Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:236

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
30-01-2019
Zaaknummer
201803338/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:1785, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2017 heeft het college, voor zover nu van belang, [appellant] onder oplegging van dwangsommen gelast om de kuilvoederbalen, diverse wagens en voertuigen in buitenopslag en de oppervlakteverharding van circa 380 m2 aan losgestort puin/stenen van het aan de Kooiweg West te Culemborg gelegen perceel, sectie M, nummer 360 (lees: 630), (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/343
BR 2019/29 met annotatie van R.J.G. Bäcker , J.A.G. de Boer
JGROND 2019/66 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803338/1/A1.

Datum uitspraak: 30 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) van 18 april 2018 in zaak nrs. 18/258 en 18/426 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Culemborg.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2017 heeft het college, voor zover nu van belang, [appellant] onder oplegging van dwangsommen gelast om de kuilvoederbalen, diverse wagens en voertuigen in buitenopslag en de oppervlakteverharding van circa 380 m2 aan losgestort puin/stenen van het aan de Kooiweg West te Culemborg gelegen perceel, sectie M, nummer 360 (lees: 630), (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 12 december 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 april 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 januari 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. E.J. van Heiningen, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.P.A. Bots, zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    [appellant] is eigenaar van het perceel. Ook is hij eigenaar van percelen in Culemborg, Beesd, Rumpt en Deil. Hij gebruikt die percelen voor zijn agrarisch bedrijf met als hoofdvestiging [locatie] te Rumpt. Het perceel heeft volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Natuur" met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3". Niet in geschil is dat het gebruik van het perceel voor opslag van kuilvoederbalen, de buitenopslag van diverse wagens en voertuigen en het aanbrengen van de oppervlakteverharding ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering in strijd is met het bestemmingsplan.

Overgangsrecht

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn beroep op het overgangsrecht met betrekking tot de opslag van de kuilvoederbalen, de oppervlakteverharding/gebroken puin en de buitenopslag van diverse wagens en voertuigen niet slaagt. Hij voert aan dat hij met de door hem aangeleverde gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat dit gebruik reeds bestond op de peildatum en sindsdien is voortgezet. Daarbij verwijst hij naar satellietbeelden, luchtfoto’s, facturen, uittreksel uit het Kadaster, een inschrijving bij de Kamer van Koophandel, een jaaroverzicht van 2012 en afschriften van gecombineerde opgaven van zijn agrarisch bedrijf van 2012 tot en met 2015 aan de Rijksdienst.

2.1.    Zoals de rechtbank terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1497 heeft overwogen dient degene die zich op het overgangsrecht beroept de feiten en omstandigheden waarop dat beroep rust aannemelijk te maken.

2.2.    Artikel 36.2.1 van de planregels luidt:

"Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet."

    Artikel 36.2.2 luidt:

"Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in 36.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind."

    Artikel 36.2.4 luidt:

"Het bepaalde in 36.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan."

    Het voorheen geldende bestemmingsplan is het bestemmingsplan "Buitengebied Culemborg" (hierna: het bestemmingsplan "Buitengebied Culemborg") van de gemeente Culemborg.

    Artikel 6, lid 1, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied Culemborg" luidt:

"1. Doeleindenomschrijving

De als zodanig op de plankaart aangegeven gronden zijn bestemd voor:

Hoofddoeleinden:

- uitoefening van het agrarisch bedrijf;

[…]."

2.3.    Voor de beantwoording van de vraag of het met huidige bestemmingsplan strijdige gebruik onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan valt, dient onder meer te worden vastgesteld wanneer het gebruik waartegen het college handhavend optreedt, is aangevangen. Als dat gebruik ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan niet bestond, kan het ook niet onder de werking van het overgangsrecht gebracht worden. Als het gebruik wel bestond, mag dat gebruik gelet op artikel 36.2.4 van de planregels niet in strijd zijn met het voorheen geldende bestemmingsplan en mag het gelet op artikel 36.2.2 van de planregels slechts worden gewijzigd indien de afwijking met het bestemmingsplan naar aard en omvang wordt verkleind. Niet in geschil is dat het bestemmingsplan op 18 oktober 2013 in werking is getreden. Dit is de peildatum.

2.4.    Naar aanleiding van het betoog van [appellant] dat de aanwezigheid van de oppervlakteverharding/gebroken puin en het gebruik van het perceel voor de buitenopslag van wagens en voertuigen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering onder het overgangsrecht valt, overweegt de Afdeling als volgt.

