Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2444

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
17-07-2019
Zaaknummer
201803709/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Uithoornlijn en busverbinding Uithoorn" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2019/7009
JM 2019/123 met annotatie van Arents, F.
JOM 2019/777
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803709/1/R1.

Datum uitspraak: 17 juli 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Uithoorn,

2.    [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend te Uithoorn,

3.    [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], wonend te Uithoorn,

4.    [appellante sub 4A] en [appellant sub 4B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]), wonend te Uithoorn,

5.    [appellant sub 5], wonend te Uithoorn,

6.    [appellant sub 6A] en [appellante sub 6B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 6]), wonend te Uithoorn,

7.    [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], wonend te Uithoorn,

en

de raad van de gemeente Uithoorn,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Uithoornlijn en busverbinding Uithoorn" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellanten sub 7] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de Stab) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Dit deskundigenbericht is gedateerd 3 juli 2018. [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellanten sub 7] en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De raad en [appellanten sub 7] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 april 2019, waar [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5], vertegenwoordigd door mr. T. de Beet, rechtsbijstandverlener te Amsterdam, en bijgestaan door [gemachtigde], [appellanten sub 7], bij monde van [appellant sub 7A], en de raad, vertegenwoordigd door mr. D.S.P. Roelands-Fransen, advocaat te Den Haag, en bijgestaan door ir. M.H.J. Bakermans, zijn verschenen.

Overwegingen

    Bijlage

1.    Het wettelijk kader dat ten grondslag ligt aan de hierna volgende rechtsoverwegingen is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Inleiding

2.    Het plan voorziet in de aanleg van het tracé van de "Uithoornlijn" in Uithoorn. Door de komst van de Uithoornlijn wordt de Amstelveenlijn doorgetrokken van het huidige eindpunt Westwijk in Amstelveen naar het dorpscentrum van Uithoorn. Daarmee komt er één tramverbinding tussen station Amsterdam Zuid en Uithoorn, via Amstelveen. De Uithoornlijn bestaat uit een tracé van 4,435 km lang, waarlangs drie tramhaltes worden gerealiseerd. De Uithoornlijn vervangt de huidige directe busverbindingen uit Uithoorn naar Amstelveen en Amsterdam, met uitzondering van een busverbinding tussen Zijdelwaard en Amstelveen centrum.

    Verder voorziet het plan in een actuele juridisch-planologische regeling voor de bestaande busverbinding die loopt van het westen naar het oosten vanuit Aalsmeer naar Uithoorn en verder richting Mijdrecht. De busverbinding wordt over een afstand van ongeveer 2,2 km gecombineerd met het tramtracé.

3.    [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellanten sub 7] wonen onderscheidenlijk aan de [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4], [locatie 5], [locatie 6] en [locatie 7] en [locatie 8] te Uithoorn. Zij vrezen als gevolg van het plan onder andere geluidoverlast. [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] hebben identieke beroepschriften ingediend en worden om die reden hierna aangeduid met [appellant sub 1] en anderen, tenzij anders aangegeven.

Toetsingskader

4.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Beantwoording zienswijze

5.    [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 6] stellen dat de raad hun zienswijzen onvoldoende hebben beantwoord.

5.1.    Voor zover dit betoog van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 6] aldus moet worden begrepen dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), overweegt de Afdeling dat artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen verzet dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

    Het betoog faalt.

Geluid

6.    [appellant sub 1] en anderen vrezen een aantasting van hun woon- en leefklimaat vanwege geluidoverlast. Zij voeren aan dat DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. (hierna: DGMR) in haar rapport "Uithoornlijn Resultaten onderzoek geluid" van 4 september 2017 (hierna: DGMR-rapport) de geluidgevolgen onjuist heeft onderzocht. Ter onderbouwing daarvan hebben zij het tegenrapport "Second Opinion Realisatie Uithoornlijn te Uithoorn" van 12 januari 2018 van Kraaij Akoestisch Adviesbureau (hierna: Kraaij-rapport) ingebracht. In het Kraaij-rapport worden vraagtekens gezet bij een aantal uitgangspunten in het DGMR-rapport. Ook [appellant sub 6], [appellanten sub 7] vrezen een aantasting van hun woon- en leefklimaat vanwege geluidoverlast. Zij brengen een aantal gebreken in het DGMR-rapport naar voren.

6.1.    Onder verwijzing naar het rapport "Geluidsonderzoek Uithoornlijn" van 4 oktober 2016 van Movares (hierna: Movares-rapport) en het DGMR-rapport dat ter aanvulling en actualisatie van het Movares-rapport is opgesteld, stelt de raad zich op het standpunt dat het bestemmingsplan geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het akoestisch woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 6] en [appellanten sub 7].

6.2.    Ten behoeve van de vaststelling van het plan is het DGMR-rapport opgesteld. In het DGMR-rapport is een onderscheid gemaakt tussen twee deeltrajecten van de trambaan. Deeltraject 1 betreft het emplacement in Amstelveen tot aan de busbaan in Uithoorn. De geluidbelasting vanwege de trambaan op dit deeltraject is getoetst aan een zogenoemd "nieuwe situatie", niet zijnde een reconstructie, volgens de Wet geluidhinder (hierna: Wgh). Deeltraject 2 betreft de aansluiting van de trambaan op de busbaan tot aan de halte "Dorpscentrum". Op dit deeltraject is al een busbaan aanwezig. Deze busbaan wordt gecombineerd met de aan te leggen trambaan. De trams zullen op dit deeltraject rijden op een trambaan gelegen in de asfaltdeklaag van de busbaan. Ten aanzien van dit traject is in het DGMR-rapport onderzocht of de fysieke wijziging van de weg een reconstructie is in de zin van de Wgh.

    Aan zowel deeltraject 1 als deeltraject 2 is de bestemming  "Verkeer - Openbaar vervoer" toegekend. Uit artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder c, van de planregels volgt dat binnen de genoemde bestemming de tramlijn alleen kan worden gerealiseerd op gronden met de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - trambaan".

6.3.    De geluidbelasting op de woningen van [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 6], [appellanten sub 7] is beoordeeld als een "nieuwe situatie" (deeltraject 1). Ten aanzien van de woning van [appellant sub 5] is onderzocht of sprake is van een reconstructie (deeltraject 2).

6.4.    Volgens het DGMR-rapport blijft de geluidbelasting vanwege de trambaan bij de woningen van [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 6], [appellanten sub 7] onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Verder blijft volgens het DGMR-rapport ook bij de woning van [appellant sub 5] de geluidbelasting vanwege de busbaan en de trambaan onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en is ter plaatse geen sprake van een reconstructie in de zin van de Wgh, omdat geen sprake is van een toename van de geluidbelasting van 2 dB of meer.

Correctie van 8 en 10 dB

7.    [appellant sub 1] en anderen betogen onder verwijzing naar het Kraaij-rapport dat in het DGMR-rapport ten onrechte een lagere geluidemissie van 8 tot 10 dB voor de trambaan is gehanteerd. Het hanteren van een afwijkende geluidemissie zonder dat dit met geluidmetingen is onderbouwd, is niet in overeenstemming met het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (hierna: RMG 2012).

    Verder voeren [appellant sub 1] en anderen onder verwijzing naar het Kraaij-rapport aan dat er een fout in de berekeningen van het DGMR-rapport zit. De geluidbelasting ter plaatse van de woningen aan de [locatie 1], [locatie 3] en [locatie 2] is hoger na het nemen van maatregelen dan wanneer geen maatregelen zouden worden genomen.

