Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:223

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
30-01-2019
Zaaknummer
201802419/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 januari 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Rozengrachttoren Zaandam" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201802419/1/R6.

Datum uitspraak: 30 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    Gembira B.V. en anderen, gevestigd dan wel wonend te Zaandam, gemeente Zaanstad,

2.    [appellant sub 2], wonend te Zaandam, gemeente Zaanstad,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Zaanstad,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Rozengrachttoren Zaandam" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Gembira en anderen en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2018, waar Gembira en anderen, vertegenwoordigd door mr. C. Sesver, advocaat te Purmerend, [appellant sub 2], bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. A.H. Kroeze en R.O.A. Jakobs, bijgestaan door mr. H. van Lier, advocaat te Haarlem, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting als partij gehoord Green Real Estate B.V. en Bogor Projectontwikkeling B.V., beide vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. L.C.J. Dekkers, advocaat te Amsterdam.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan voorziet in een woontoren - de Rozengrachttoren - op de oostelijke kop van de Rozengracht. Het bouwplan voor de woontoren biedt ruimte aan 40 appartementen. Op de begane grond en de 1e verdieping van de woontoren zijn commerciële ruimten beoogd. De woontoren heeft een omtrek van 19,5 m bij 20 m en een bouwhoogte van ongeveer 53 m. In dit bestemmingsplan is een hoogte van 54 m opgenomen om enige flexibiliteit te bieden. De woontoren vormt de tegenhanger van de Hermitagetoren van 65 m die aan de westelijke zijde van het plein is gesitueerd. De overige bebouwing in de omgeving van de beide torens is veel lager.

    Voor inwerkingtreding van het plan gold de beheersverordening "Inverdan", vastgesteld op 30 juni 2016, waarin de regels en de verbeelding van de bestemmingsplannen "Inverdan" en "Eerste partiële herziening Inverdan" van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. De beheersverordening "Inverdan" maakte een woontoren met een hoogte van 30 m mogelijk op de locatie waar nu de Rozengrachttoren is voorzien.

    Gembira en anderen zijn gevestigd dan wel woonachtig aan de Rozengracht zuidelijk, zuidwestelijk en zuidoostelijk van de Rozengrachttoren op afstanden van ongeveer 10 tot 30 m. [appellant sub 2] is woonachtig in de Czaar Peterstraat op ongeveer 40 m ten zuiden van de Rozengrachttoren.

Toetsingskader

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Procedure

3.     Gembira en anderen betogen dat in paragraaf 2.1 van de nota van zienswijzen de zienswijze onjuist is samengevat.

    De Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bevat niet de verplichting de zienswijzen weer te geven of samen te vatten. Artikel 3:46 van de Awb bevat wel de verplichting dat een besluit berust op een deugdelijke motivering. Bij de behandeling van de overige beroepsgronden zal de Afdeling voor zover nodig ingaan op de motivering van het bestreden besluit. Het betoog faalt.

4.    Gembira en anderen betogen dat zij eerst na de Kerstdagen de nota van zienswijzen hebben ontvangen. Hierdoor zijn zij niet in de gelegenheid geweest om voor de mogelijkheid tot inspraak op 11 januari of 18 januari 2018 een tegenrapport in te dienen.

    Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 16 maart 2017 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gembira en anderen hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid zienswijzen naar voren te brengen. Het college van burgemeester en wethouders heeft bij brief van 13 december 2017 aan de indieners van een zienswijze de gelegenheid geboden om op de voorgenomen vaststelling van het bestemmingsplan en de beantwoording van de zienswijzen mondeling te reageren. Deze mogelijkheid van inspraak is in de Awb noch de Wet ruimtelijke ordening voorzien. Het betoog van Gembira en anderen vindt geen steun in de wet. De Afdeling ziet geen aanleiding om ervan uit te gaan, dat de procedure zodanig onduidelijk is uitgevoerd dat Gembira en anderen hierdoor in hun belangen zijn geschaad. Het betoog faalt.

5.    Gembira en anderen betogen, dat zij de in de nota van zienswijzen genoemde geactualiseerde bezonningsstudie niet hebben ontvangen of hebben kunnen inzien.

