateur van die planvergelijking is uitgegaan, heeft hij bij die taxaties de juiste uitgangspunten gehanteerd. Ook blijkt uit zijn rapporten welke taxatiemethode hij heeft toegepast. Gelet hierop en op het feit dat bij de waardering van een onroerende zaak de kennis, ervaring en intuïtie van de taxateur een rol speelt, is voldoende inzichtelijk gemaakt hoe tot de waardebepalingen van de woningen vóór en na de planologische wijziging is gekomen.

    In zoverre faalt het betoog.

12.3.    [appellant A] en [appellant B] merken terecht op dat niet alleen door middel van een deskundigenadvies, maar ook anderszins kan worden gemotiveerd waarom er reden bestaat te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies van een deskundige of waarom dit zodanige gebreken bevat dat het bestuursorgaan zijn besluitvorming daarop niet mocht baseren (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1329). De rechtbank heeft dit niet miskend, maar is tot het oordeel gekomen dat hetgeen [appellant A] en [appellant B] naar voren hebben gebracht niet tot een dergelijke twijfel heeft geleid. Uit de overwegingen van de rechtbank kan niet worden afgeleid dat zij [appellant A] en [appellant B] heeft tegengeworpen dat zij geen tegenrapport hebben overgelegd.

    Ook in zoverre slaagt het betoog niet.

Conclusie

13.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

14.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Ouwehand

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2019

752.