7.1.    In het DGMR-rapport is vermeld dat voor de gegevens van de trambaan is uitgegaan van een vervoersprognose van de Vervoerregio Amsterdam. Op het nieuwe traject wordt een nieuwe tram ingezet, waarvan de precieze geluidemissie nu nog niet bekend is. De Vervoerregio Amsterdam heeft een eis gesteld voor de geluidemissie voor het nieuwe voertuig. In de rekenmodellen is deze eis vertaald naar een geluidreductie op de emissiegetallen die voor een tram in het RMG 2012 zijn opgenomen. Verder is in het DGMR-rapport vermeld dat voor het gedeelte van de trambaan op ballastbed een correctie van 8 dB is toegepast en voor het gedeelte van de trambaan in asfaltbeton een correctie van 10 dB. In haar nadere reactie van 11 september 2018 op het Kraaij-rapport (hierna: nadere reactie van DGMR) heeft DGMR de toegepaste correcties nader toegelicht. Hierin is vermeld dat in tabel 2.2a in bijlage III (wegverkeer) behorende bij het RMG 2012 de emissiekentallen voor trams zijn opgenomen. Deze emissiekentallen zijn gebaseerd op de geluidemissie van oude Haagse trams en zijn niet meer representatief voor het huidige trammaterieel. Nu het trammaterieel op de Uithoornlijn nog niet bestaat en de emissiekentallen hiervan dus ook niet bekend zijn, is voor de geluidemissie aangesloten bij vergelijkbaar trammaterieel, zoals de RegioCitadis die in Den Haag rijdt (RandstadRail). Op dit trammaterieel zijn voldoende geluidmetingen uitgevoerd. De emissiekentallen van dit lightrailmaterieel (categorie 10) zijn opgenomen in bijlage IV (railverkeer) behorende bij het RMG 2012. Omdat het lightrailmaterieel alleen in bijlage IV (railverkeer) is opgenomen en niet in bijlage III (wegverkeer), heeft DGMR in haar nadere reactie een vergelijkende berekening gemaakt voor het geluidniveau op 7,5 m en 25 m afstand bij een trampassage conform bijlage III (wegverkeer) behorende bij het RMG 2012 en bij een trampassage van een bestaand lightrailvoertuig zoals opgenomen in bijlage IV (railverkeer) behorende bij het RMG 2012. Uit deze vergelijking blijkt volgens DGMR dat de passageniveaus van een lightrailvoertuig van categorie 10 ongeveer 10 tot 13 dB stiller zijn dan die van een tramvoertuig in bijlage III (wegverkeer) behorende bij het RMG 2012. Om te komen tot een geluidemissie voor de nieuwe trams op de Uithoornlijn zijn in het DGMR-rapport de geluidemissies van de (oude) trams in bijlage III (wegverkeer) behorende bij het RMG 2012 gecorrigeerd met 8 en 10 dB voor onderscheidenlijk spoor in ballast en spoor in asfalt. Met deze correcties zijn de geluidniveaus vergelijkbaar met het materieel zoals dat op de Randstadrail rijdt (RegioCitadis), waarbij nog sprake is van een speling van ongeveer 2 dB om rekening te houden met een eventuele hogere geluidemissie.

    In het deskundigenbericht is vermeld dat de geluidemissie van het tramtype RegioCitadis gedegen is onderzocht. Voor trams die voldoen aan de opgenomen emissiekentallen voor dat tramtype is volgens het deskundigenbericht terecht een correctie van 8 dB voor spoor in ballastbed en 10 dB voor spoor in asfaltbeton toegepast. [appellant sub 1] en anderen hebben deze conclusie van de Stab niet gemotiveerd bestreden. Hetgeen zij hebben aangevoerd geeft geen aanleiding om aan deze conclusie van de Stab te twijfelen.

    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat met toepassing van de correcties van 8 en 10 dB in strijd is gehandeld met het RMG 2012.   

    Voor zover [appellant sub 1] en anderen onder verwijzing naar het Kraaij-rapport stellen dat er een fout in de berekeningen van het DGMR-rapport zit en dat de geluidbelasting ter plaatse van de woningen aan de [locatie 1], [locatie 3] en [locatie 2] hoger is na het nemen van maatregelen dan wanneer geen maatregelen zouden worden genomen, overweegt de Afdeling als volgt. In het deskundigenbericht is vermeld dat in het Kraaij-rapport een vergelijking is gemaakt tussen de situatie van alleen de geluidbelasting van de trambaan zonder schermen met de situatie van de geluidbelasting van de trambaan én de busbaan met schermen. Volgens het deskundigenbericht zijn daarmee twee situaties vergeleken die op meerdere aspecten van elkaar verschillen en daardoor niet goed vergelijkbaar zijn, zodat die vergelijking niet leidt tot de conclusie dat bij de berekening van de geluidbelasting een fout is gemaakt. Deze conclusie van de Stab hebben [appellant sub 1] en anderen niet bestreden.

    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in het DGMR-rapport ten onrechte is uitgegaan van een lagere geluidemissie.

    Het betoog faalt.

Aftrek van 5 dB

8.    [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 6] betogen dat in het DGMR-rapport ten onrechte een aftrek van 5 dB als bedoeld in artikel 110g van de Wgh is toegepast. [appellant sub 1] en anderen wijzen in hun zienswijze op het deskundigenbericht onder verwijzing naar de reactie van Kraaij van 29 oktober 2018 op het deskundigenbericht (hierna: nadere reactie van Kraaij) erop dat vanwege het inzetten van stille trams al een correctie van 8 en 10 dB heeft plaatsgevonden, zodat er geen reden is om aan te nemen dat de in te zetten stille trams in de toekomst nog weer 5 dB stiller zullen zijn. Verder hebben [appellant sub 1] en anderen ter zitting erop gewezen dat artikel 110g van de Wgh in het onderhavige geval niet van toepassing is, omdat dat artikel ziet op motorvoertuigen en een tram volgens het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) niet valt onder de definitie van motorvoertuigen. Verder wijst [appellant sub 6] erop dat een aftrek van 5 dB alleen van toepassing is indien de trambaan onderdeel is van een weg, wat volgens hem hier niet het geval is.

8.1.    Ingevolge artikel 1 van de Wgh in samenhang gelezen met artikel 1 van de Spoorwegwet wordt onder een spoorweg verstaan een weg bestemd voor verkeer over spoorstaven en geleiderails. Hieronder zijn ook tramwegen begrepen. Ingevolge artikel 1 van de Wgh wordt onder een weg verstaan een voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande weg of openstaand pad, met inbegrip van de daarin liggende bruggen of duikers, alsmede een spoorweg die niet is aangegeven op de kaart, bedoeld in artikel 106, of de geluidplafondkaart. Gelet hierop is de trambaan een spoorweg, maar omdat de Uithoornlijn niet is aangegeven op de kaart, zoals bedoeld in artikel 106 van de Wgh of de geluidplafondkaart, is de Uithoornlijn een "weg" zoals bedoeld in artikel 1 van de Wgh. Dit betekent dat de geluidbelasting van de trams getoetst moet worden aan de normen voor wegen op grond van de Wgh.

