Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2473

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
17-07-2019
Zaaknummer
201806849/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juni 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie] te Oppenhuizen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806849/1/R3.

Datum uitspraak: 17 juli 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en anderen, allen wonend dan wel gevestigd te Oppenhuizen, gemeente Súdwest Fryslân,

en

de raad van de gemeente Súdwest Fryslân,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] te Oppenhuizen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2019, waar [appellant A] en anderen, bij monde van [appellant A], en de raad, vertegenwoordigd door G.L. de Jong, zijn verschenen. Voorts zijn [belanghebbende A] en [belanghebbende B] als partij gehoord.

Overwegingen

1.    Op het perceel [locatie 1] te Oppenhuizen stond in het verleden een boerderij. Deze boerderij is in 1996 afgebrand. Sindsdien stond op het perceel een stacaravan die aanvankelijk werd bewoond door de toenmalige eigenaar. Het perceel is nadien in eigendom gekomen van [belanghebbende A] en [belanghebbende B]. Zij willen op dit perceel drie nieuwe vrijstaande woningen realiseren. Het plan voorziet in deze ontwikkeling. [appellant A] en anderen wonen dan wel zijn gevestigd in de omgeving van het perceel. Zij zijn tegen de komst van de woningen, omdat de woningen volgens hen onder andere het open landschap aantasten.

Procedurele aspecten

Inspraak

2.    [appellant A] en anderen voeren aan dat het plan zonder inspraak tot stand is gekomen. Zij stellen dat met hen ten onrechte geen inspraakoverleg, zoals opgenomen in de Inspraakverordening 2017 van de gemeente Súdwest-Fryslân, heeft plaatsgevonden. Zij achten dit onzorgvuldig.

2.1.    In de Inspraakverordening staat in artikel 2:

"1. Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid.

2. Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht.

[…]."

2.2.    Het bieden van inspraak voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt geen onderdeel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) geregelde bestemmingsplanprocedure. In zoverre verplicht de wet daar niet toe. Verder verplicht ook artikel 2 van de Inspraakverordening de raad niet tot het bieden van inspraak in de planprocedure. Het betoog faalt.

Materiële aspecten

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Verordening Romte Fryslân

4.    [appellant A] en anderen betogen dat het plan in strijd met de cumulatieve voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 3.1.1, lid 2, van de Verordening Romte Fryslân 2014 (hierna: de Verordening) is vastgesteld.

4.1.    De raad stelt dat het plan is getoetst aan de Verordening en dat met het provinciebestuur overleg heeft plaatsgevonden over het plan. Het provinciebestuur heeft volgens de raad aangegeven dat het plan in overeenstemming is met het provinciale beleid.

4.2.    Artikel 3.1.1 van de Verordening luidt:

"1. Een ruimtelijk plan kan mogelijkheden voor woningbouw bevatten indien de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw in overeenstemming zijn met een woonplan, dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft.

2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan een woningbouwproject bevatten dat niet is opgenomen in een woonplan, indien:

a. Het woningbouwproject niet meer dan 3 woningen bevat dan wel, voor zover gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied, niet meer dan 11 woningen bevat, en

b. in de plantoelichting is gemotiveerd dat en op welke wijze de overschrijding van het woningbouwprogramma van het woonplan kan worden voorkomen door uitwisseling of fasering van projecten."

4.3.    In paragraaf 4.2 van de plantoelichting staat dat Oppenhuizen binnen het bestaand stedelijk gebied van het stedelijk centrum Sneek ligt. Het plan voorziet volgens de plantoelichting in drie woningen, waardoor het woningbouwproject kleiner is dan de in artikel 3.1.1, lid 2, sub a, genoemde 11 woningen. Verder is in deze paragraaf van de plantoelichting aangegeven dat het plan niet leidt tot overschrijding van het woningbouwprogramma van Oppenhuizen.

    Gelet op hetgeen in paragraaf 4.2 van de plantoelichting is vermeld, is de Afdeling van oordeel dat de raad terecht heeft gesteld dat het plan in overeenstemming is met artikel 3.1.1 van de Verordening. Het betoog faalt.

Stedenbouwkundige aspecten

5.    [appellant A] en anderen voeren aan dat het plan vanuit stedenbouwkundig oogpunt onaanvaardbaar is, omdat het plan volgens hen voorziet in forse woningen in een open landschap. Daarbij stellen zij dat de stedenbouwkundige opzet van het plan louter is ingegeven door de grondposities van de eigenaren [belanghebbende A] en [belanghebbende B].

5.1.    De raad heeft toegelicht dat het plan voorziet in de realisatie van drie vrijstaande woningen. Door de positionering van deze woningen ontstaat volgens de raad een passende doorzetting van het historische bebouwingslint en de bijbehorende ontwikkelingsstructuur langs It Ges.