    De rechtbank heeft terecht overwogen dat, anders dan [appellant] stelt, uit de overgelegde satellietbeelden niet blijkt dat de oppervlakteverharding van 380 m2 al ten tijde van de peildatum aanwezig was. Weliswaar blijkt uit de luchtfoto’s van het college van 2012 en 2013 dat er vóór de peildatum los puin aanwezig was op het perceel, maar daaruit blijkt niet dat het puin ten tijde van de peildatum al was uitgevlakt tot een oppervlakteverharding. Ook kan uit de overgelegde facturen van 27 september 2012 die zijn opgesteld door een bestratingsbedrijf niet worden afgeleid dat de oppervlakteverharding waartegen handhavend wordt opgetreden al op de peildatum op het perceel aanwezig was. Op de zitting heeft [appellant] bevestigd dat deze facturen een verharding van de inrit naar de veldschuur betreffen.

    De rechtbank heeft ook terecht overwogen dat uit de door [appellant] overgelegde satellietbeelden en de luchtfoto’s van het college niet blijkt dat het perceel op de peildatum werd gebruikt voor de buitenopslag van wagens en voertuigen ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering. De satellietbeelden zijn daarvoor onvoldoende scherp en op de luchtfoto’s van het college van 2012 en 2013 is geen wagen of voertuig te zien. Zijn verwijzing naar het jaaroverzicht van 2012 en het conceptvoorstel van de gemeente van juli 2016 leidt niet tot een ander oordeel. Weliswaar blijkt uit het jaaroverzicht dat diverse wagens en voertuigen in bezit waren van het bedrijf van [appellant], maar daaruit blijkt niet dat deze wagens en voertuigen ten tijde van de peildatum gestald werden buiten op het perceel. [appellant] heeft immers meer percelen die hij gebruikt voor zijn agrarisch bedrijf. Daarnaast volgt uit het conceptvoorstel van juli 2016 niet dat het perceel ten tijde van de peildatum gebruikt werd voor de buitenopslag van wagens en voertuigen ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering.

2.5.    Naar aanleiding van het betoog van [appellant] dat de opslag van kuilvoederbalen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering onder het overgangsrecht valt, overweegt de Afdeling als volgt.

2.5.1.    Ter zitting heeft [appellant] aan de hand van meerdere luchtfoto’s en satellietbeelden toegelicht dat de opslag van kuilvoederbalen op het perceel, in de aard en omvang als waartegen handhavend is opgetreden, vóór en op de peildatum aanwezig was. Het college heeft dit ter zitting erkend.

2.5.2.    Voor de beantwoording van de vraag of het gebruik waartegen het college handhavend optreedt onder de beschermende werking van het overgangsrecht valt, is voorts, gelet op artikel 36.2.4 van de planregels, van belang of het gebruik in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Culemborg". Niet in geschil is dat het bestemmingsplan "Buitengebied Culemborg" de bestemming "Landelijk gebied II" aan het perceel toekende. Artikel 6 van de planvoorschriften bepaalt dat het perceel gebruikt mocht worden voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf.

2.5.3.    De Afdeling is van oordeel dat de opslag van de kuilvoederbalen plaatsvond in het kader van de uitoefening van het agrarisch bedrijf van [appellant]. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de aanvraag van [appellant] om een bouwvergunning voor een halfopen veldschuur op het perceel blijkt dat deze halfopen veldschuur bedoeld is voor agrarisch gebruik. Het college heeft de aangevraagde bouwvergunning op 13 mei 2009 aan [appellant] verleend. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het gebruik van het perceel, voor zover het de opslag van kuilvoederbalen betreft, niet in strijd met het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Culemborg" is. Dat betekent, anders dan de rechtbank heeft overwogen, dat het gebruik van het perceel in zoverre onder het overgangsrecht van artikel 36.2.1 van de planregels valt. Het college is niet bevoegd handhavend op te treden tegen het gebruik van het perceel voor de opslag van kuilvoederbalen.

    Het betoog slaagt.

Conclusie

3.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden vernietigd, voor zover daarbij de last tot het verwijderen en verwijderd houden van de kuilvoederbalen niet is vernietigd. De rechtbank heeft het beroep al gegrond verklaard, zodat de Afdeling dat niet meer hoeft te doen. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient voor het overige te worden bevestigd. Het besluit van 12 december 2017 komt, voor zover het de last tot het verwijderen en verwijderd houden van de kuilvoederbalen betreft, voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling ziet aanleiding het besluit van 30 mei 2017 in zoverre te herroepen.

4.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 april 2018 in zaken nrs. 18/258 en 18/426, voor zover daarbij de last tot het verwijderen en verwijderd houden van de kuilvoederbalen, niet is vernietigd;

III.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Culemborg van 12 december 2017, kenmerk GEM - 1738753/37505, voor zover het betrekking heeft op de last tot het verwijderen en verwijderd houden van de kuilvoederbalen;

IV.    herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Culemborg van 30 mei 2017, kenmerk 021440262, voor zover het betrekking heeft op de last tot het verwijderen en verwijderd houden van de kuilvoederbalen;

V.    bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, voor het overige;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Culemborg tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Culemborg aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 253,00 (zegge: tweehonderddrieënvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2019

270-884.