    Uit het DGMR-rapport volgt dat vanwege de busbaan en de trambaan een aftrek van 5 dB is toegepast voor de wegdelen waarop de representatief te achten snelheid minder dan 70 km/uur bedraagt. Uit bijlage 2 en 3.1 van het DGMR-rapport volgt dat voor de trambaan in Uithoorn een gedifferentieerde rijsnelheid van 25-50 km/u als representatief te achten snelheid zal worden gehanteerd en voor de busbaan een rijsnelheid van 50 km/u (de hier maximaal toegestane snelheid). Gelet op artikel 110g van de Wgh en artikel 3.4, aanhef en onder d, van het RMG 2012 mocht een aftrek van 5 dB worden gehanteerd. De enkele omstandigheid dat in artikel 110g van de Wgh wordt gesproken van motorvoertuigen betekent niet dat de in dat artikel bedoelde aftrek niet kon worden toegepast. Het tracé van de Uithoornlijn is immers terecht beschouwd als een "weg", hetgeen met zich meebrengt dat de geluidbelasting vanwege de Uithoornlijn kan worden beoordeeld met het in de Wgh vervatte toetsingskader voor wegverkeerslawaai.                           

    De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad naast de correctie van 8 en 10 dB de aftrek van 5 dB niet mocht toepassen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad in zijn beantwoording van de vragen van de Stab heeft toegelicht dat de aftrek van 5 dB in combinatie met de correctie voor stiller materieel van 8 en 10 dB in dit geval gerechtvaardigd is, omdat op deze wijze het verschil tussen de voorkeursgrenswaarde bij wegverkeer van 48 dB, die van toepassing is omdat het tracé van de Uithoornlijn als weg wordt aangemerkt, en de voorkeursgrenswaarde bij spoorweglawaai van 55 dB kan worden overbrugd. De voorkeursgrenswaarde bij spoorweglawaai is hoger en dat heeft volgens de raad te maken met het feit dat spoorweglawaai als minder hinderlijk wordt ervaren. Met het verschil van 5 dB wordt het verschil in normering gecorrigeerd, maar geldt voor tramverkeer onder het regime van wegverkeer nog altijd een strengere norm dan onder het regime van spoorweglawaai. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 6] hebben dit standpunt van de raad op zichzelf niet bestreden.

    De betogen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 6] falen.

Nieuwe situatie of reconstructie

9.    [appellant sub 1] en anderen betogen dat in het DGMR-rapport er ten onrechte van is uitgegaan dat ter plaatse van hun woningen geen sprake is van een reconstructie als bedoeld in de Wgh. [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3] en [appellant sub 4] wijzen in hun zienswijze op het deskundigenbericht onder verwijzing naar de nadere reactie van Kraaij erop dat de geluidzone bepalend is bij de beoordeling of een woning in het kader van een reconstructie of nieuwe situatie moet worden betrokken in het akoestisch onderzoek. Als een woning binnen die zone ligt, dan moet deze in de beoordeling worden meegenomen. Ter zitting hebben zij in dat verband gewezen op artikel 75, derde lid, van de Wgh, op grond waarvan de zone aan het uiteinde van de weg doorloopt over een afstand gelijk aan de breedte van de zone ter hoogte van het einde van de weg. Gelet hierop is DGMR er ten onrechte van uitgegaan dat sprake is van een nieuwe situatie omdat een andere gevel van de woning belast wordt door de trambaan dan door de huidige busbaan. Verder wijst [appellant sub 5] onder verwijzing naar het Kraaij-rapport erop dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden, zodat sprake is van een reconstructie. Volgens hem kunnen de tuinschermen langs de bestaande busbaan overeenkomstig het RMG 2012 niet worden aangemerkt als een geluidscherm. Het afschermend effect wordt met ongeveer 4 dB overschat op 7,5 m hoogte. Daarnaast wijst hij erop dat ten onrechte een lagere geluidemissie van 10 dB wordt gehanteerd vanwege de trambaan in asfaltbeton.

9.1.    Ingevolge artikel 1 van de Wgh wordt onder een reconstructie van een weg verstaan een of meer wijzigingen op of aan een aanwezige weg ten gevolge waarvan uit akoestisch onderzoek als bedoeld in artikel 77, eerste lid, onder a, en artikel 77, derde lid, blijkt dat de berekende geluidsbelasting vanwege de weg in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen ten opzichte van de geluidsbelasting die op grond van artikel 100 dan wel het bepaalde krachtens artikel 100b, aanhef en onder a, als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting geldt, met 2 dB of meer wordt verhoogd.

9.2.    De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3] en [appellant sub 4] aldus dat zij stellen dat hun woningen niet of onvoldoende in het DGMR-rapport zijn meegenomen omdat is uitgegaan van een verkeerde omvang van de geluidzone, in welk verband zij verwijzen naar artikel 75, derde lid, van de Wgh. Gelet hierop is er volgens hen ten onrechte van uitgegaan dat ter plaatse van hun woningen geen sprake is van een reconstructie als bedoeld in artikel 1 van de Wgh.

     Ingevolge artikel 74, eerste lid, van de Wgh geldt voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken in stedelijk gebied, een geluidzone van 200 m. In het DGMR-rapport is voor de busbaan uitgegaan van een binnenstedelijke weg met twee rijstroken met een zonebreedte van 200 m. In haar nadere reactie van 11 september 2018 heeft DGMR toegelicht dat de woningen van [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3] en [appellant sub 4] zijn beschouwd als nieuwe situatie, omdat de busbaan bij deze woningen niet wijzigt. Anders dan [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3] en [appellant sub 4] stellen, is de Afdeling van oordeel dat de situatie in het door hen aangehaalde artikellid zich hier niet voordoet. Ingevolge artikel 75, derde lid, van de Wgh loopt de zone aan de uiteinden van een weg door over een afstand gelijk aan de breedte van de zone ter hoogte van het einde van de weg. De zone loopt door langs een lijn die is gelegen in het verlengde van de wegas. Zij behoudt de breedte die zij had ter hoogte van het einde van de weg. In het onderhavige geval is echter geen sprake van een einde van een weg, maar van een einde van een fysieke wijziging van een weg. Op het moment dat de trambaan geen onderdeel meer uitmaakt van de weg waarop de bus rijdt, houdt de fysieke wijziging namelijk op. Gelet op het vorenstaande, en mede in aanmerking genomen dat DGMR rekening heeft gehouden met de geluidzones, ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat ter plaatse van de woningen van [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3] en [appellant sub 4] geen sprake is van een reconstructie als bedoeld in artikel 1 van de Wgh.

    Het betoog van [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3] en [appellant sub 4] faalt.

9.3.    Wat betreft het betoog van [appellant sub 5] overweegt de Afdeling als volgt. In het DGMR-rapport is vermeld dat aan beide zijden van de busbaan tussen de Boerlagelaan en de Amsterdamseweg lage grondwallen aanwezig zijn met daar bovenop houten (zicht)schermen. De top van deze schermen ligt op een hoogte variërend tussen 2 en 3 m boven het wegdek. De constructie van deze schermen is van dien aard  dat de geluidafschermende werking hiervan minder is dan van nieuwe schermen met dezelfde hoogte.