De raad heeft er verder op gewezen dat de afstand tussen de voorziene woningen ongeveer 18 meter bedraagt, waardoor de doorzichten naar het open landschap behouden blijven. Verder sluiten de maximale goot- en bouwhoogte van onderscheidenlijk 4,5 en 9 meter volgens de raad aan bij de bouwregels van het vorige bestemmingsplan. De raad heeft er daarbij op gewezen dat de historische bebouwing in de omgeving hoofdzakelijk bestaat uit historische boerderijen die een bouwhoogte van 10-15 meter hebben.

    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad de stedenbouwkundige opzet van het plan voldoende toegelicht en heeft hij in redelijkheid deze opzet passend mogen achten. Voor zover [appellant A] en anderen stellen dat deze opzet louter is ingegeven door de grondposities van de eigenaren, heeft de raad gesteld dat hiervan geen sprake is, alleen al vanwege het gegeven dat ook de gronden ten westen van de gronden waarop de woningen zijn voorzien in eigendom zijn van [belanghebbende A] en [belanghebbende B] en op deze gronden geen woningen zijn voorzien.

    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is.

Het betoog faalt.

6.    [appellant A] en anderen betogen dat het plan in strijd is met de Ontwikkelvisie Súdwest Fryslân 2011-2021 (hierna: de Ontwikkelvisie), omdat een inbreuk wordt gemaakt op de weidsheid van het landschap. Volgens hen heeft de raad in dat kader ten onrechte gesteld dat het plangebied ligt in het bestaand dorps- en bebouwingslint, terwijl sprake is van een open gebied.

6.1.    De raad stelt dat het betrokken gebied is te kwalificeren als stedelijk gebied. Het plan vormt daarom volgens de raad een inbreiding van de bestaande kern en daarom geen inbreuk op de weidsheid van het landschap aan de randen van het dorp Oppenhuizen.

6.2.    De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan provinciaal beleid is gebonden. Wel dient de raad daarmee bij de belangenafweging rekening te houden.

    In paragraaf 4.3 van de plantoelichting staat dat de Ontwikkelvisie rust op zes pijlers, waaronder de weidsheid van het landschap. Deze pijler houdt niet alleen in dat zorgvuldig met de weidsheid van het landschap moet worden omgegaan, maar dat ook ruimte moet worden geboden voor nieuwe ontwikkelingen naar aard en schaal. Er worden daarbij hoge eisen aan de ruimtelijke kwaliteit gesteld. Verder vermeldt de plantoelichting dat het plan voorziet in een inbreiding van het stedelijk gebied door de realisatie van woningen op onbebouwde woongebieden, waardoor de weidsheid van het landschap wordt gewaarborgd.

    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad, gelet op wat in de plantoelichting over de Ontwikkelvisie is vermeld, rekening gehouden met de Ontwikkelvisie. De raad heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van bestaand stedelijk gebied en dat gelet daarop geen sprake is van een inbreuk op de weidsheid van het landschap. Gelet hierop heeft de raad terecht geconcludeerd dat geen sprake is van strijd met de Ontwikkelvisie. Het betoog faalt.

Verlies van vrij uitzicht en beperking privacy

7.    [appellant A] en anderen betogen dat de voorziene woningen leiden tot een aantasting van het open landschap in de omgeving, wat volgens hen leidt tot een onaanvaardbare aantasting van hun uitzicht op dit landschap. Verder leiden deze woningen volgens hen tot een ernstige aantasting van hun privacy.

7.1.    De raad stelt dat het zicht vanuit de woningen aan de [locatie 2] en [locatie 3] op het plangebied in de huidige situatie al wordt beperkt door bosschages. Ook het zicht vanuit de woning aan de [locatie 4] wordt volgens de raad beperkt door bosschages alsmede een op dat perceel aanwezige gastenverblijf. De raad stelt dat de woning aan de [locatie 5] weliswaar wel vrij uitzicht heeft op het plangebied, maar dat de belemmering van dit zicht aanvaardbaar is te achten. De raad wijst er in dat kader op dat bij het stedenbouwkundig ontwerp zoveel mogelijk rekening is gehouden met de belangen van omwonenden, door de voorziene woningen haaks op It Ges te oriënteren, de vrijstaande bijgebouwen bij de twee noordelijke woningen dichtbij of in lijn met de hoofdgebouwen te voorzien en het bijgebouw van de zuidelijk gelegen woning in het beboste zuidelijke deel van het plangebied te voorzien.