5.1.    Naar aanleiding van de zienswijzen zijn het rapport Daglichthinder van de Rozengrachtoren te Zaandam (hierna: rapport daglichthinder), gedateerd 1 augustus 2018, en het rapport Rozengrachttoren, Zaandam studie bezonning 21-11-2017 (hierna: rapport bezonning) opgesteld. De raad heeft beide onderzoeken als bijlagen bij de plantoelichting in het vastgestelde bestemmingsplan opgenomen. Deze handelwijze is niet in strijd met de Awb.

Afweging en alternatieven

6.    Gembira en anderen betogen dat de raad niet alle belangen zorgvuldig heeft afgewogen. Dit blijkt volgens hen te meer uit het feit dat de raad alternatieve locaties niet heeft willen onderzoeken.

6.1.    De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. In dit geval was sprake van een aanvraag om een bestemmingsplan vast te stellen. Daarbij heeft de raad in redelijkheid kunnen betrekken dat de locatie in het voorgaande bestemmingsplan "Inverdan" en in de beheersverordening "Inverdan", gedurende vele jaren, als een zogenaamde ontwikkellocatie is aangemerkt, als onderdeel van de visie op het centrum van de stad. Gelet op de voorgeschiedenis en de inhoud van het bouwplan kon de raad in redelijkheid er mee volstaan de aanvraag op zijn merites te beoordelen. De Afdeling zal hierna ingaan op de uitkomst van die beoordeling. Het betoog treft geen doel.

Behoefte aan stedelijke ontwikkeling

7.    [appellant sub 2] betoogt dat de raad in strijd met artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) ontoereikend heeft onderbouwd dat uit een oogpunt van woningbouw er behoefte is aan een stedelijke ontwikkeling als de Rozengrachttoren. Zij voert hierover aan dat het onvoldoende is om te verwijzen naar de gemeentelijke Woonvisie 2015, omdat daarin een cijfermatige onderbouwing ontbreekt.

7.1.    De raad heeft in de plantoelichting gewezen op de woningbouwopgave vanuit de metropoolregio Amsterdam. Deze woningbouwopgave wordt op basis van de gemeentelijke Woonvisie mede door middel van transformatie en verdichting gerealiseerd. De beoogde woningen maken hiervan deel uit.

7.2.    Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro luidt met ingang van 1 juli 2017:

"De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

7.3.    In de plantoelichting is in het kader van het provinciaal en gemeentelijk beleid in samenhang met de toetsing aan artikel 3.1.6 van het Bro ingegaan op de behoefte aan de met de Rozengrachttoren te realiseren woningbouw.

    In de Provinciale Woonvisie 2010 - 2020 "Goed wonen in Noord-Holland", vastgesteld op 27 september 2010 is voor de Metropoolregio (de regio’s in Noord-Holland Zuid, aangevuld met het zuidelijk deel van Flevoland), waar Zaanstad deel van uitmaakt, vastgelegd dat in de periode 2010-2020 netto 100.000 woningen worden toegevoegd, waarvan ongeveer 75.000 voor Noord-Holland Zuid.

    In de gemeentelijke toekomstvisie "Maak.Zaanstad", vastgesteld in juni 2016, wordt ervan uitgegaan dat tot 2040 tussen de 15.000 en 20.000 woningen worden gerealiseerd in de stad.

    In de actualisatie van de woonvisie "Samen verder met Zaans Mozaïek" (2016) is aangegeven dat na jaren van stagnatie de woningbouwmarkt weer begint aan te trekken, maar dat het woningtekort intussen is opgelopen. Daarbij geldt dat Zaandam-centrum bewoners aantrekt uit Amsterdam. Zaanstad faciliteert de verwachte huishoudensgroei op korte en lange termijn door het bouwen van minstens 600 woningen per jaar. Los van de kwantitatieve doelstelling voor woningbouw is er een kwalitatieve doelstelling gericht op het toevoegen van woningen in het hogere segment waarvan op dit moment het aanbod nog te gering is.

    Het plan draagt aan het woonbeleid bij door de realisatie van 40 appartementen in de middeldure (middensegment) en dure sector (momenteel gering aanbod) zowel kwantitatief als kwalitatief aan de ontwikkeling van Inverdan, waar een bijzonder stedelijk woonmilieu is en wordt gerealiseerd.

7.4.    Naar het oordeel van de Afdeling past de ontwikkeling van de Rozengrachttoren in het provinciaal en gemeentelijk beleid. Daarbij heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat vanwege zowel vraag uit de gemeente als uit de regio er voor de komende jaren daadwerkelijk behoefte is aan de met de Rozengrachttoren te realiseren woningen. Mede in aanmerking genomen dat het gaat om een beperkt aantal woningen en de toelichting ter zitting, is dit standpunt voldoende onderbouwd aan de hand van de gegevens die aan het beleid ten grondslag liggen en de actuele ontwikkeling van de woningmarkt in de regio. De beroepsgrond faalt.