Op deze schermen (in combinatie met de grondwallen) is volgens het DGMR-rapport een profielcorrectie van 2 dB toegepast. Door een profielcorrectie van 2 dB toe te passen wordt de afschermende werking van deze schermen met 2 dB verminderd ten opzichte van een normaal scherm. Door toepassing van deze correctie is rekening gehouden met de verminderde staat van de schermen. In haar nadere reactie van 11 september 2018 heeft DGMR toegelicht dat in het DGMR-rapport ten zuiden van de fietstunnel alleen aan de westzijde (de zijde van de Admiraal de Ruyterlaan) rekening is gehouden met een grondwal met een zichtscherm van 2,5 m. In het deskundigenbericht is vermeld dat DGMR dit scherm, gelet op de staat ervan, heeft meegenomen als geluidscherm met een verminderde schermwerking. Dit is volgens het deskundigenbericht niet in overeenstemming met het RMG 2012, omdat in paragraaf 2.10 van bijlage II bij het RMG 2012 is bepaald dat indien de isolatiewaarde van het scherm minder dan 10 dB groter is dan de berekende schermwerking een nader onderzoek naar de schermwerking van het object wordt verricht. Volgens de Stab heeft DGMR een dergelijk onderzoek niet uitgevoerd voor de grondwal met het zichtscherm ter plaatse van de [locatie 5], zodat de wijze waarop het scherm in het geluidonderzoek is meegenomen niet voldoet aan het RMG 2012. Nu gelet op deze constatering in het deskundigengbericht ten tijde van de vaststelling van het plan geen nader onderzoek is verricht, heeft de raad het plan naar het oordeel van de Afdeling in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

9.4.    De Afdeling ziet echter aanleiding om met het oog op een finale geschilbeslechting nader te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in zoverre in stand gelaten kunnen worden. Daartoe overweegt de Afdeling het volgende.

9.5.    Na de vaststelling van het bestemmingsplan heeft DGMR in haar notitie van 7 september 2018 alsnog onderzoek gedaan naar de geluidisolerende werking van de bestaande (zicht)schermen, waarbij de schermeffecten zijn gemeten. Uit de notitie van DGMR volgt dat de gemeten schermeffecten op de meetlocaties hoger zijn dan het berekende schermeffect, met uitzondering van één plek waar het gemeten schermeffect 0,4 dB lager is dan het berekende schermeffect. Verder leidt de aanwezigheid van kleine spleten volgens deze notitie niet tot een significante afname in de schermwerking. Gelet hierop zijn de bestaande zichtschermen voldoende geluidisolerend en kunnen deze als geluidscherm in de rekenmodellen worden meegenomen.

    In het deskundigenbericht wordt opgemerkt dat geen metingen hebben plaatsgevonden ter plaatse van [locatie 5], waar [appellant sub 5] woont. Het onderzoek naar de geluidschermen is volgens het deskundigenbericht niettemin wel representatief voor de situatie ter plaatse van de woning van [appellant sub 5]. De afstand tussen [locatie 9], waar een meting heeft plaatsgevonden, en [locatie 5] is ongeveer 100 m en beide woningen zijn gelegen langs hetzelfde zichtscherm aan de westzijde van de busbaan. In het deskundigenbericht is vermeld dat op drie van de gemeten locaties, waaronder [locatie 9], de afscherming vergelijkbaar is met de afscheiding ter plaatse van [locatie 5]. Het gaat om houten zichtschermen met een hoogte van 1 tot 1,5 m die zijn geplaatst op een grondwal langs de busbaan. Op basis van metingen die DGMR heeft verricht, kan worden geconcludeerd dat de huidige zichtschermen voldoende geluidsisolerend zijn om als geluidscherm te worden aangemerkt, aldus het deskundigenbericht. [appellant sub 1] en anderen hebben deze conclusie van de Stab niet gemotiveerd bestreden. Hetgeen zij hebben aangevoerd geeft naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding om aan deze conclusie van de Stab te twijfelen.

    Uit het vorenstaande volgt dat de zichtschermen als geluidschermen kunnen worden aangemerkt en dat DGMR deze bij de berekening van de geluidbelasting heeft mogen betrekken. Verder volgt uit 7.1 dat de raad terecht een aftrek van 10 dB voor spoor in asfaltbeton heeft toegepast. Het vorenstaande leidt ertoe dat de door DGMR berekende geluidbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 5] zowel in de huidige als de toekomstige situatie onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB blijft.

Uit artikel 100 van de Wgh volgt dat indien de heersende waarde in de huidige situatie onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ligt, de voorkeursgrenswaarde van 48 dB het uitgangspunt is bij de beoordeling of sprake is van een toename van 2 dB in de toekomstige situatie. Nu de geluidbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 5] ook in de toekomstige situatie onder de 48 dB blijft, is ter plaatse van zijn woning geen sprake van een reconstructie als bedoeld in artikel 1 van de Wgh.

9.6.    Gelet op het vorenstaande is de conclusie dat het aan het bestreden besluit klevende gebrek met betrekking tot het aan het plan ten grondslag liggende onderzoek is hersteld. De Afdeling ziet in zoverre dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Cumulatie van geluid

10.    [appellanten sub 7] betogen dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de cumulatie van het geluid van de tramlijn en het geluid van het vliegverkeer.

10.1.    De Afdeling begrijpt het betoog van [appellanten sub 7] aldus dat de raad ten onrechte niet heeft beoordeeld of in het kader van een goede ruimtelijke ordening de cumulatieve geluidhinder van vliegtuiglawaai en tram voor het woon- en leefklimaat aanvaardbaar kan worden geacht.

10.2.    De Afdeling stelt vast dat geen akoestisch onderzoek is verricht naar de gecumuleerde geluidbelasting van het geluid van de tramlijn en het geluid van het vliegverkeer. De Afdeling stelt voorop dat in dit geval op grond van de Wgh geen verplichting bestaat tot het verrichten van een onderzoek naar de cumulatieve effecten van het geluid van de tramlijn en het geluid van het vliegverkeer. Artikel 110f van de Wgh is alleen van toepassing als voor een woning - of ander geluidgevoel object - een hogere waarde wordt vastgesteld en daarnaast sprake is van meerdere geluidzones, waarbij de voorkeursgrenswaarde door minstens twee geluidbronnen wordt overschreden. Daarvan is bij de woningen van [appellanten sub 7] geen sprake, zodat in dit geval de in artikel 110f, eerste lid, van de Wgh genoemde situatie zich niet voordoet.

    Niettemin kunnen zich ook buiten de gevallen waarin de Wgh voorschrijft onderzoek te verrichten naar de cumulatieve geluidbelasting, gevallen voordoen waarin rekening moet worden gehouden met een negatieve invloed van cumulatieve geluidbelasting op het woon- en leefklimaat ter plaatse van bepaalde woningen. Ten einde een goede afweging te maken in het kader van een goede ruimtelijke ordening bestond in het onderhavige geval aanleiding daartoe. Daarbij betrekt de Afdeling dat de woningen van [appellanten sub 7] binnen de zogenaamde 20 Ke-contour liggen. Voorts is van belang dat het plan verschillende functies toelaat en leidt tot een toename van verkeer. Gelet op het vorenstaande is de cumulatie ten onrechte niet onderzocht en afgewogen. Het besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

    Het betoog slaagt.

10.3.    De Afdeling ziet echter aanleiding om met het oog op een finale geschilbeslechting nader te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in zoverre in stand gelaten kunnen worden. Daartoe overweegt de Afdeling het volgende.

10.4.    De Stab heeft in het deskundigenrapport het gecumuleerde geluidniveau berekend. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt 56,1 dB. De bijdrage van het geluid als gevolg van de tram bedraagt volgens het deskundigenbericht, zonder aftrek van 5 dB op grond van artikel 110g van de Wgh, 0,01 dB. Nu de geluidbelasting van de trambaan geen dan wel slechts beperkt invloed heeft op de totale cumulatieve geluidbelasting, acht de Afdeling een gecumuleerde geluidbelasting van 56,1 dB niet onaanvaardbaar. Daarbij betrekt de Afdeling dat de geluidbelasting van de trambaan volgens het deskundigenbericht ongeveer 30 dB op de gevel bedraagt. Aangezien de geluidwering van een gevel ongeveer 20 dB bedraagt, zal dit niet leiden tot hoge binnenwaarden en geluidoverlast in de woning, aldus het deskundigenbericht. In hetgeen [appellanten sub 7] in hun zienswijze op het deskundigenbericht hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om aan de juistheid van de bevindingen van het deskundigenbericht te twijfelen.

