Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2428

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
17-07-2019
Zaaknummer
201808462/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2018 heeft het college zijn beslissing om op 19 juni 2018 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het op onjuiste wijze aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellant] komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201808462/1/A1.

Datum uitspraak: 17 juli 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2018 heeft het college zijn beslissing om op 19 juni 2018 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het op onjuiste wijze aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellant] komt.

Bij besluit van 13 september 2018 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juli 2019, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. B. Kaptein-van Beest, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 19 juni 2018 ter hoogte van de Goudsbloemlaan 140 naast de daar aanwezige inzamelvoorziening is aangetroffen. Omdat bij onderzoek van de doos de naam en adresgegevens van [appellant] zijn aangetroffen, heeft het college hem aangemerkt als overtreder van artikel 9 van de Afvalstoffenverordening 2010 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.

Weergave van de bezwaren

2.    [appellant] betoogt dat zijn bezwaren in het verslag van de hoorzitting en het besluit op bezwaar gedeeltelijk onjuist zijn weergegeven. Anders dan in het verslag staat, heeft hij niet gezegd dat "men niet anders kan dan het afval naast de container te plaatsen". En anders dan in het besluit staat, heeft hij niet gezegd dat hij het "vanzelfsprekend" vindt dat mensen het huisvuil naast de inzamelvoorziening deponeren. Volgens hem heeft hij gezegd dat als gevolg van het slechte ophaalbeleid van de gemeente, hij het zich kan voorstellen dat mensen hun afval dan maar naast de container deponeren.

2.1.    De door [appellant] gestelde onjuistheden in het verslag en het besluit op bezwaar, zijn niet bepalend voor de beslissing van het college om zijn bezwaren ongegrond te verklaren. Of in het verslag en het besluit de goede bewoordingen zijn gekozen, kan daarom in het midden blijven.

Kostenverhaal

3.    [appellant] betoogt dat de gemeente de containers onvoldoende leegt, waardoor deze bij herhaling overvol zijn. Het is daarom volgens hem niet redelijk dat het college burgers verwijt dat zij afval naast de containers deponeren en dat daarvoor kosten in rekening worden gebracht.

3.1.    Uit artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat de kosten die zijn verbonden aan de toepassing van bestuursdwang in beginsel voor rekening van de overtreder, in dit geval [appellant], behoren te komen.

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2398, kan voor het maken van een uitzondering op het beginsel van kostenverhaal onder meer aanleiding bestaan indien de aangeschrevene ten aanzien van de ontstane situatie geen verwijt valt te maken en bij het ongedaan maken van de met het recht strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken dat de kosten in redelijkheid niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene behoren te komen.

3.2.    Niet gebleken is dat [appellant] geen verwijt kan worden gemaakt. Het enkele feit dat een container vol is, ontslaat hem niet van de verplichting om een doos op juiste wijze ter inzameling aan te bieden. Dit kan betekenen dat de doos in een andere container moet worden gedeponeerd of weer mee naar huis moet worden genomen. De stelling van [appellant] dat containers vaker zouden moeten worden geleegd, leidt ook niet tot het oordeel dat het college van kostenverhaal had moeten afzien.

3.3.    Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt voorts dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde kosten voor het verwijderen van de doos daadwerkelijk zijn gemaakt. Een groot deel van de kosten bestaat bovendien uit algemene kosten, die volgens hem niet op een overtreder kunnen worden verhaald.

4.1.    In het besluit van 26 juni 2018 en het besluit op bezwaar is vermeld dat de kosten voor het verwijderen, onderzoeken en afvoeren van een doos en de administratieve afhandeling in totaal € 194,00 bedragen, waarvan bij een eerste overtreding € 126,00 in rekening wordt gebracht. Uit het besluit op bezwaar blijkt dat het college in hetgeen [appellant] in bezwaar heeft aangevoerd geen aanleiding ziet om het bedrag van € 126,00 niet bij hem in rekening te brengen. Het heeft daarbij gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:510.

    Bij brief van 17 september 2018 heeft [appellant] het college verzocht om een specificatie van de kosten. In reactie daarop heeft het college een gespecificeerde "Kostenberekening spoedeisende bestuursdwang onjuist aangeboden huisvuil in 2013" verstrekt.

4.2.    Uit de gespecificeerde kostenberekening van het college blijkt dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang niet alleen bestaan uit de kosten voor het feitelijk verwijderen van de op onjuiste wijze ter inzameling aangeboden doos, maar ook uit onder meer de kosten voor het onderzoek en het opstellen van een rapportage, afgezet tegen het aantal daaraan bestede minuten. In het besluit op bezwaar is verder toegelicht dat uit zorgvuldigheidsoogpunt altijd een controle door twee medewerkers plaatsvindt.

    [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de handelingen die op de door het college overgelegde kostenberekening zijn vermeld, niet zijn verricht of dat de daarop vermelde bedragen afwijken van de daadwerkelijk gemaakte kosten. Hetgeen hij heeft aangevoerd, geeft geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen bepalen dat van de kosten van de toepassing van bestuursdwang een gedeelte ter hoogte van € 126,00 voor zijn rekening komt (vergelijk de in het besluit op bezwaar aangehaalde uitspraak van 14 februari 2018 en de uitspraak van 8 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2114).

4.3.    Het betoog faalt.

Conclusie

5.    Het beroep is ongegrond.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier.

w.g. Drop    w.g. Visser

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2019

148.