Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2299

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2019
Datum publicatie
17-07-2019
Zaaknummer
201801504/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 december 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen om hun een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801504/1/V1.

Datum uitspraak: 9 juli 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 19 januari 2018 in zaak nr. 17/12217 in het geding tussen:

[de vreemdelingen]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen om hun een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 12 juni 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 januari 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. I.M. Zuidhoek, advocaat te Groningen, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Naar aanleiding van de bij uitspraak van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1609, door de Afdeling gestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie heeft de Afdeling partijen bericht dat de behandeling van deze zaak wordt aangehouden in afwachting van het antwoord van het Hof.

Bij arrest van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:877 (hierna: het arrest), heeft het Hof deze vragen beantwoord.

De vreemdelingen en de staatssecretaris hebben desgevraagd een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

        Hoger beroep

1.    De vreemdelingen zijn de partner en het kind van referent. Aan referent is bij besluit van 5 oktober 2015 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).

    Bij besluit van 7 december 2016, gehandhaafd bij besluit van 12 juni 2017, heeft de staatssecretaris de aanvraag van 10 maart 2016 om verlening van een mvv ten behoeve van nareis in het kader van gezinshereniging afgewezen, omdat deze niet was ingediend binnen de termijn van drie maanden, als genoemd in artikel 29, tweede en vierde lid, van de Vw 2000.

2.    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. Zij heeft overwogen dat referent op 4 november 2015, binnen de termijn van drie maanden, bij Vluchtelingenwerk Nederland (hierna: VWN) is geweest voor het indienen van de aanvraag en dat zij ervan mocht uitgaan dat de aanvraag door VWN tijdig zou worden ingediend. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het niet tijdig indienen van de aanvraag te wijten is aan een communicatiestoornis tussen referent en VWN, dan wel een fout van VWN, drukte bij VWN en een wijziging van de werkzaamheden van medewerkers van VWN op de betreffende locatie voor statushouders, waardoor meerdere aanvragen te laat zijn ingediend. In vergelijkbare zaken heeft de staatssecretaris volgens de rechtbank coulance betracht en de aanvragen alsnog inhoudelijk behandeld, alhoewel in die zaken een kortere termijnoverschrijding speelde. De staatssecretaris heeft volgens de rechtbank de problemen bij VWN zelf ook onderkend. Om die reden, en omdat referenten vaak de Nederlandse taal onvoldoende machtig zijn, voorziet het wetsvoorstel 'Aanpassing van in de procedure voor nareis geldende termijnen' (kamerstukken 2016/17, 34 544, nr. 3; hierna: het wetsvoorstel) in een verlenging van de termijn voor aanvragen als de voorliggende van drie naar zes maanden.

3.    De enige grief van de staatssecretaris is gericht tegen de onder 2. weergegeven overwegingen van de rechtbank. Hij betoogt dat geen aanleiding bestaat de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Hij voert daarbij aan dat de rechtbank heeft miskend dat hij in redelijkheid doorslaggevend belang heeft kunnen hechten aan de eigen verantwoordelijkheid van vreemdeling en referent om ervoor te zorgen dat de aanvraag tijdig wordt ingediend. Het feit dat referent zich heeft gewend tot VWN doet volgens de staatssecretaris niet af aan dat uitgangspunt. Uit zijn brief van 22 april 2013 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (kamerstukken 2012/13, 33 293, nr. 21) blijkt dat de rol van VWN ziet op het informeren van vreemdeling of referent, maar niet op het overnemen van de verantwoordelijkheid voor het tijdig indienen van de aanvraag. De omstandigheden dat referent pas korte tijd in Nederland verblijft en de taal niet spreekt maken evenmin dat in dit geval niet van voormeld uitgangspunt zou kunnen worden uitgegaan, omdat dit omstandigheden zijn die gelden voor vrijwel alle vreemdelingen aan wie een verblijfsvergunning is verleend. Er is voorts niet gebleken dat referent zich heeft ingezet om binnen de termijn van drie maanden een aanvraag in te dienen. Na het eerste gesprek met VWN op 4 november 2015 heeft zij eerst geruime tijd na het verstrijken van de termijn opnieuw contact opgenomen met VWN.

    De verwijzing naar het wetsvoorstel maakt het voorgaande volgens de staatssecretaris niet anders. Hij is niet gehouden om daarop vooruitlopend nu al een aanvraagtermijn van zes maanden te hanteren, omdat onvoldoende vaststaat dat het wetsvoorstel ook daadwerkelijk tot wet zal verworden.

3.1.    Uit de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2017 blijkt dat de beoordeling van de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding geen belangenafweging is, maar inhoudt dat wordt beoordeeld of de oorzaak van de termijnoverschrijding in redelijkheid kan worden toegerekend aan de betrokkene. In nareiszaken is dat de desbetreffende gezinshereniger of zijn gezinslid. Een termijnoverschrijding kan bijvoorbeeld verschoonbaar zijn als deze het gevolg is van een fout van het desbetreffende bestuursorgaan of als de betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat hij het besluit, waartegen hij binnen een bepaalde termijn had moeten opkomen, niet heeft ontvangen. Fouten van een gemachtigde zijn in de regel geen reden om een verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen.