7.2.    De Afdeling stelt vast dat de kortste afstand tussen de voorziene woningen en de woningen van [appellant B] en [appellant C] aan de [locatie 2] en [locatie 3] gelegen ten zuidwesten van het plangebied ongeveer 43 m bedraagt. De kortste afstand tussen de voorziene woning en de woning van [appellant A] aan de [locatie 4] ten oosten van het plangebied bedraagt ongeveer 78 m. Gelet op de genoemde afstanden alsmede de omstandigheid dat de bebouwingsdichtheid die het resultaat zal zijn van de beoogde herinrichting van het plangebied niet ongebruikelijk is in de omgeving van het plangebied, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan weliswaar nadelige gevolgen heeft voor het uitzicht en de privacy van [appellant A] en anderen, maar dat die gevolgen niet zodanig zijn dat zich een onevenredige aantasting van dat uitzicht en die privacy zal voordoen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het zicht tussen de voorziene woningen en de woningen van [appellant A] en anderen reeds wordt belemmerd door de aanwezigheid van bosschages. In de ruimtelijke ordening bestaat overigens ook geen recht op een blijvend vrij uitzicht. Het betoog faalt.

Alternatief

8.    [appellant A] en anderen voeren aan dat zij een alternatief voorstel voor het plan hebben gedaan, waarbij volgens hen de openheid van het gebied minder wordt aangetast en zij minder schade zullen ondervinden. Volgens hen is evenwel op geen enkele wijze gebleken waarom de raad niet voor dit voorstel heeft gekozen.

8.1.    Voor zover [appellant A] en anderen hebben betoogd dat de raad ten onrechte niet heeft gekozen voor de door hen voorgestelde stedenbouwkundige opzet van het plan, overweegt de Afdeling dat de raad bij de totstandkoming van een bestemming een afweging moet maken van alle belangen die daarbij betrokken zijn. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden betrokken.

    De raad heeft ter zitting toegelicht dat het door [appellant A] en anderen aangedragen alternatief voorziet in twee kavels die voor een groot deel zijn gesitueerd in het gebied dat onder het vorige plan is aangemerkt als ‘open gebied’. De raad wenst geen bebouwing op deze gronden, omdat het gaat om een historisch weiland in de kom van Oppenhuizen die de raad wenst te behouden. De Afdeling acht dit niet onredelijk.

    Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de voor- en nadelen van alternatieven onvoldoende in zijn besluitvorming heeft betrokken. Het betoog faalt.   

Financiële uitvoerbaarheid en planschade

9.    [appellant A] en anderen voeren aan dat de komst van de voorziene woningen een negatieve invloed heeft op de verhuurbaarheid van het gastenverblijf op het perceel [locatie 4], waardoor [appellant A] inkomensschade ondervindt. Verder leidt het plan volgens hen tot een aanzienlijke waardedaling van de panden van [appellant A] aan de [locatie 5] en 6. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben [appellant A] en anderen het taxatierapport "[locatie 5]+[locatie 4] Oppenhuizen" van 28 januari 2019 van Kamminga Makelaars (hierna: het taxatierapport) overgelegd. Volgens hen heeft de raad onvoldoende rekening gehouden met de volgens hen aanzienlijke planschade die ontstaat als gevolg van het plan en had de raad op voorhand moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode.

9.1.    In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financiële uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode.

9.2.    In hoofdstuk 7 van de plantoelichting is inzicht geboden in onder meer de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Daarin is vermeld dat het onderhavige plan een particulier initiatief betreft op particuliere gronden en dat het gemeentebestuur met de initiatiefnemer een overeenkomst heeft gesloten waarmee onder andere de kosten van de procedure verhaald worden.

9.3.     Voor zover [appellant A] en anderen betogen dat het plan vanwege eventuele planschade niet financieel uitvoerbaar is, overweegt de Afdeling dat het door [appellant A] en anderen overgelegde taxatierapport geen duidelijke planologische vergelijking bevat tussen het onderhavige bestemmingsplan en het vorige geldende bestemmingsplan. Bovendien is in het taxatierapport als waardepeildatum 28 januari 2019 gehanteerd, terwijl het onderhavige plan op 14 juni 2018 is vastgesteld. Het taxatierapport biedt dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad vanwege de eventuele planschade die ontstaat bij [appellant A] op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode. Overigens bestaat voor eventuele tegemoetkoming in planschade een afzonderlijke procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden. Het betoog faalt.

Herhalen en inlassen zienswijze

10.    Voor zover [appellant A] en anderen voor het overige verzoeken de inhoud van hun zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen, overweegt de Afdeling dat in de Reactienota Zienswijzen behorende bij het bestreden besluit, hierop is ingegaan. [appellant A] en anderen hebben niet nader onderbouwd waarom de weerlegging hiervan onjuist zou zijn.

Conclusie

11.    Het beroep is ongegrond.

12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Tieleman, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Tieleman

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2019

817.