Stedenbouwkundige inpassing

8.    [appellant sub 2] voert aan dat de stedenbouwkundige inpassing van de Rozengrachttoren onvoldoende is gemotiveerd. Hoewel in de plantoelichting naar de nota Zaans afwegingskader hoogbouw (hierna: nota hoogbouw) wordt verwezen, ontbreekt volgens haar een positief advies van het Adviesteam Hoogbouw.

8.1.    De raad heeft ter zitting erop gewezen dat het plan geen nieuwe hoogbouw mogelijk maakt. Immers de beheersverordening "Inverdan" maakte een woontoren met een hoogte van 30 m mogelijk op de locatie waar nu de Rozengrachttoren is voorzien. De raad wijst er voorts op dat het stedenbouwkundig ontwerp van de Rozengrachttoren samen met de gemeente tot stand is gekomen. De supervisor voor stedenbouwkundige aspecten is nauw bij de uitvoering betrokken.

8.2.    Niet weersproken is dat de planlocatie zoals [appellant sub 2] aangeeft, ligt in het gebied op kaartbeeld II waarin onder meer Inverdan ligt. Hiervoor geldt het uitgangspunt "Ruimte bieden waar het kan". In het stappenschema procedure hoogbouwinitiatieven uit de nota hoogbouw is voor gebieden gelegen in kaartbeeld II aangegeven dat in geval visie en supervisie aanwezig is, geen advies van het Adviesteam Hoogbouw nodig is. In dat geval volstaat advisering en begeleiding. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat een advies van het Adviesteam aan de orde kan zijn bij de verlening van de omgevingsvergunning. In hetgeen [appellant sub 2] aanvoert ziet de Afdeling geen grond dat het besluit van de raad zich niet verdraagt met de nota hoogbouw. Het betoog faalt.

Daglichttoetreding en bezonning

9.    Gembira en anderen betogen, dat de beoordeling van de gevolgen voor daglichttoetreding en bezonning onvoldoende inzichtelijk is gemaakt.

    [appellant sub 2] betoogt dat de bezonningsstudie een te gunstig beeld geeft. Volgens haar is er meer schaduwwerking en liggen woningen langer in de schaduw dan volgt uit de bezonningsstudie.

9.1.    De raad verwijst in de eerste plaats naar het rapport daglichthinder en het rapport bezonning. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat Gembira en anderen wat betreft daglichttoetreding en bezonning geen concrete informatie naar voren brengen die tot andere resultaten of conclusies kunnen leiden.

9.2.    Uit de bezonningsstudie blijkt dat de gevolgen voor de bezonning zich met name voordoen ten zuiden van de Rozengrachttoren. Gembira en anderen zijn gevestigd dan wel woonachtig zuidelijk, zuidwestelijk dan zuidoostelijk van de Rozengrachttoren. [appellant sub 2] is woonachtig ten zuiden van de Rozengrachttoren. De bezonningsstudie vergelijkt de feitelijke situatie zonder toren en de beoogde situatie met de Rozengrachttoren van 54 m. De bezonningsstudie geeft aan dat in de zomer zuidwestelijk van de Rozengrachttoren er minder ochtendzon is. Verder is er in de zomer zuidoostelijk van de Rozengrachttoren minder avondzon. De bezonningsstudie geeft geen aanleiding om ervan uit te gaan dat in andere periodes er een relevante vermindering is van de bezonning.

    In het rapport daglichthinder worden de feitelijke situatie zonder toren (scenario 1), de situatie met een toren overeenkomstig de vorige planologische regeling (scenario 2) en de situatie met de Rozengrachttoren (scenario 3) met elkaar vergeleken. De conclusie voor scenario 3 is dat binnen een straal van 30 m van de toren er sprake is van een behoorlijke vermindering van daglicht. Dit verlies is echter minder dan in scenario 2. Buiten de straal van 30 m heeft de Rozengrachttoren nauwelijks vermindering van daglicht tot gevolg.