    In de uitspraak van 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4275, heeft de Afdeling overwogen dat het arrest geen aanleiding geeft voor een andere conclusie over de verschoonbaarheid van termijnoverschrijdingen dan in de uitspraak van 21 juni 2017 is getrokken op basis van het in die uitspraak geschetste toetsingskader.

3.2.    Referent heeft zich voor het indienen van de aanvraag laten bijstaan door VWN. Niet in geschil is dat de aanvraag door de staatssecretaris niet tijdig is ontvangen. De omstandigheid dat referent zich tot VWN heeft gericht om haar bij te staan bij het indienen van de aanvraag laat onverlet dat het de eigen verantwoordelijkheid van referent dan wel de vreemdeling is om een aanvraag tijdig in te dienen. De omstandigheden dat referent pas korte tijd in Nederland verblijft en de taal niet spreekt doen aan die eigen verantwoordelijkheid niet af. Het wetsvoorstel maakt het voorgaande evenmin anders. Zolang het wetsvoorstel niet is aangenomen en in werking getreden, geldt de in artikel 29, tweede en vierde lid, van de Vw 2000 opgenomen termijn van drie maanden. De overschrijding van de driemaandentermijn is niet verschoonbaar, omdat de staatssecretaris de oorzaak van de termijnoverschrijding in redelijkheid heeft kunnen toerekenen aan referent. Fouten van door een referent of vreemdeling ingeschakelde gemachtigde of hulppersoon, waaronder VWN, zijn in de regel immers geen reden om een termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Er is geen sprake van feiten of omstandigheden die in dit geval aanleiding geven van dit uitgangspunt af te wijken. De staatssecretaris heeft dan ook terecht betoogd dat de rechtbank op grond van de genoemde omstandigheden ten onrechte heeft overwogen dat hij zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was.

    De grief slaagt.

    Conclusie hoger beroep

4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 12 juni 2017 beoordelen in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, voor zover deze nog bespreking behoeven.

    Beroep

5.    In beroep hebben de vreemdelingen erop gewezen dat de vraag of de wijze waarop de staatssecretaris aanvragen beoordeelt, waarbij na overschrijding van de termijn van drie maanden alleen naar verschoonbaarheid wordt gekeken, en niet naar de inhoud van de aanvraag, in overeenstemming is met de Gezinsherenigingsrichtlijn (PB 2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71) onderdeel is van de prejudiciële vragen die de Afdeling in de uitspraak van 21 juni 2017 aan het Hof van Justitie heeft gesteld. De beantwoording van die vragen is ook van belang voor de beoordeling van hun aanvraag, zo stellen zij. Voorts heeft referent psychische en lichamelijke klachten, alsmede financiële problemen. Het belang van gezinshereniging dient volgens de vreemdelingen in deze omstandigheden zwaarder te wegen dan het handhaven van het formele vereiste van de termijn van drie maanden.

5.1.    In de uitspraak van 27 december 2018 heeft de Afdeling overwogen dat uit het arrest volgt dat de staatssecretaris niet in strijd met artikel 12, eerste lid, derde alinea, van de Gezinsherenigingsrichtlijn handelt als hij een na de driemaandentermijn ingediende eerste aanvraag om verlening van een mvv in het kader van nareis afwijst zonder een inhoudelijke beoordeling te maken, mits de termijnoverschrijding niet objectief verschoonbaar is en hij de desbetreffende vreemdelingen volledig heeft geïnformeerd over de gevolgen van zijn besluit en de maatregelen die zij moeten nemen om alsnog in aanmerking te komen voor gezinshereniging. Een onverschoonbare overschrijding van de driemaandentermijn is niet slechts één van de factoren die de staatssecretaris bij zijn beoordeling moet betrekken, maar de doorslaggevende factor.

5.2.    Zoals volgt uit de overwegingen onder 3.2. heeft de staatssecretaris de termijnoverschrijding in redelijkheid aan referent kunnen toerekenen. Uit de overwegingen onder 5.1. volgt dat de staatssecretaris onder deze omstandigheden niet gehouden is een belangenafweging te maken, waarbij de persoonlijke omstandigheden van referent, als weergegeven onder 5., betrokken zouden moeten worden, alvorens te komen tot afwijzing van de aanvraag. Bovendien heeft de staatssecretaris in het besluit van 12 juni 2017 de vreemdelingen geïnformeerd over de maatregelen die zij moeten nemen om alsnog in aanmerking te komen voor gezinshereniging, door te wijzen op de mogelijkheid om een mvv met het oog op een verblijfsvergunning regulier in het kader van gezinshereniging aan te vragen, zodat zijn handelwijze ook op dit punt in overeenstemming is met het antwoord op de prejudiciële vragen.

    De beroepsgrond faalt.

6.    De vreemdelingen betogen ten slotte dat de staatssecretaris ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar.

    De staatssecretaris mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen in bezwaar afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend standpunt. Gelet op de motivering van het besluit van 7 december 2016 en hetgeen de vreemdelingen daartegen in bezwaar hebben aangevoerd, is aan deze maatstaf voldaan.

    De beroepsgrond faalt.

    Conclusie beroep

7.    Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 19 januari 2018 in zaak nr. 17/12217;

III.    verklaart het door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Verbeek

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2019

574.