10.5.    Gelet op het vorenstaande is de conclusie dat het aan het bestreden besluit klevende gebrek met betrekking tot het aan het plan ten grondslag liggende onderzoek is hersteld. De Afdeling ziet in zoverre dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Geluidsignaal machinist

11.    [appellant sub 1] en anderen betogen onder verwijzing naar het Kraaij-rapport dat in het DGMR-rapport ten onrechte geen rekening is gehouden met het geluidsignaal dat de trammachinist maakt.

11.1.    In het deskundigenbericht is vermeld dat de tram zal rijden over een vrij liggend tracé of over een gecombineerde tram- en busbaan. Alleen op bewaakte overwegen zal de tram het overige verkeer kruisen. Van menging met overig verkeer, waarbij de tram een geluidsignaal afgeeft om het overige verkeer te attenderen, zal dan ook geen sprake zijn. Geluidoverlast als gevolg van het geluidsignaal is daarom niet te verwachten. Gelet op hetgeen in het deskundigenbericht is gerapporteerd, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake zal zijn van een onaanvaardbare geluidhinder als gevolg van het geluidsignaal van de trammachinist.

    Het betoog faalt.

Booggeluid

12.    [appellant sub 6] voert aan dat in het DGMR-rapport ten onrechte geen rekening is gehouden met het optreden van booggeluid, zijnde een piepend, gillend of snerpend geluid dat optreedt in krappe bochten. Volgens hem kan dit wellicht tonaal geluid met zich brengen, wat nog hinderlijker is.

[appellant sub 6] stelt dat dit bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening de akoestische beoordeling ruimer moet zijn dan de enkele toets aan de Wgh en het RMG 2012.

12.1.    Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellant sub 6] en [appellanten sub 7] niet aannemelijk gemaakt dat het planologisch mogelijk maken van een tramtracé wegens het kunnen optreden van booggeluid onaanvaardbare gevolgen zal hebben voor het woon- en leefklimaat ter plaatse. Daarbij is van belang dat uit het deskundigenbericht volgt dat booggeluid niet altijd optreedt bij het nemen van een bocht door een tram, maar dat de kans daarop groter is bij het rijden door bochten met een boogstraal kleiner dan 100 m, bij droge weersomstandigheden en bij een hogere rijsnelheid. De kans dat booggeluid optreedt is volgens het deskundigenbericht niet groot omdat de boog in de Uithoornlijn een straal heeft van ongeveer 300 m. Voor de conclusie dat maatregelen ter reductie van booggeluid niet mogelijk zijn, bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding. In dat verband heeft de raad gewezen op het smeren van het spoor en een flens- en kopsmeerinstallatie die slijtage aan de zijkant van de railkop en wielflens verminderen. Er is niet gebleken van belemmeringen die zich verzetten tegen het treffen van dergelijke maatregelen.

    Het betoog faalt.

Overlast door onderhoud

13.    [appellanten sub 7] betogen in hun zienswijze op het deskundigenbericht dat onderhoud van de trambaan ter voorkoming van booggeluid in de nachturen zal plaatsvinden en dat zij daar overlast van zullen ondervinden.

13.1.    Voor zover het betoog van [appellanten sub 7] aldus moet worden begrepen dat de raad onderhoud van de trambaan in de nachturen in de planregels had moeten regelen, overweegt de Afdeling dat de raad hiervan in redelijkheid heeft kunnen afzien, aangezien, zoals de raad stelt, onderhoud van de trambaan sporadisch zal voorkomen.

    Het betoog faalt.

Borging in planregels

14.    [appellant sub 6] betoogt dat de uitgangspunten in het DGMR-rapport ten onrechte niet in de planregels zijn geborgd. Volgens hem laat de formulering van artikel 3, lid 3.3.1, van de planregels toe dat de tramlijn in gebruik wordt genomen voordat de geluidschermen zijn geplaatst. Gelet hierop heeft de raad in de planregels niet geregeld wat hij heeft beoogd. Verder voert hij aan dat in de planregels ten onrechte niet is gewaarborgd dat er stiller trammaterieel zal worden ingezet en dat de trams ter hoogte van zijn woning niet harder dan 30 km/u mogen rijden. Nu deze uitgangspunten niet in de planregels zijn gewaarborgd, is volgens hem niet uitgesloten dat ander trammaterieel kan worden ingezet en dat de trams harder dan 30 km/u zullen rijden.

    Verder hebben [appellant sub 1] en anderen eerst ter zitting aangevoerd dat in de planregels ten onrechte geen meetverplichting is opgenomen, inhoudende dat indien het tramtracé gereed is, gemeten moet worden of de daadwerkelijke geluidbelasting niet hoger is dan in het DGMR-rapport is gemeten.

14.1.    Ingevolge artikel 3, lid 3.3.1, van de planregels mag de tramlijn niet eerder in gebruik worden genomen, conform het akoestisch onderzoek zoals opgenomen in bijlage 12b behorende bij de plantoelichting, dan nadat geluidwerende voorzieningen zijn gerealiseerd en in stand gehouden op diverse delen van het tracé zoals opgenomen onder a tot en met f van dat artikellid.

    De raad heeft toegelicht dat uit het DGMR-rapport volgt dat op de Uithoornlijn nieuwe trams worden ingezet. Aangezien de precieze geluidemissie van deze trams nog niet bekend is, heeft de Vervoerregio Amsterdam een eis voor de geluidemissie aan de nieuwe trams gesteld. Bij de berekening van de geluidbelasting is in het DGMR-rapport van deze eis uitgegaan. Ter zitting heeft de raad desgevraagd toegelicht dat uit artikel 3, lid 3.3.1, van de planregels niet alleen de verplichting voortvloeit dat de tramlijn pas in gebruik mag worden genomen nadat geluidwerende voorzieningen zijn gerealiseerd. Volgens de raad moet artikel 3, lid 3.3.1, van de planregels zo worden gelezen dat de tramlijn pas in gebruik mag worden genomen als trams worden ingezet met de geluidkenmerken waarvan in het DGMR-rapport is uitgegaan, als de geluidbelasting niet hoger is dan de berekende geluidbelasting in het DGMR-rapport en als is geregeld dat de trams niet harder mogen rijden dan de snelheden waar in het DGMR-rapport van is uitgegaan. Deze uitleg van de raad acht de Afdeling niet onjuist, gelet op de in artikel 3, lid 3.3.1, van de planregels opgenomen zinsnede "conform het akoestisch onderzoek". De raad heeft voorts toegelicht dat langs het tracé de maximumsnelheid wordt aangegeven waarvan in het DGMR-rapport is uitgegaan. Ter zitting heeft de raad toegezegd dat de besluitvorming daaromtrent tijdig zal worden afgerond. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de uitgangspunten waarvan in het DGMR-rapport is uitgegaan onvoldoende in de planregels zijn gewaarborgd. Evenmin ziet de Afdeling gelet op de toelichting van de raad ter zitting aanleiding voor het oordeel dat de raad een meetverplichting in de planregels had moeten opnemen.

    Het betoog faalt.