9.3.    In hetgeen Gembira en anderen en [appellant sub 2] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het rapport daglichthinder en het rapport bezonning zodanige tekortkomingen of onjuistheden bevatten dat de raad zich daar niet in redelijkheid op kon baseren. De rapporten geven voldoende inzicht in de gevolgen van de realisering van de Rozengrachttoren. Ten opzichte van de bestaande situatie zonder bebouwing op de planlocatie heeft de realisering van de Rozengrachttoren nadelige gevolgen. De gevolgen uit een oogpunt van daglichttoetreding en bezonning bij realisering van de Rozengrachttoren zijn ongeveer gelijk, maar in elk geval niet aanzienlijk groter dan in geval van realisering van de bouwmogelijkheden van de beheersverordening "Inverdan" voor een toren op de planlocatie. De raad heeft de bouwmogelijkheden uit de beheersverordening "Inverdan" in aanmerking kunnen nemen. Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen de stedelijke omgeving heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen voor de daglichttoetreding en de bezonning aanvaardbaar zijn. De betogen falen.

Windhinder

10.    Gembira en anderen betogen dat de Rozengrachttoren windhinder tot gevolg heeft.

    [appellant sub 2] betoogt dat de raad gezien de uitkomsten van het onderzoek naar windhinder zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen, dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

10.1.    De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat realisatie van de Rozengrachttoren geen slecht windklimaat tot gevolg heeft. De raad heeft dit standpunt gebaseerd op het door adviesbureau Peutz opgestelde rapport "Rozengrachttoren Zaandam - Windklimaatonderzoek met behulp van de windtunnel", gedateerd 7 oktober 2016 (hierna: windklimaatonderzoek).

10.2.    In het windklimaatonderzoek is aangegeven dat het onderzoek is uitgevoerd aan de hand van de norm NEN 8100 Windhinder en windgevaar in de bebouwde omgeving. In het rapport is de omgeving van de Rozengrachttoren beoordeeld op windgevaar en op windhinder voor loopgebied en voor slentergebied. Uit het windklimaatonderzoek blijkt dat de realisatie van de Rozengrachttoren een toename van windhinder tot gevolg heeft vanwege de hoogte van de toren, de ligging aan een plein en de afstand tot bestaande bebouwing. Volgens het windklimaatonderzoek kan de hinder worden teruggebracht indien de volgende maatregelen worden getroffen: het aanbrengen van een luifel aan drie zijden van het gebouw, het plaatsen van een scherm op twee hoeken van het gebouw en het planten van drie volwassen bomen. In het rapport wordt geconcludeerd dat na het treffen van deze maatregelen er geen overschrijding is van de norm voor windgevaar of een beperkt risico op windgevaar. Voorts is er na het treffen van deze maatregelen slechts op enkele plaatsen een matig windklimaat voor een loopgebied of slentergebied. Op enkele plaatsen is er volgens het rapport een slecht windklimaat voor slentergebied.

10.3.    In hetgeen Gembira en anderen en [appellant sub 2] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het windklimaatonderzoek zodanige tekortkomingen of onjuistheden bevat dat de raad zich daar niet in redelijkheid op kon baseren. Het windklimaatonderzoek geeft voldoende inzicht in de gevolgen van de realisering van de Rozengrachttoren. Hoewel op enkele plaatsen sprake is van een matig windklimaat voor loopgebied en een matig dan wel slecht windklimaat voor slentergebied, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen van de Rozengrachttoren uit een oogpunt van windhinder aanvaardbaar zijn. De betogen falen.

Evenementen

11.    Gembira en anderen betogen dat de realisatie van de Rozengrachttoren tot gevolg heeft dat geen evenementen ter plaatse kunnen worden gehouden. Zij vrezen hierdoor omzetverlies.

11.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plein ter plaatse van de Rozengrachttoren voldoende gelegenheid biedt om evenementen te houden. Het deel van het plein waar de Rozengrachttoren is voorzien, was in de beheersverordening "Inverdan" en in het voordien geldende bestemmingsplan "Inverdan" bestemd voor de bouw van een toren met een vergelijkbare footprint als die van de Rozengrachttoren.

11.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen, dat er voldoende ruimte is om evenementen in de omgeving van de Rozengrachttoren te organiseren. Het betoog faalt.

Zichtbaarheid voor het publiek

12.    Gembira en anderen betogen dat een hogere toren de zichtbaarheid van hun winkels voor het publiek vermindert.

12.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de mogelijke zichtbaarheid van de winkels niet wijzigt door het plan, omdat de beheersverordening "Inverdan" op de locatie ook voorziet in een toren. Dat het plan een verhoging van de toren van 30 m tot 54 m mogelijk maakt, is volgens hen niet van invloed op het uitzicht op de winkels.

