Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2456

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
17-07-2019
Zaaknummer
201800656/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:14417, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 september 2016 heeft het college [appellant] gelast om uiterlijk binnen vier weken na de verzenddatum van het besluit de aangebrachte afscheiding aan de achterzijde van het perceel [locatie] te Noordwijk te verwijderen en verwijderd te houden, dan wel te verlagen en verlaagd te houden tot één meter, onder het opleggen van een dwangsom van € 500,00 per week tot een maximum van € 2.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800656/1/A1.

Datum uitspraak: 17 juli 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Noordwijk,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 december 2017 in zaak nr. 17/2176 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk.

Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2016 heeft het college [appellant] gelast om uiterlijk binnen vier weken na de verzenddatum van het besluit de aangebrachte afscheiding aan de achterzijde van het perceel [locatie] te Noordwijk te verwijderen en verwijderd te houden, dan wel te verlagen en verlaagd te houden tot één meter, onder het opleggen van een dwangsom van € 500,00 per week tot een maximum van € 2.000,00.

Bij besluit van 1 maart 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 december 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.F. Verheijen, werkzaam bij SRK rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Aleman, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] als partij gehoord.

Overwegingen

1.    Op 17 mei 2016 heeft een gemeentelijke toezichthouder geconstateerd dat [appellant] aan de achterzijde van het perceel een erfafscheiding heeft geplaatst met een hoogte van 2 m (hierna: de erfafscheiding). Voor het plaatsen van de erfafscheiding is geen omgevingsvergunning gevraagd of verleend.

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat voor het bouwen van de erfafscheiding op grond van artikel 2, aanhef en onder 12b, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder a, of onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is vereist.

    Hij voert daartoe aan dat de in artikel 2, aanhef en onder 12b, aanhef en onder 3° van Bijlage II van het Bor genoemde uitzondering zich hier voordoet. Volgens [appellant] bevindt de erfafscheiding zich op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied. Volgens [appellant] ligt de erfafscheiding in een brandgang aan een weg die uitsluitend bedoeld is voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer. Voetgangers en fietsers gebruiken volgens [appellant] voor het overgrote deel de Oranje Nassaustraat om van de Marijkestraat naar de Oranje Nassaustraat te komen en niet die brandgang. Daarbij hebben de gronden achter het perceel volgens [appellant] een woonbestemming en geen verkeersbestemming.

Bovendien wijst [appellant] erop dat hij eigenaar is van de strook grond direct achter de erfafscheiding, zodat het openbaar gebied pas begint na die strook grond en de erfafscheiding ook om die reden op meer dan 1 m van het openbaar toegankelijk gebied staat.

    Verder waren er volgens [appellant] ten tijde van het bouwen van de erfafscheiding in 2013 geen redelijke eisen van welstand van toepassing als bedoeld in dat artikel. Volgens [appellant] moet het criterium dat geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn zo worden begrepen dat geen welstandseisen gelden omtrent het aanhouden van een afstand tot het openbaar toegankelijk gebied. [appellant] vindt steun voor deze opvatting in de Nota van Toelichting op Bijlage II bij het Bor (Staatsblad 2010, 143, p. 150).   

2.1.    Artikel 1 van Bijlage II van het Bor luidt:

"In deze bijlage wordt verstaan onder:

(…)

openbaar toegankelijk gebied: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer;

(…)"

    Artikel 2, aanhef en onder 12, van Bijlage II van het Bor luidt:

"Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:

een erf- of perceelafscheiding, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

(…)

b. niet hoger dan 2 m, en

1°. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat,

2°. achter de voorgevelrooilijn, en

3°. op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;

2.2.    [appellant] betoogt tevergeefs dat de erfafscheiding zich bevindt op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 12b, van Bijlage II van het Bor.

Volgens het advies van de bezwaarcommissie dat ten grondslag is gelegd aan het besluit op bezwaar van 1 maart 2017, loopt achter de erfafscheiding een pad dat de Oranje Nassaustraat en de Marijkestraat met elkaar verbindt. In het verlengde van dit pand (vanuit de richting van de Oranje Nassaustraat) bevindt zich een strook grond, zijnde een betegeld voetpad, dat uitkomt op de Marijkestraat en waarop een verkeersbestemming rust. Het college heeft aannemelijk gemaakt, mede gelet op de ter zitting getoonde foto’s, dat het pad wordt gebruik door voetgangers en fietsers om van de Oranje Nassaustraat naar de Marijkestraat te gaan en andersom. Dit betekent dat het pad niet uitsluitend is bedoeld om de percelen te ontsluiten die aan het pad liggen. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de erfafscheiding zich bevindt op minder dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 12b, van Bijlage II van het Bor.

    De omstandigheid dat [appellant] eigenaar is van een strook grond achter de erfafscheiding, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij is van belang dat deze strook niet duidelijk is afgescheiden van het pad omdat de betegeling zonder onderbreking doorloopt. Bovendien is deze strook grond voor het publiek algemeen toegankelijk en wordt het ook als zodanig gebruikt.

    De omstandigheid dat op het pad een woonbestemming rust leidt evenmin tot een ander oordeel. Daarbij is van belang dat het pad ongeacht deze bestemming voor publiek algemeen toegankelijk is en ook als zodanig door dat publiek wordt gebruikt.

2.3.    Verder is niet in geschil dat ten tijde van het besluit op bezwaar de Welstandsnota, versie 2014, van de gemeente Noordwijk gold op grond waarvan redelijke eisen van toepassing zijn voor het bouwen van de  erfafscheiding. Dit betekent dat niet wordt voldaan aan de aan de in artikel 2, aanhef en onder 12b, onderdeel 3° in Bijlage II van het Bor gestelde voorwaarde "tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn."

    [appellant] betoogt dat ten tijde van het bouwen van de erfafscheiding er geen redelijke eisen van welstand van toepassing waren als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 12b, van Bijlage II van het Bor.

De Afdeling begrijpt hieruit dat [appellant] bedoelt te betogen dat toen de erfafscheiding werd gebouwd daarvoor nog geen omgevingsvergunning was vereist en dat, sinds daarvoor wel een omgevingsvergunning is vereist, het rechtszekerheidsbeginsel aan handhavend optreden in de weg staat. Daargelaten het antwoord op de vraag of [appellant] aannemelijk heeft gemaakt dat hij, zoals hij stelt, de erfafscheiding in 2013 heeft gebouwd, faalt dit betoog. Op dat tijdstip gold immers de Welstandsnota, versie maart 2011 van de gemeente Noordwijk waarin in Deel C, paragraaf 3.4 eisen worden gesteld voor het bouwen van erfafscheidingen. Deze eisen golden ook voor de hier aan de orde zijnde erfafscheiding. Aldus waren er ten tijde van het bouwen van de erfafscheiding ook redelijke eisen van welstand van toepassing op de erfafscheiding. De verwijzing van [appellant] naar de Nota van Toelichting kan hem niet baten, reeds omdat de betekenis van artikel 2, aanhef en onder 12b, van Bijlage II van het Bor voldoende duidelijk is.

2.4.    Uit het vorenstaande vloeit voort dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de in artikel 2, aanhef en onder 12b, aanhef en onder 3° van Bijlage II van het Bor genoemde uitzondering zich hier niet voordoet.

Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat voor het bouwen van de erfafscheiding in ieder geval een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is vereist.

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. Drop    w.g. Bolleboom

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2019

543.