Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:239

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
30-01-2019
Zaaknummer
201803602/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:1193, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 oktober 2016 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2019/8150 met annotatie van M.G.O. De lange
JOM 2020/162
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803602/1/A2.

Datum uitspraak: 30 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 maart 2018 in zaak nr. 17/2542 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Helmond.

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2016 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 1 augustus 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 maart 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2018, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Boelens-Horn, zijn verschenen. Voorts is mr. G.J.P.M. Bosch aan de zijde van het college als deskundige verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het verzoek van [appellant] ziet op vier percelen in het buitengebied van de gemeente Helmond. Hij heeft het college verzocht hem tegemoet te komen in de planschade die hij stelt te lijden als gevolg van het op 2 augustus 2011 in werking getreden bestemmingsplan "Buitengebied Helmond", waarin de bestemming van zijn percelen is veranderd naar ‘Natuur’.

2.    Het college heeft het verzoek om een tegemoetkoming in planschade afgewezen. Aan dat besluit heeft het college het advies van de benoemde deskundige Thorbecke B.V. (hierna: Thorbecke) van 20 september 2016 ten grondslag gelegd. In dat advies heeft Thorbecke een vergelijking gemaakt tussen de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de percelen onder het nieuwe bestemmingsplan en het daaraan voorafgaande planologische regime. Uit de planvergelijking heeft Thorbecke de conclusie getrokken dat [appellant] als gevolg van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan niet in een nadeliger planologische positie is komen te verkeren en geen planschade heeft geleden. Het college heeft het besluit in bezwaar gehandhaafd.

3.    De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank vastgesteld dat het besluit van 5 oktober 2016 uitsluitend een afwijzing van het verzoek om tegemoetkoming in de geleden planschade bevat. Op de overige door [appellant] genoemde oorzaken van mogelijke schade is door de rechtbank niet ingegaan, omdat die niet behoren tot de in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) genoemde schadeoorzaken. Voorts zijn er geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid van het deskundigenadvies van Thorbecke en heeft het college wat betreft de totstandkoming van het besluit van 1 augustus 2017 een redelijke termijn in acht genomen, aldus de rechtbank. [appellant] kan zich met dat oordeel niet verenigen en heeft hoger beroep ingesteld.

Hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de redelijke termijn is overschreden. Hetgeen hij hierover aanvoert, is een herhaling van hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd en geeft geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van het oordeel van de rechtbank. De rechtbank is in overweging 5.4 terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat van schending van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geen sprake is.

    Het betoog faalt.

5.    Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank eveneens terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college een verklaring van erfrecht van [appellant] heeft kunnen verlangen. Het college heeft deze nodig gehad om zicht te kunnen krijgen op de eigendomspositie van [appellant] en om te kunnen beoordelen of hij belanghebbende is.

    Het betoog faalt.

6.    [appellant] betoogt verder dat Thorbecke in strijd met de Verordening aanwijzing en werkwijze planschadeadviseur Helmond 2009 (hierna: de verordening) is benoemd als deskundige. Volgens [appellant] is Thorbecke niet onafhankelijk, omdat zij zelf een medewerker benoemt om advies uit te brengen.

6.1.    Het college heeft het onderzoek opgedragen aan Thorbecke. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld, is Thorbecke een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade (zie de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1200). Dat Thorbecke een rechtspersoon is en dat zij meerdere van haar medewerkers aan een advies laat werken, betekent niet dat het college Thorbecke niet als adviseur in de zin van de verordening kan aanwijzen en is geen aanknopingspunt voor twijfel aan de onafhankelijkheid van Thorbecke.

    Het betoog faalt.

7.    Voorts betoogt [appellant] dat het deskundigenadvies van Thorbecke niet deugdelijk is gemotiveerd. Ook zou het horen van partijen door Thorbecke niet zorgvuldig hebben plaatsgevonden en zijn er, anders dan in het advies van Thorbecke staat, geen ruimere gebruiksmogelijkheden onder het nieuwe bestemmingsplan. Een betere exploitatie van de gronden is niet mogelijk, want het bezit moet rendabel kunnen worden geëxploiteerd, aldus [appellant].

7.1.    Indien in een advies van een door een bestuursorgaan benoemde onafhankelijke en onpartijdige deskundige op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, mag dat bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op een verzoek om tegemoetkoming in planschade van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht (zie de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582).

7.2.    Het rapport waar [appellant] naar verwijst, bevat geen planologische vergelijking en ziet in dat verband niet op zijn percelen. De Afdeling oordeelt daarom met de rechtbank dat [appellant] met dat rapport geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies van Thorbecke naar voren heeft gebracht.

    Van het horen van [appellant] heeft Thorbecke een verslag gemaakt. Dit verslag is als bijlage bij het advies opgenomen. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het horen onzorgvuldig heeft plaatsgevonden. Ook het feit dat het college door Thorbecke in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord, maar dat het daar geen gebruik van heeft gemaakt, is geen aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies.

    Het college mocht dus het advies van Thorbecke aan het besluit van 1 augustus 2017 ten grondslag leggen.

7.3.    De Afdeling wijst er in dat verband nog op dat voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden (zie de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582). Uit de door Thorbecke gemaakte planvergelijking volgt dat de gronden van [appellant] in het nieuwe bestemmingsplan meer gebruiksmogelijkheden hebben. Hierdoor heeft [appellant] een planologisch voordeel. Het betoog van [appellant] dat de gebruiksmogelijkheden van het perceel niet ruimer zijn geworden, maar dat er juist minder mogelijk is vanwege de vernatting van de grond, ziet op de feitelijke situatie en is daarom niet van belang bij de planvergelijking.

7.4.    Het betoog faalt.

8.    De Afdeling gaat ten slotte voorbij aan hetgeen [appellant] nog aanvoert over andere mogelijke schadeoorzaken. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, ziet het besluit van 1 augustus 2017 alleen op de afwijzing van de aanvraag om een tegemoetkoming in planschade. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over de totstandkoming van het bestemmingsplan, het handelen van het waterschap en de activiteiten van de Bosgroep, kan derhalve in deze procedure niet aan de orde komen. De rechtbank heeft in overweging 2.1 terecht overwogen dat alleen de in artikel 6.1 van de Wro genoemde schadeoorzaken kunnen leiden tot planschade en dat de door [appellant] genoemde overige oorzaken daar niet toe behoren.

Conclusie

9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

w.g. Hagen    w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2019

85-882.