12.2.    Naar het oordeel van de Afdeling is dit standpunt juist. De raad heeft in redelijkheid de gevolgen van het realiseren van de Rozengrachttoren voor de zichtbaarheid van de winkels aanvaardbaar kunnen achten. Het betoog faalt.

Privacy

13.    Gembira en anderen betogen dat inkijk vanuit de Rozengrachttoren hun privacy zal beperken. Zij zijn van mening dat de raad geen rekening heeft gehouden met de gevolgen van de verhoging van de maximale bouwhoogte van 30 m naar 54 m.

13.1.    In beroep noch ter zitting hebben Gembira en anderen kunnen aangeven waarom verhoging van de Rozengrachttoren van 30 m tot 54 m hun privacy nadelig beïnvloedt. Gelet op de stedelijke omgeving waarin de Rozengrachttoren is gelegen heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen uit een oogpunt van privacy. Het betoog faalt.

Bereikbaarheid

14.    Gembira en anderen betogen dat de bereikbaarheid voor bezoekers moeilijker wordt gemaakt, omdat er geen goede openbaar vervoerverbindingen op loopafstand zijn. Volgens hen wordt verder de bereikbaarheid van hun winkels bemoeilijkt door de door de gemeente geplaatste pollers (palen in het wegdek om autoverkeer te reguleren).

14.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat er voldoende openbaar vervoervoorzieningen in de nabijheid zijn. In dit verband wijzen zij op een bushalte op 175 m van het plangebied en op het spoorstation en het regionale busstation op 500 m afstand. De raad is verder van mening dat de aanwezigheid van pollers in het centrum van Zaandam niets te maken heeft met het plan.

14.2.    Hetgeen Gembira en anderen hebben aangevoerd, doet niet af aan de genoemde voorzieningen voor openbaar vervoer. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de openbaar vervoervoorzieningen met het oog op het beoogde bouwplan toereikend zijn. Verder is de plaatsing van pollers niet een gevolg van dit plan. Het betoog faalt.

Parkeren

15.    [appellant sub 2] betoogt dat de realisatie van de Rozengrachttoren een onevenredige parkeerdruk in de Czaar Peterstraat tot gevolg heeft. Zij wijst erop dat bewoners van de toren gebruik dienen te maken van parkeergarage De Rozenhof. Zij vreest dat de bewoners ook elders zullen parkeren omdat de parkeergarage niet altijd via de kortste weg kan worden bereikt. Zij voert hierover aan dat de kruising van de Czarinastraat en de Czaar Peterstraat dagelijks tussen 12.00 en 18.00 uur en op koopavonden tot 21.00 uur is afgesloten. Parkeergarage De Rozenhof is dan slecht bereikbaar.

15.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de parkeergarage De Rozenhof altijd toegankelijk is voor de bewoners van de Rozengrachttoren. In de parkeergarage zijn voldoende parkeerplaatsen beschikbaar voor bewoners van de Rozengrachttoren en deze is in beginsel altijd bereikbaar. Voorts heeft de raad betoogd dat in de buurt sprake is van betaald parkeren en dat volgens het parkeerbeleid bewoners van de Rozengrachttoren niet in aanmerking komen voor een parkeervergunning.

15.2.    In hetgeen [appellant sub 2] aanvoert, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich op onjuiste uitgangspunten heeft gebaseerd. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de komst van de Rozengrachttoren geen onaanvaardbare gevolgen voor de parkeermogelijkheden in de omgeving heeft. Het betoog faalt.

Bouwoverlast

16.    Gembira en anderen betogen dat de realisering van de Rozengrachttoren bouwoverlast met zich zal brengen. Zij willen dat in een vergunning de verplichting wordt opgenomen om de toegankelijkheid van de winkels voor zowel omwonenden als bezoekers te waarborgen. Voorts zijn zij van mening dat de gemeente met het oog op omzet- en inkomstenderving een voorschot op de te verwachten schade had moeten toekennen.

    Dit heeft geen betrekking op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond moet derhalve buiten beschouwing blijven.

Conclusie

17.    De beroepen zijn ongegrond.

18.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, voorzitter, en mr. H. Bolt en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, griffier.

w.g. Van der Wiel    w.g. Melse

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2019

191.