Geluidwerende voorzieningen

15.    [appellant sub 6] betoogt dat onvoldoende is gewaarborgd dat met de geluidwerende voorziening de noodzakelijke geluidwering wordt bewerkstelligd. In dat verband wijst hij erop dat de aard van de geluidwerende voorzieningen niet inzichtelijk is gemaakt en dat het gebruikte materiaal van de geluidwerende voorzieningen niet in de planregels is gewaarborgd.

15.1.    Aan het tracédeel ter plaatse van de woning van [appellant sub 6] is de functieaanduiding "specifieke vorm van verkeer - geluidsscherm 3" toegekend.

15.2.    In de plantoelichting is vermeld dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 6] een begroeid scherm van kokos van 3 m hoog wordt geplaatst. In het deskundigenbericht is vermeld dat voor de geluidwerendheid van de geluidschermen in het DGMR-rapport is uitgegaan van een "ideaal geluidscherm" en dat het RMG 2012 eisen stelt aan een dergelijk "ideaal geluidscherm". Volgens het deskundigenbericht is het in beginsel mogelijk om een begroeid scherm van kokos te plaatsen dat voldoet aan de afschermende werking van een ideaal geluidscherm zoals bedoeld in het RMG 2012. [appellant sub 6] heeft deze conclusie van de Stab niet bestreden. De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze bevindingen in het deskundigenbericht.

    Voor zover [appellant sub 6] aanvoert dat het gebruikte materiaal van de geluidwerende voorzieningen niet in de planregels is gewaarborgd, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals hiervoor overwogen, wordt de noodzakelijke geluidwering in dit geval bewerkstelligd door gebruikmaking van een begroeid scherm van kokos dat voldoet aan de afschermende werking van een ideaal geluidscherm. Dit geluidscherm draagt zorg voor een mate van geluidwerendheid waarmee in het DGMR-rapport is gerekend.

In artikel 3, lid 3.3.2, van de planregels is gewaarborgd dat er conform het DGMR-rapport geluidwerende voorzieningen worden geplaatst voordat de tramlijn in gebruik wordt genomen. Verder is in dat artikellid gewaarborgd wat de hoogte van die geluidwerende voorzieningen moet zijn. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen aanleiding bestond om in artikel 3, lid 3.3.1, van de planregels nadere eisen op te nemen voor het geluidscherm.

    Het betoog faalt.

Trillingen

16.    [appellanten sub 7] vrezen voor trillingshinder. Zij twijfelen of de trillingen binnen de norm blijven omdat op de dijk sprake is van een overgang van spoor in ballast naar spoor op betonplaat.

16.1.    Ten behoeve van de vaststelling van het plan heeft de raad een onderzoek laten verrichten naar de verwachte trillingssituatie. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport "Uithoornlijn Trillingsonderzoek" van 9 juni 2017 (hierna: trillingsonderzoek), uitgevoerd door Arcadis Nederland B.V. In het trillingsonderzoek staat dat in het deelgebied Legmeer voor een zevental woningen die als eerstelijnsbebouwing nabij de geplande Uithoornlijn zijn gesitueerd, een nadere trillingsprognose is uitgevoerd. Op basis van de uitgevoerde analyse wordt geconcludeerd dat de trillingsniveaus die zullen optreden lager zijn dan de streefwaarden conform de SBR B-richtlijn. Een aandachtspunt volgens het trillingsonderzoek is de overgang van het spoor in ballast naar het spoor op betonplaat ter plaatse van de "Aan de Zoom". Een dergelijke overgang kan door het verschil in stijfheid van de beide constructievormen en het daarmee samenhangend verschil in zettingsgedrag, aanleiding geven tot een discontinuïteit en daardoor tot hogere trillingsniveaus. Verder wordt in het trillingsonderzoek aanbevolen om bij de overgang van spoor in ballast naar spoor op betonplaat een overgangsconstructie toe te passen om hoge trillingsniveaus bij de overgang tussen beide spoorconstructies te voorkomen. Om de trillingsniveaus bij de woningen nabij de weg "Aan de Zoom" te beperken tot waarden onder de streefwaarden dient de spoorconstructie ter plaatse te worden uitgevoerd met een continue spoorstaaffundering met elastische oplegging van de spoorstaaf. [appellanten sub 7] hebben niet, bijvoorbeeld met een tegenonderzoek, aannemelijk gemaakt dat het trillingsonderzoek zodanige gebreken of leemten bevat dat de raad zich bij het vaststellen van het plan niet hierop heeft mogen baseren. Met het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in artikel 3, lid 3.3.2, van de planregels is gewaarborgd dat maatregelen getroffen moeten worden om hoge trillingsniveaus te voorkomen voordat de tramlijn in gebruik wordt genomen. Verder heeft de raad toegelicht dat bij de berekening van de trillingshinder met een snelheid van 50 km/u is gerekend, terwijl de tram in de bocht een lagere snelheid, te weten 30 km/u, zal hebben. Hierdoor ligt de mate van trillingshinder volgens de raad feitelijk lager. Zoals hiervoor in 14.1 is overwogen, heeft de raad ter zitting toegelicht dat artikel 3, lid 3.3.1, van de planregels zo uitgelegd moet worden dat daarin ook de verplichting is opgenomen dat de trams conform het DGMR-rapport niet harder mogen rijden dan de snelheid waarmee op verschillende delen van het tramtracé is gerekend en dat is toegezegd dat de maximumsnelheid met verkeersbesluiten zal worden geregeld. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gevolgen van de voorziene ontwikkeling niet leiden tot een onaanvaardbare trillingshinder.

    Het betoog faalt.

Maatregelen ter voorkoming van verlies van uitzicht

17.    [appellant sub 1] en anderen betogen dat de raad ten onrechte geen maatregelen heeft getroffen om een verslechtering van het uitzicht te voorkomen als gevolg van de geluidreducerende schermen die geplaatst zullen worden op een aantal tracédelen. Volgens hen had de raad uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening de achteruitgang van het aangezicht moeten mitigeren door bijvoorbeeld in het plan op te nemen dat een groenstrook met een vastgestelde minimumbreedte of -hoogte zal worden aangelegd. Zij wijzen erop dat de bestemming "Verkeer - Openbaar Vervoer" een groenvoorziening toelaat, maar deze ten onrechte niet is verplicht gesteld.

17.1.    Aan het tracédeel ter plaatse van de woningen van [appellant sub 1] en anderen is de bestemming "Verkeer - Openbaar Vervoer" toegekend. Verder is aan het tracédeel ter plaatse van de woningen van [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3] en [appellant sub 4] de functieaanduiding "specifieke vorm van verkeer -geluidsscherm 3" toegekend. Ter plaatse van de woning van [appellant sub 5] is aan het tracédeel de functieaanduiding "specifieke vorm van verkeer - geluidsscherm 5" toegekend.

