Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2448

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
17-07-2019
Zaaknummer
201809844/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:9936, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij e-mail van 17 januari 2018 heeft [appellante] het college verzocht om handhavend op te treden tegen het houden van kampvuuravonden op camping Slingeland aan de Slingelandseweg 19 te Giessenburg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2019/257
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201809844/1/A3.

Datum uitspraak: 17 juli 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Noordeloos, gemeente Molenlanden,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 november 2018 in zaak nr. 18/2015 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Giessenlanden (thans: Molenlanden).

Procesverloop

Bij e-mail van 17 januari 2018 heeft [appellante] het college verzocht om handhavend op te treden tegen het houden van kampvuuravonden op camping Slingeland aan de Slingelandseweg 19 te Giessenburg.

Bij brief van 16 februari 2018 heeft het college [appellante] medegedeeld dat de e-mail van 17 januari 2018 niet aangemerkt kan worden als handhavingsverzoek omdat het niet aan de in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gestelde eisen voldoet.

Bij brief van 9 maart 2018 heeft het college [appellante] medegedeeld dat het de brief van 19 februari 2018 met daarbij als bijlage de brief van 17 januari 2018 bevattende het handhavingsverzoek heeft ontvangen op 23 februari 2018 en binnen acht weken na die datum zal reageren op het handhavingsverzoek.

[appellante] heeft het college op 23 maart 2018 door middel van het ‘Formulier dwangsom bij niet tijdig beslissen’ in gebreke gesteld.

Bij brief van 29 maart 2018 heeft het college [appellante] medegedeeld dat de ingebrekestelling prematuur is, omdat de beslistermijn nog niet overschreden was.

[appellante] heeft op 10 april 2018 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar handhavingsverzoek.

Bij brief van 18 april 2018 heeft het college [appellante] medegedeeld dat het niet in staat is om binnen acht weken op het handhavingsverzoek te beslissen en dat ervanuit wordt gegaan dat vóór 15 juni 2018 een beslissing op het verzoek bekend zal worden gemaakt.

Bij besluit van 18 juni 2018 heeft het college het handhavingsverzoek van [appellante] deels toegewezen.

Bij uitspraak van 27 november 2018 heeft de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2019, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door J.C. Tebrugge, zijn verschenen.

Overwegingen

Juridisch kader

1.    De relevante wetgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage is onderdeel van de uitspraak.

Hoger beroep

2.    [appellante] betoogt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3242, dat de rechtbank heeft miskend dat de beslistermijn voor het college om te reageren op haar handhavingsverzoek niet inging op 23 februari 2018 maar op 17 januari 2018 toen het college haar e-mail met het verzoek had ontvangen hoewel het handhavingsverzoek niet langs deze weg ingediend mocht worden. Blijkens de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1453, had het college haar hiervan op de hoogte moeten stellen en haar de gelegenheid moeten bieden om het handhavingsverzoek alsnog op de juiste wijze in te dienen binnen een door het college te bepalen termijn. Verder was, anders dan het college stelt, de brief van 19 februari 2018 er niet op gericht om een nieuw handhavingsverzoek in te dienen, maar slechts het gebrek van de oorspronkelijke aanvraag te herstellen. Gelet op het bovenstaande is de ingebrekestelling niet prematuur, is het college haar een dwangsom verschuldigd en heeft zij niet te vroeg beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar handhavingsverzoek, aldus [appellante].

Beoordeling

3.    In geschil is de vraag wanneer de beslistermijn voor het college om te reageren op het handhavingsverzoek van [appellante] is ingegaan. De Afdeling volgt [appellante] in het standpunt dat uit artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb volgt dat de beslistermijn ingaat op het moment dat de oorspronkelijke aanvraag is ingediend. In dit geval ging de beslistermijn in op het moment dat het college de e-mail van 17 januari 2018 had ontvangen. De beslistermijn is vervolgens niet opgeschort voor de periode die [appellante] nodig had om het handhavingsverzoek op de juiste wijze in te dienen. Daartoe wordt overwogen dat de brief van het college van 16 februari 2018 niet kan worden aangemerkt als een uitnodiging in de zin van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb om het verzoek aan te vullen, reeds omdat de brief niet een termijn bevat waarbinnen [appellante] de gelegenheid kreeg om het verzoek aan te vullen.

3.1.    Gelet op het voorgaande is de op 23 maart 2018 bij het college binnengekomen ingebrekestelling van [appellante] overeenkomstig artikel 6:12 van de Awb ingediend. De rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank had dat beroep gegrond moeten verklaren en de door het college aan haar verschuldigde dwangsom moeten vaststellen.

Conclusie

4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellante] ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaren en het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigen. Nu het college pas op 18 juni 2018 een besluit heeft genomen op haar handhavingsverzoek, zal de Afdeling bepalen dat het college ingevolge artikel 4:17 van de Awb de maximale dwangsom van € 1.260,00 aan [appellante] is verschuldigd.

5.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 november 2018 in zaak nr. 18/2015;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

V.    bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden een dwangsom van € 1.260,00 aan [appellante] is verschuldigd;

VI.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 423,00 (zegge: vierhonderddrieëntwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2019

176-898.

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 2:15

1. Een bericht kan elektronisch naar een bestuursorgaan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. Het bestuursorgaan kan nadere eisen stellen aan het gebruik van de elektronische weg.

[…]

4. Het bestuursorgaan deelt een weigering op grond van dit artikel zo spoedig mogelijk aan de afzender mede.

Artikel 4:5

1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:

a.     de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of

b.     de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, of

[…]

mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

[…]

4. Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de yaanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Artikel 4:13

1. Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

2. De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan.

Artikel 4:15

1. De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan:

a.     de aanvrager krachtens artikel 4:5 uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken, of

[…]

Artikel 6:12

1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, is het niet aan een termijn gebonden.

2. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:

a.     het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en

b.     twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

[…]