17.2.    De raad stelt zich op het standpunt dat hij voldoende maatregelen heeft getroffen om de vermindering van het uitzicht te beperken. De raad heeft toegelicht dat hij per tracédeel heeft onderzocht op welke wijze de trambaan zo goed mogelijk kan worden ingepast. Daarbij is volgens de raad steeds zoveel mogelijk uitgegaan van de wens van de bewoners. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat direct omwonenden zijn betrokken in een participatietraject, waarbij met de omwonenden is gesproken over het plaatsen van geluidschermen en de vormgeving daarvan. Omdat het merendeel van de bewoners de wens heeft geuit tot het plaatsen van geluidschermen, heeft de raad ervoor gekozen om deze te plaatsen op een aantal tracédelen waar het nemen van geluidreducerende maatregelen wettelijk niet verplicht is. Uit het participatietraject en de enquête waarin de voorkeur van de hoogte en de materiaalkeuze van de schermen aangegeven kon worden, is volgens de raad naar voren gekomen dat de wens van de bewoners uitgaat naar geluidschermen bestaande uit begroeide schermen van kokos met beplanting. De geluidschermen zullen conform deze wens van de omwonenden worden ingepast, aldus de raad. Uit het DGMR-rapport volgt dat bij het bepalen van de noodzakelijke en bovenwettelijke schermmaatregelen ook de extra bewonerswensen uit de informatieavonden en de enquête zijn meegenomen. In artikel 3, lid 3.3.2, van de planregels is gewaarborgd dat er conform het DGMR-rapport geluidwerende voorzieningen worden geplaatst voordat de tramlijn in gebruik wordt genomen. Gelet hierop en nu ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder k, van de planregels de voor de bestemming "Verkeer - Openbaar Vervoer" aangewezen gronden ook bestemd zijn voor groenvoorzieningen, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hij voldoende maatregelen heeft getroffen om de vermindering van het uitzicht te beperken.

    Het betoog faalt.

Ontheffing beschermde diersoorten

18.    [appellant sub 6] betoogt dat het plan niet uitvoerbaar is omdat hij beroep heeft ingesteld tegen de bij besluit van 5 september 2017 verleende ontheffing op grond van artikel 3.3 van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Volgens [appellant sub 6] kon de raad gelet hierop ervan uitgaan dat de verleende ontheffing voor het opzettelijk beschadigen, vernielen of wegnemen van nesten, rustplaatsen en eieren van de huismus, niet standhoudt.

18.1.    De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Wnb nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. De raad kan een plan niet vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid moet inzien dat de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Nu het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland ten tijde van de vaststelling van het plan de onder 18 vermelde ontheffing had verleend, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Wnb op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg stond. De enkele omstandigheid dat beroep is ingesteld tegen de ontheffing maakt dit niet anders.    

    Het betoog faalt.     

Waardevermindering

19.    [appellanten sub 7] betogen dat de verkoopwaarde van hun woningen zal dalen.

19.1.    Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellanten sub 7] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Voor eventuele tegemoetkoming in planschade bestaat voorts een aparte procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden.

    Het betoog faalt.

Conclusie

20.    De beroepen van [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 6] zijn ongegrond.

    De beroepen van [appellant sub 5] en van [appellanten sub 7] zijn gegrond. Het besluit van 8 maart 2018 dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd voor zover:

- geen nader onderzoek is verricht naar de schermwerking van de zichtschermen ter plaatse van deeltraject 2;

- geen onderzoek is verricht naar de cumulatieve effecten van het geluid van de tramlijn en het geluid van het vliegverkeer.

    De Afdeling zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit geheel in stand blijven.

Proceskosten

21.    De raad dient ten aanzien van [appellant sub 5] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

    Ten aanzien van [appellanten sub 7] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, niet gebleken.   

    Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 6] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de beroepen van [appellant sub 5] en van [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Uithoorn van 8 maart 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Uithoornlijn en busverbinding Uithoorn" voor zover:

- geen nader onderzoek is verricht naar de schermwerking van de zichtschermen ter plaatse van deeltraject 2;

- geen onderzoek is verricht naar de cumulatieve effecten van het geluid van de tramlijn en het geluid van het vliegverkeer;

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], [appellante sub 4A] en [appellant sub 4B] en [appellant sub 6A] en [appellante sub 6B]

ongegrond;

V.    veroordeelt de raad van de gemeente Uithoorn tot vergoeding van bij [appellant sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.280,00 (zegge: twaalfhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat de raad van de gemeente Uithoorn aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 5];

- € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.

w.g. Helder    w.g. Zwemstra

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2019

91-877.

 

BIJLAGE

 

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:2

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel 3:46

Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Artikel 8:72

[…]

3 De bestuursrechter kan bepalen dat:

[…]

b. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.

Wet geluidhinder

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

motorvoertuig: motorvoertuig als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

[…]

reconstructie van een weg: een of meer wijzigingen op of aan een aanwezige weg ten gevolge waarvan uit akoestisch onderzoek als bedoeld in artikel 77, eerste lid, onder a, en artikel 77, derde lid, blijkt dat de berekende geluidsbelasting vanwege de weg in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen ten opzichte van de geluidsbelasting die op grond van artikel 100 dan wel het bepaalde krachtens artikel 100b, aanhef en onder a, als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting geldt met 2 dB of meer wordt verhoogd;

[…]

spoorweg: spoorweg als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet;

[…]

weg: voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande weg of openstaand pad, met inbegrip van de daarin liggende bruggen of duikers, alsmede een spoorweg die niet is aangegeven op de kaart, bedoeld in artikel 106, of de geluidplafondkaart;

[…]

Artikel 74

1 Een weg heeft een zone die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg:

a. in stedelijk gebied:

1°. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen: 200 meter;

[…]

Artikel 75

[…]

3 Aan de uiteinden van een weg loopt de zone door over een afstand gelijk aan de breedte van de zone ter hoogte van het einde van de weg. De zone loopt door langs een lijn die is gelegen in het verlengde van de wegas. Zij behoudt de breedte die zij had ter hoogte van het einde van de weg.

Artikel 76

1 Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74, worden ter zake van de geluidsbelasting, vanwege de weg waarlangs die zone ligt, van de gevel van woningen, van andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen binnen die zone de waarden in acht genomen, die ingevolge artikel 82 en 100 als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt.

[…]

Artikel 82

1 Behoudens het in de artikelen 83, 100 en 100a bepaalde is de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel, vanwege de weg, 48 dB.

[…]

Artikel 100

1 Behoudens het tweede en derde lid is de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege een te reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen de zone 48 dB.

[…]

3 Ingeval de weg op 1 januari 2007 aanwezig, in aanleg of geprojecteerd was en niet eerder een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege de te reconstrueren weg is vastgesteld dan 48 dB, en de heersende waarde hoger is dan 48 dB, geldt als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege de te reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen de zone die op 1 januari 2007 aanwezig, in aanbouw of geprojecteerd waren de heersende waarde.

Artikel 110f

1 Indien een van de volgende onderdelen van deze wet of van het krachtens deze onderdelen bepaalde:

a. Afdeling 1 en afdeling 2 van hoofdstuk V,

b. Afdeling 2, 3 en 4 van hoofdstuk VI,

c. hoofdstuk VII, en

d. hoofdstuk VIII,

van toepassing is op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen gelegen in twee of meer aanwezige of toekomstige geluidszones als bedoeld in de artikelen 40, 52, 74 en 108, of als vastgesteld krachtens artikel 107, dan wel in één of meer hiervoor genoemde geluidszones alsmede in een met het oog op de geluidsbelasting vastgesteld beperkingengebied als bedoeld in hoofdstuk 8, titel 8A.6 of artikel 10.17 van de Wet luchtvaart, dient degene, die bij of krachtens deze wet verplicht is tot het verrichten van een akoestisch onderzoek, ter plaatse van die woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, overeenkomstig de door Onze Minister gestelde regels, tevens onderzoek te doen naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidsbronnen. Aangegeven dient te worden op welke wijze met de samenloop rekening is gehouden bij de te treffen maatregelen.

2 Indien in een bepaald gebied een of meer van de in het eerste lid genoemde onderdelen van deze wet of van het krachtens die onderdelen bepaalde van toepassing zijn, terwijl voor dat gebied tevens uit anderen hoofde van Rijkswege een saneringsprogramma ter zake van het voorkomen of bestrijden van geluidhinder moet worden opgesteld, draagt Onze Minister zorg voor de noodzakelijke onderlinge afstemming en samenhang van de te treffen maatregelen.

3 Het eerste en tweede lid zijn uitsluitend van toepassing indien voor een woning, ander geluidgevoelig gebouw of geluidgevoelig terrein:

a. een hogere waarde zal worden vastgesteld, en

b. voor dezelfde woning, ander geluidsgevoelig gebouw of geluidsgevoelig terrein, de geluidsbelasting, vanwege tenminste een andere geluidsbron als bedoeld in het eerste lid, in de toekomstige situatie de voorkeurswaarde overschrijdt.

4 Het eerste en tweede lid worden alleen toegepast ten aanzien van geluidsbronnen als bedoeld in het eerste lid waarvan de geluidsbelasting in de toekomstige situatie de voorkeurswaarde overschrijdt.

5 Ten behoeve van de uitvoering van het eerste lid kan Onze Minister bepalen, dat bij de berekening en meting van de onderscheidene geluidsbelastingen van de gevels van de woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en de grens van geluidsgevoelige terreinen op de resultaten een door hem aan te geven correctie kan worden toegepast.

Artikel 110g

Onze Minister stelt regels op grond waarvan telkens voor een bepaalde periode, al naar gelang de geluidproductie van motorvoertuigen in de betrokken periode hoger ligt dan voor de toekomst redelijkerwijs is te verwachten, bij de berekening en meting van de geluidsbelasting van de gevel van woningen of van andere geluidsgevoelige gebouwen of aan de grens van geluidsgevoelige terreinen op het resultaat een door hem bepaalde aftrek van niet meer dan 5 dB wordt toegepast.

Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

motorvoertuigen: alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen;

[…]

Spoorwegwet

Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

spoorweg: weg bestemd voor verkeer over spoorstaven of geleiderails;

[…]

Reken- en meetvoorschrift geluid 2012

Artikel 3.4, zoals dit luidde ten tijde van belang

1 De ingevolge artikel 110g van de Wet geluidhinder toe te passen aftrek op de geluidsbelasting vanwege een weg, van de gevel van woningen of van andere geluidsgevoelige gebouwen of aan de grens van geluidsgevoelige terreinen bedraagt tot 1 juli 2018:

a. 3 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt en de geluidsbelasting vanwege de weg zonder toepassing van artikel 110g van de Wet geluidhinder 56 dB is;

b. 4 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt en de geluidsbelasting vanwege de weg zonder toepassing van artikel 110g van de Wet geluidhinder 57 dB is;

c. 2 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt en de geluidsbelasting afwijkt van de onder a en b genoemde waarden;

d. 5 dB voor de overige wegen;

e. 0 dB bij toepassing van de artikelen 3.2 en 3.3 van het Bouwbesluit 2012 en bij toepassing van de artikelen 111b, tweede en derde lid, 112 en 113 van de Wet geluidhinder.

[…]

Wet natuurbescherming

Artikel 3.3

1 Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 of artikel 3.2, zesde lid, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.

[…]

Planregels bij het bestemmingsplan "Uithoornlijn en busverbinding Uithoorn", vastgesteld door de raad van de gemeente Uithoorn bij besluit van 8 maart 2018

Artikel 3 Verkeer - Openbaar Vervoer

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Verkeer - Openbaar Vervoer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wegen en/of banen ten behoeve van het openbaar vervoer;

b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - halte'; een tram-/ bushalte;

c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - trambaan'; een trambaan;

d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - onderstation'; een onderstation;

e. openbaar vervoervoorzieningen;

f. stationsvoorzieningen en halteplaatsen;

g. werkterreinen, onderhoudswegen, -paden en -stroken ten behoeve van openbaar vervoer;

h. calamiteitenverkeer;

i. wegen;

j. fiets- en voetpaden;

k. groen-, water- en waterhuishoudkundige voorzieningen;

l. bermen;

m. parkeervoorzieningen;

n. straatmeubilair;

o. fietsenstallingen;

p. nutsvoorzieningen;

q. geluidschermen en zichtschermen, zoals nader bepaald in artikel 3 lid 3.1;

r. infrastructurele voorzieningen met het oog op het beheer van de bestemming.

Met dien verstande dat bij de ingebruikname van deze gronden tevens de voorwaardelijke verplichtingen in artikel 3 lid 3 van toepassing zijn.

3.3 Specifieke gebruiksregels

3.3.1 Voorwaardelijke verplichting akoestiek

De tramlijn mag niet eerder in gebruik worden genomen, conform het akoestisch onderzoek zoals opgenomen in bijlage 12b behorende bij de toelichting, nadat:

a. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - geluidsscherm 1' geluidwerende voorzieningen zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden, langs de oostzijde van de nieuwe trambaan bij de woningen Op de Klucht tot en met de woning Langs de Zoom 11 met een lengte van circa 120 meter en met een minimale hoogte van 1 meter;

b. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - geluidsscherm 2' geluidwerende voorzieningen zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden, langs de oostzijde van de nieuwe trambaan vanaf de woningen Langs de Baan 2 tot en met de halte Aan de Zoom met een lengte van circa 550 meter. De hoogte van dit scherm bedraagt 3 meter. Dit scherm wordt onderbroken door de overgang bij Bieslook;

c. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - geluidsscherm 3' geluidwerende voorzieningen zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden, langs beide zijden van de trambaan tussen de halte Aan de Zoom en de aantakking van de busbaan met een lengte van circa 260 meter aan de noordzijde en circa 270 meter aan de zuidzijde en met een hoogte van 3 meter, waarbij over de eerste 6 meter vanaf de halte Aan de Zoom de hoogte van het scherm verlaagd is tot 1 meter in het kader van de veiligheid;

d. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - geluidsscherm 4' geluidwerende voorzieningen zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden, langs de zuidzijde bus/trambaan bij Burg. Kootlaan / Iet Stantsweg met een lengte van circa 350 meter en een hoogte van 3 meter;

e. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - geluidsscherm 5' de bestaande grondwal met zichtschermen is opgeknapt en in stand worden gehouden, langs de zuidzijde tussen de Couperuslaan en Adm. De Ruyterlaan, met een minimale hoogte van 2,5 meter en een maximale hoogte van 3,0 meter;

f. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - geluidsscherm 6' geluidwerende voorzieningen zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden, langs de zuidzijde bus/trambaan bij het complex Adm. de Ruyterlaan 2-4 met een lengte van circa 70 meter en een hoogte van 3 meter.

3.3.2 Voorwaardelijke verplichting trillingen

De tramlijn mag niet eerder in gebruik worden genomen nadat:

a. ter plaatse van 'Aan de Zoom' bij de overgang van spoor in ballast naar spoor op betonplaat een overgangsconstructie is gerealiseerd en in stand wordt gehouden, conform het trillingsonderzoek, dat als bijlage 19b bij de toelichting van dit bestemmingsplan is gevoegd;

b. ter plaatse van tussen de Bieslook en de halte Aan de Zoom de spoor constructie met een continue spoorstaaf fundering met elastische oplegging van de spoorstaaf is gerealiseerd en in stand wordt gehouden, conform het trillingsonderzoek, dat als bijlage 19b bij de toelichting van dit bestemmingsplan is gevoegd.